De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

17 minuten leestijd

Nog eens . Evenredige Vertegenwoordiging.

Zooals we verleden week reeds voor „Van de Leestafel" schreven (dat echter toen niet geplaatst kon worden) heeft ds. R o s c a m A b b i n g, van Arnhem, een preek gehouden naar aanleiding van 1 Kon. 13 vers 2a : „En hij (de man Gods) riep tegen het altaar, door het Woord des Heeren, en zeide : altaar, altaar ! zoo zegt de Heere", welke leerrede hij daarna in brochurevorm heeft uitgegeven bij Breyer & Zoon te Arnhem, om in die preek-brochure te handelen over Evenredige Vertegenwoordiging in de Kerk.

Het beginsel van evenredige vertegenwoordiging teekent hij dan aldus : „Men gaat uit van de veronderstelling, dat de voor naamste geestelijke stroomingen binnen Kerk en gemeente, gelijk recht van bestaan hebben en naast elkaar tot uiting behooren te komen in de onderscheiden kerkelijke colleges (kerkeraad, kiescollege, kerkvoogdij, notabelen) en bevrediging hunner godsdienstige behoeften moeten ontvangen in prediking en godsdienstonderwijs. Dienover eenkomstig zal dan ook de keuze der predikanten geschieden." Bij het licht van Gods Woord „een lamp voor den voet en een licht op het pad" zal dan onderzocht vi^orden hoe we tegenover dit beginsel "hebben te staan.

Van Jerobeam's daad — het oprichten van gouden kalveren te Bethel in-'t Zuiden en te Dan in 't Noorden — wordt dan gezegd, naar aanleiding van hetgeen de kantteekenaren reeds hebben opgemerkt: „Juist, daar hebt ge het. Jerobeam wilde met zijn volk Jehova dienen, eeren, groot maken, aanbidden op z ij n wijze. Hij meende, zóó kon het óók wel. J u d a mocht het doen te Jeruzalem in wettigen eeredienst, naar Gods geopenbaarden wil, daar had hij niets tegen, als h ij het maar met zijn volk mocht doen op z ij n wijze, naar z ij n inzicht. De bedoeling was toch, zoo meende hij, hetzelfde : Jehova-dienst."

Doch met dat alles ging hij in tegen den nadrukkelijk geopenbaarden wil des Heeren, dien hij verwierp. iDat was zijn zonde. Hij had zich moeten houden aan den geopenbaarden wil des Heeren, aan Jeruzalem's tempeldienst, met zijne inzettingen en rechten des Heeren. Daarvoor in de plaats stelde hij in zijn rijk eigenmachtig een andere eere-en godsdienst in, om zichzelf te kunnen handhaven. Zijn zonde was zonde tegen God, want die Zijn geopenbaarden wil verwerpt, verwerpt Hem zelf.

Die zonde Jerobeam's is ook de zonde dergenen, die Evenredige Vertegenwoordiging in de Ned. Herv. Kerk voorstaan. Even als Jerobeam stellen ook zij wat naar Gods geopenbaarden wil is en wat daartegen ingaat, naast elkaar. Zij redeneeren aldus : „Meenen de rechtzinnlgen Gods Woord, Zijn geopenbaarden wil tot richtsnoer te moeten aannemen ; Christus, het vleesch geworden Woord, overgeleverd om onze zonden en opgewekt tüt onze recntvaardïgmaking, als Middelaar noodzakelijk en onmisbaar in prediking en godsdienstonderwijs, in binnenkamer en openbaar leven, voor lichaam en ziel, in leven en sterven, voor tijd en eeuwigheid. Welnu, het zij zoo, laat in hunne godsdienstige behoeften voor zien worden.

Doch meenen anderen, de vrijzinnigen, in godsdienstige aangelegenheden, niet Gods Woord, niet Zijn geopenbaarden wil tot richtsnoer te moeten aannemen. Achten zij Christus het vleesch geworden Woord, als Middelaar Gods en der menschen, tot zaligheid niet onmisbaar. Meenen zij, als Jerobeam, tegen en naast Gods geopenbaarden wil, naar eigen inzicht en goedvinden en behoeften. God te kunnen dienen, vreezen en aanbiddeji. Welnu, het zij zoo, laat in hunne godsdienstige behoeften óok voorzien worden. Zij bedoelen het, als Jerobeam, toch eigenlijk niet kwaad.

Gelijk Jerobeam immers op z ij n e w ij z e Jehova zocht te vereeren, alzoo ook de vrijzinnigen op hunne w ij z e, naar hunne behoeften, God den Vader aller schepselen. Er is maar één Jehova, maar één God.

Zooals' te Jeruzalem priesters en Levieten, naar de ordeningen Gods, - werkzaam waren, zoo mogen de rechtzinnlgen hebben hunne herders en leeraars : „Gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade : wij bidden van Christus wege : laat u met God verzoenen." (2 Cor. 5 : 20).

En zooals Jerobeam, in zijn rijk, naar eigen inzicht en goeddunken, uit het volk tot priesteren maakte, die niet waren uit de zonen van Levi, zoo mogen de vrijzinnigen hebben hunne herders en leeraars, niet van Christus' wege gezonden met het woord der verzoening. Maar — dan gaat daarmee in vervulling de profetie : „Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen ; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zich zelven leeraars opgaderen, naar hunne eigene begeerlijk-, heden. En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden en zullen zich keeren tot de fabelen" (2 Tim. 4 : 3 en 4).

Dat komt mede voor uwe verantwoordelijkheid, gij voorstanders van Evenredige Vertegenwoordiging ! Naast Gods geopenbaarden wil, stelt gij en zoekt gij te handhaven 's menschen wil ; naast Jeruzalem : Dan en Bethel ; naast het licht: de duisternis ; naast de waarheid - : leugen en dwaling ; naast Christus : Belial ; naast God : de wereld.

Jerobeam's zonde is uwe zonde ! Zonde tegen GodI"

Ds. Roscam Abbing gaat dan verder en schrijft, dat hier naast „zonde tegen God" ook sprake is van „zonde tegenover den naaste". Waar de eerste tafel der wet geschonden wordt, ~ daar wordt ook tegen de tweede gezondigd. Waar geen liefde is tot God, Zijn Woord, Zijne rechten en inzettingen, daar gaat het ook tegen den naaste in. Jerobeam wilde Jehova op z ij n wijze dienen, doch maakte daarbij 's Heeren inzetting krachteloos, richtte tegen het 1ste en 2de gebod in, gouden kalveren op en werd daardoor een verderf voor zijn-volk". Jerobeam sleept in zijn eigenwilligen, heilloozen weg, zijn gansche volk mede. (1 Kon. 12 vs. 30) „De barmhartigheden der goddeloozen zijn wreed".

„Gij voorstanders van de E. V. ! Ook in dit opzicht is Jerobeams zonde, uwe zonde ! Gij doet hetzelfde als hij. Gij toch, wilt door uw toedoen mede het uwe er toe bijdragen, dat die zielverwoestende vrijzinnige beginselen, in 't midden der gemeente ook van den kansel zullen gepredikt worden. Immers neemt gij Christus weg, dan snijdt gij de vergeving der zonden af, dan bluscht gij den levendmakenden Geest uit, dan draagt gij het uwe er toe bij, dat velen met een ingebeelden hemel (zoo zij er nog aan gelooven) verloren zullen gaan. En dat alles in den naam van recht en verdraagzaamheld".,

De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.

V.

De Bijbel geeft ons eerst een totaalindruk van alles en met forsche trekken wordt ons de souvereiniteit Gods geteekend waar Zijn scheppende almacht alles in den hemel en op de aarde en onder de aarde mitsgaders in de zeeën formeert, de dingen die niet zijn roepende alsof zy waren (Rom. 4 vers 17). Wat in de geschiedenis der heidensche volkeren teruggevonden wordt als naïef knutselwerk, vrucht van een geest die van God vervreemd in het duister tast, vinden we in de Schrift vermeld met zeldzame soberheid, maar glanzend vol goddelijke heerlijkheid.

Niet de stof is 't eerst, God is 't eerst, zijnde van eeuwigheid.

Niet de ménsch is 't eerst, God is 't eerst, zijnde de bron en oorzaak van alles wat bestaat, de groote Werkmeester, die in den beginne den hemel en de aarde schiep en sinds bewaarde.

Hierin stemt Oud-en Nieuw Testament overeen. „In den beginne schiep God den hemel en de aarde" lezen we in Genesis 1 vers 1 en Genesis 2 vers 1 zegt als slotaccoord „Alzoó zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir". Openb. 4:11 zegt: Gij, Heere ! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uwen wil zijn zij, en zijn ze geschapen".

Hoe lang dit alles geleden is, kan niemand zeggen. Want wat op de aarde is, zoowel wat onder dft aarde is, is in den beginne door Gods scheppingswoord daargesteld zooals God dat wilde, waarbij alle onderzoekingen ten slotte komen bij het ondoorgrondelijk scheppingswerk van den Heere, den Almachtige, Die spreekt en het is er ; die gebiedt en het staat er (Ps. 33 : 9). Hij heeft alles op hare grondvesten doen nederzinken en Hij heeft haren hoeksteen gelegd (Job 38 : 6), Hij, die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijnen wagen maakt. Die op de vleugelen des winds wandelt en Zijn engelen maakt geesten. Zijn dienaars tot een vlammend vuur. (Ps. 104 vers 3—5).

Dat wordt een stuk van ons geloof. Met ons verstand kunnen we het niet verstaan, zoomin als we de wateren met onze vuist kunnen meten, van de hemelen met de span de maat kunnen nemen, met een drieling het stof der aarde kunnen omvatten, de bergen kunnen wegen in een waag of de heuvelen in een weegschaal. We hebben onze oogen omhoog te heffen en te zien, dat God alle dingen geschapen heeft, die God, Die daar zit boven het rond der aarde, wier inwoners zijn als sprinkhanen ; die God, Die de hemelen uitspant als een dunne doek en ze uitbreidt als eene tent om te bewonen ; die in getal hun heir voortbrengt en ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is. (Jes. 40).

Zoo gelooven we, dat de eeuwige God, de HEERE, is de Schepper van de einden der aarde, Die noch moede noch mat wordt.

Die heeft alle dingen door het Woord gemaakt en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is (Joh. 1:3).

Het is een stuk van ons christelijk geloof en we zeggen met den Hebreënbrief: Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzóo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden (11 : 13).

De Heilige Schrift verklaart dus den oorsprong aller dingen uit schepping. Zij stelt een daad Gods als het begin van onze geschiedenis en zij doet'het zóo eenvoudig, zóo schoon, zóo vol majesteit, dat de eerste bladzijden van onzen Bijbel nergens haar wedergade vindt en ook door natuurvorschers om strijd geprezen zijn. Die eerste bladzijden der Schrift hebben meer beteekenis dan folianten der natuurkundigen en filosofen.

De ware godsdienst onderscheidt zich van het eerste oogenblik af daardoor van alle andere godsdiensten, dat zij, naar luid van Gods Woord den oorsprong der dingen niet zoekt „in eeuwige stof, ook niet in gedachtelooze kracht van atomen of stofdeeltjes die door een samentreffen de grondslag zouden zijn geweest van aarde en hemel, van de diepte der zee, van zon en maan en en van alle rassen der levende wezens" zoo als Lucretius (Boek 5. vs. 416-431) dat beschrijft, maar dat God, de eeuwige God, de eenige en volstrekte oorzaak is van al wat bestaat. Geen stof die Hem bond, geen kracht die Hem beperkte. „Wie heeft" zoo roept Jesaja uit „den Geest des HEEREN bestierd en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen ? Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zoude geven en Hem zou leeren van het pad des rechts en Hem wetenschap zoude leeren en Hem zoude bekend maken den weg des veelvoudigen verstands ? (Jes. 40) Immers niemand ! Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid (Rom. fl vers 33).

Zoo komt de Schrift ons tegelijk plaatsen in die verhouding tot God, waarin wij behooren te staan ; waarvan artikel 12 van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis zegt : „wij gelooven, dat de Vacier door Zijn Woord, dat is door Zijnen Zoon, den hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen, wanneer het Hen heeft goedgedacht ; — aan een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante en onderscheidene ambten gevende, om zijnen Schepper te dienen."

In deze heeft ons Christelijk geloof zooveel vóór boven die velerlei stelsels van wijs geeren en natuurkundigen die met God geen rekening houden. Want die spreken ook van „eeuwig", maar dat woord hoort in het woordenboek der natuurwetenschap heelemaal niet thuis. Zij heeft alleen met het eindige en zienlijke en waarneembare te doen en is tot het betrekkelijke beperkt. En daarom gaat zij haar boekje te buiten als zij spreekt van eeuwige stof, eeuwige kracht, enz. Zij speelt dan met woorden. Het begrip stof of atoom sluit volstrekt niet in, dat het van nature en uit zichzelf eeuwig en onvernietigbaar is. En de natuurwetenschap schrijft aan de atomen allerlei eigenschappen toe, die in het begrip zelf niet liggen opgesloten. Het wordt tenslotte ook weer een „gelooven." Waarbij prof. Hartman in een artikel „Uit de Romeinsche literatuurgeschiedenis" (N.R. Cour. 9 Nov. '21, Avond blad B) in verband met de beschrijving van Lucretius hierboven aangehaald, zegt : „Dus wat er dan ten slotte is geschapen, deze onze wereld in één woord, ze is een bewonderenswaardig geheel, maar bewonderen mogen we het niet, want het is alles werk van toeval ; er is op een gegeven oogenblik een warreling en een aanraking en een samenvloeiing van stofdeeltjes gekomen en daaruit eindelijk (waarom zou ze niet ? ) deze wereld.

Stumper! zeg toch liever met den schrijver van Genesis : „in den beginne schiep God den hemel en de aarde." •—

Zoo wordt telkens weer eere gebracht aan den schrijver van de eerste bladzijden der Heilige Schrift, die door Gods Geest geleerd en geleid, daar geschreven heeft wat de eeuwen heeft kunnen verduren en wat gansch de Christelijke Kerk Zondag aan Zondag naspreekt in het eerste artikel van de Apostolische geloofsbelijdenis : „ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde."

(Wordt voortgezet).

Droeve cijfers.

Uit.de officiëele gegevens van Regeeringswege gepubliceerd blijkt, dat er een tweetal bronnen van inkomsten zijn voor de Overheid, die nog al van beteekenis zijn en die onleen blik doen slaan in ons volksleven. We bedoelen wat ons volk uitgeeft aan drank en wat het besteedt aan tabak.

En dan gaat in dezen tijd van malaise, werkeloosheid, stakingen en failissementen, voor ongeveer 300 millioen gulden aan drank door het keelgat; dat is voor ieder Nederlander, klein en groot, geheelonthouders en matigheidsmenschen meegerekend, ongeveer 30 gulden per hoofd, en dus voor een gezin van vader, moeder, en drie kinderen 150 gulden per jaar; en zoo gezin voor gezin door gansch Nederland berekend !

Volgens berekening van den accijns is in het vorig jaar niet minder dan 288 millioen 7.300 duizend gulden aan drank uitgegeven door ons volk.

Thans is reeds bekend, dat de eerste drie maanden van 1921 een vermeerdering van millioen 361.834 duizend gulden heeft opeleverd, en dat de maand September weer en verhooging van bijna 2 millioen aan acijns meer heeft opg66666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666uebracht dan de maand eptember van het vorige }aar, zoodat de erekening van 300 millioen niet te hoog is.

Volgens schatting van den Minister van financiën zal de tabaksbelasting een jaarijksche bate voor de schatkist afwerpen an 20 millioen. Stelt men de belasting op 5%, ('k weet het bedrag niet juist), dan volgt hieruit dat Neerland's mannen, vrouwen en kinderen, immers de vrouwen doen ook al aan 't rooken, want dat ligt in de emancipatielijn, terwijl kinderen van 12 jaar n jonger er een eer in stellen dat ze niet onder doen voor volwassenen, door met en cigaret in 't hoofd ter kerk en ter catechisatie te komen — jaarlijks ongeveer 100 millioen gulden in de lucht blazen.

Dit, vermeerderd met de 300 millioen aan geestrijk vocht, maakt ongeveer een bedrag uit van 400 millioen, die enkel aan genotf verderfmiddelen wordt geofferd.

't Zijn duizelingwekkende sommen, zoo zegt "D e W a c h t e r", waaraan we een en ander ontleenen, waar niemand eigenlijk iets aan heeft dan de Minister van Financiën, en die voor de betalers er van in veel gevallen lichamelijke en geestelijke ellende meebrengen.

As we hiertegenover nu eens stellen het bedrag, dat jaarlijks opgebracht wordt .voor Kerk, armen, zending, het werk der barmhartigheid, scholen, enz., hoe zinkt het bedrag daarvoor in het niet bij bovengenoemde getallen.

Wat een gebedel is er in veel gevallen noodig om het hoogst noodige bijeen te krijgen.

Nu brengen de geloovige belijders des Heeren niet het meest bij aan den drankaccijns. Doch het rooken is schier algemeen onder de Gereformeerden, waarbij er zelfs zijn, die geen kerkgang kunnen doen zonder een sigaar, en zelfs niet zoo lang kunnen wachten, tot ze het huis des gebeds hebben verlaten, voor ze den brand steken in pijp of sigaar.

Nu zijn er ± 600 duizend Gereformeerden in den lande, dat is 't tiende deel van Neerland's bevolking, zoo schrijft „De Wachter" verder, het oog hebbende alleen op „de Geref. Kerken."

En vervolgt dan :

„Volgens een eenvoudige berekening zullen de leden van de Gereformeerde Kerken alleen voor tabaksbelasting 2 millioen gulden jaarlijks moeten inbrengen, zegge twee millioen guldens.

Van den drankaccijns spreken we maar niet, om de beschuldiging te voorkomen, dat we van de Gereformeerden kwaad zouden spreken, als we ze ook bij deze belasting betrokken.

Denkt nu eens in, hoeveel voor een bedrag van 2 millioen guldens zou kunnen gedaan worden voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk ?

Om één zaak te noemen. De Gereformeerde Kerken hebben ongeveer 550 Dienaren des Woords. Alleen van de tabaksbelasting, die voor haar rekening komt, konden al de Gereformeerde predikanten een tractement ontvangen van 3600 — zes en dertig honderd guldens 's jaars.

En wat een getob vaak om een behoorlijk honorarium bijeen te krijgen voor een te beroepen Dienaar des Woords ; met een gejammer bijwijlen over de zoo drukkende las ten, waaronder de Kerken gebogen gaan.

Vergeet daarom niet, mannen, jongelingen en kinderen, die aan rooksport doet, dat ge jaarlijks meer in de lucht blaast, dan aan offers van u gevraagd wordt voor den kerkedienst.

Menigeen, dit lezende, slaat zeker de handen van verbazing ineen, zeggende : „Dit had ik niet kunnen denken !"

'k Geloof het .best. Hierom is het goed, zulke dingen eens onder het oog te brengen. Onkunde doet dwalen. En ieder, die in dit opzicht aan onkunde een eind maakt, doet een goed werk.

Indien we ons niet vergissen, zal, wanneer straks de tabaksbelasting in werking is, in weerwil van de 2 millioen, die de Gereformeerde menschen moeten bijeenbrengen, door hen niet minder gerookt worden dan voorheen.

Een ieder zij in deze in zijn gemoed overtuigd, 't Is o.i., een matig gebruik er van makende, een geoorloofd genotmiddel.

Doch - -wordt deze zaak niet een aanklacht tegen Neerland's Christenen als men voor genotmiddelen, die in elk geval slechts weinig nut doen, schier alles over heeft, terwijl men voor de geestelijke dingen, die de eere Gods en het heil der ziel gelden van onszelf en van onze medereizigers naar de eeuwigheid, zoo weinig over heeft, den schijn gevende, dat het offeren voor allerlei Christelijke doeleinden eer een last dan een lust is ?

„Er wordt zooveel gevraagd", hoort men telkens. 't Kan niet ontkend worden, is het echter niet een voorrecht, dat God, Die geen mensch noodig heeft, nochtans ons wil gebruiken om, als goede rentmeesters van het Zijne, te mogen meewerken aan de komst van Zijn Rijk, aan de afbreuk van Satans rijk ?

En als men dan ziet welke middelen alzoo in 't werk moeten worden gesteld, om geld te krijgen voor 't een en ander in de Gemeente, dan kan het, wee worden om het hart als men zoo zelden van b 1 ij m o e d i g geven verneemt, terwijl men voor eigen genot V r ij w i l l i g schatten uitgeeft.

Moge dit getallen-praatje een luisterend oor vinden en door velen de overdenking waard worden geacht. Dan zal, met den zegen Gods, 't nog een goede uitwerking kunnen hebben. Is er behoefte, schreeuwende behoefte aan geld voor allerlei arbeid in Gods Koninkrijk, bedenken we, voor we meenen niet meer te kunnen, of er niet iets bezuinigd kan worden op de rooksport b.v. — en we houden ons verzekerd, dat er veel eer kan worden gedaan dan tot hiertoe het geval is."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's