Stichtelijke overdenking.
.......en de vrijmoedige geest ondersteune mij. Zoo zal ik den overtreders Uwe wegen leeren, en de zondaars zullen zich tot U bekeeren." Ps. 51 : 14b en 15.
DE VRIJMOEDIGE GEEST. *)
Een prediker van het Evangelie komt met vele menschen in aanraking. En onder hen is voorzeker groote verscheidenheid. Al is het waar dat er slechts één Evangelie der genade is, dat aan alle menschen gebracht moet, het maakt toch verschil of men tot kinderen spreekt of tot volwassenen. Op de catechisatie wordt het Evangelie op eene andere wijze naar voren gebracht dan van den kansel. Wanneer de leeraar aan het ziekbed slaat doet hij andere klanken hooren dan wanneer hij een huwelijksbevesttging leidt. Er zijn menschen die geheel onkundig zijn in de eerste beginselen van de leer der zaligheid terwijl andere doorkneed zijn in de kennis der Waarheid. Zoowel aan den een als aan den ander moet het Woord Gods gebracht, en wel in dien vorm dat het voor den een bevattelijk is en voor den ander heilzaam. Acht de taak van den prediker hierin niet gering. Toen Paulus te Athene op den Areopagus stond had hij een geheel ander publiek voor zich dan toen hij de Joden ontving in zijne eigene gehuurde woning te Rome. In zijn spreken heeft hij wel degelijk hiermede rekening gehouden. En toch, de prediker heeft nooit te vergeten dat hij altijd met „overtreders" te doen heeft. Waar hij ook optreedt, in welken kring hij verkeert, overal en van alle menschen geldt het Woord : „er is niemand rechtvaardig, ook niet één ; allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden". De prediker komt altijd in aanraking met menschen die wederom geboren moeten worden om in te gaan in het Koninkrijk Gods ; menschen, die in zichzelf verloren zijn ; menschen die om hun zonde Gods gramschap waardig zijn ; menschen die een eeuwig verderf tegemoet gaan als Christus hun Zaligmaker niet is. „Ik zal den overtreders Uwe wegen leeren", zegt de psalmist. En hierin ligt de blijvende taak van allen, die het Evangelie der genade hebben te verkondigen.
Maar hoe staat het dan met hen die reeds wandelen mogen op den weg des levens ? De prediker van het Evangelie is toch de tolk van God om de woorden des levens te spreken tot de Gemeente van Jezus Christus ? O zeker, laat ons deze zaak niet klein achten. God stelle ook mij in uw midden daartoe tot veel zegen. Mijn roeping is niet slechts om de onbekeerden tot Christus te noodigen, maar niet minder om de geloovigen middellijkerwijs op te bouwen in de kennis des Heeren. Zij, die iets van dezen nauwen weg des levens kennen, weten hoe noodig dit is. De strikken die satan hun legt, - zijn toch zoo gevaarlijk. De zonde die in hun hart blijft wonen kan hen toch in zulk een droeven, donkeren zieletoestand brengen. En als Gods volk verslapt in het Seloof en traag is in 't benaarstigen, wordt üe Naam Gods daardoor onteerd. En als Gods volk ophoudt als een arm ellendig volk op de genade des Heeren te hopen, dan is liet den .naam van Gods volk niet waardig. Maar zie, daarom heeft de prediker ten opzichte van de Gemeente van Jezus Christus niets anders te doen dan altijd maar weer aan de overtreders Gods wegen te leeren. En wie is er die zich boven dezen naam, overtreder, mag verheffen ? Paulus durft 't niet te doen hoewel hij vér gevorderd was in de kennis der genade. „Ik weet, dat in mij geen goed woont", zegt hij. En daarmede schaaft hij zich altijd weer aan de zijde der overtreders. Hoe - ook bezien, hoe ook gewenteld, als de prediker maar voort mag gaan, om uit Gods Woord, den overtreders Gods wegen te leeren, dan is zijn taak daarin rijk en veelomvattend. Dan heeft hij ook aan Gods volk veel te zeggen. Dan zal hij ook de zoekende zielen daardoor kunnen leiden, den vermoeiden kracht geven en sterkte vermenigvuldigen dengenen die geen sterkte hebben. Drt is ook mijn taak. Geve de Heere mij daartoe veel licht en den vrijmoedigen geest om uit te deelen uit den schat van 's Heeren Woord.
Tenslotte zouden wij spreken over den zegen, die verwacht mag worden. „En de zondaars zullen zich tot U bekeeren", zoo lezen wij in onzen tekst. Hiervan is de psalmist overtuigd. Uit eigen ervaring weet hij wat God machtig is te doen. God kan groote daden doen door kleine middelen. Gods' daden zijn altijd groot. En die groote werken Gods verwacht de psalmist dan ook als hij tot den Heere opziet. Hij zegt het biddende. Hij verkeert nog in dezelfde gebedsgestalte als toen hij om genade voor zichzelf smeekte. Ook voor anderen vraagt hij nu genade. Maar het is alsof hij tegelijkertijd zegt : „het zal waar en zeker zijn." De Heere zal Zijn zegen niet onthouden. „De zondaars zullen zich tot U bekeeren."
Hierin ligt nu zooveel bemoediging voor de predikers van het Evangelie. Niet altijd zal het een ploegen zijn op rotsen. Niet altijd zal het zaad toij den weg vallen. Het Woord Gods zal zijn als de regen en de sneeuw, die niet nutteloos van den hemel nederdaalt. Het zal niet ledig tot Hem wederkeeren, het zal naar het welbehagen Gods werken en voorspoedig zijn.
O zeker, wij stemmen u toe dat de zegen dien de Heere op de prediking geeft, niet altijd gezien wordt. De Heere zag er wel eens zevenduizend die de knie voor Baal niet bogen, al meende Elia dat slechts hij alleen was overgebleven. Er is zooveel verborgen werk Gods, dat ook lang verborgen blijft. Er is wel eens een werk Gods in het hart van een mensch, terwijl die mensch zelf er geen vermoeden van heeft dat er door Gods Geest aan zijn ziel gearbeid wordt. Ja, het voornaamste werk is het verborgen werk. Uit den in de aarde verborgen wortel leeft de plant en bekoort met haar schoone bloem ons oog. De Heere spreekt in de gelijkenis van den zaaier van iemand die geen wortel in zichzelf heeft en doelt op menschen die 't verborgen leven met God niet kennen. De bekeering heeft een zijde, waarvan de menschen niets zien. Het is de zegen op de prediking des Woords waarvan de predikers niets bemerken. De gebedsgemeenschap met den Heere. Wij, predikers, begeeren wel eens vruchten op onzen arbeid te zien. Het kan tot groote bemoediging zijn. Maar laat ons nooit vergeten dat de Heere het voornaamste voor Zichzelf bewaart. Van een Bethel en een Pniël kan later wel gesproken worden, maar het eigenli}ke, de zaak zelf, heeft tusschen God en de ziel plaats.
in ieder geval, de Heere zegt dat de verkondiging van het Evangelie niet tevergeefs zal zijn. Zondaars zullen zich tot Hem bekeeren.
Nu moeten wij altijd dit bedenken, dat de prediking van het Evangelie der genade ook waarde heeft voor dit leven, ook al bekeert zich niemand tot den Heere. Zij houdt vaak de uitbarsting van de ongerechtigheid tegen, en legt beslag op de gedachten en de raadslagen der menschen. De bekeering van zondaars is wel de voornaamste zegen maar dat zelfde Evangelie des Kruises maakt dat er tot op zekere hoogte eene christelijke maatschappij is, waarin zij die den Heere vreezen 'n gerust en stil leven kunnen leiden. Dit is toch ook een gave Gods die niet gering te achten is. Ik zou het reeds een voorrecht achten als God mijn prediking, mijn arbeid in uw midden daartoe wilde gebruiken, opdat het openbare kwaad in zijn loop belemmerd werd, de jonge menschen onder beslag der Waarheid kwamen en verstaan werd dat Gods Woord voor elk terrein van dit leven iets te zeggen heeft, opdat ook de Zondagsrust toename en meer en meer de dag des Heeren geëerbiedigd werd.
Maar onze tekst wijst naar het hoogste. Daarom gaat het tenslotte. De prediking doelt op de redding, op het behoud uwer onsterfelijke zielen. Niet slechts op volle kerken en gevulde catechisatielokalen, op uitwendige belangstelling in de bediening van het Woord. Deze dingen zijn slechts middelen. Het doel is dat God geëerd wordt in de redding en de zaligheid uwer zielen.
De bekeering. Een weldaad Gods, die Hij verbindt aan de eenvoudige verkondiging van Zijne wegen. Toen Paulus het Woord verkondigde, opende de Heere het hart van Lydia, zoodat deze acht gaf op hetgeen gesproken werd. Toen ging er van den Heere scheppende kracht uit. Toen wekte Hij een mensch op uit den dood. Paulus zal zonder schoonheid van woorden helder en klaar de wegen Gods verkondigd hebben, zoodat een ieder goed verstaan kon wat er tot zaligheid gekend moet wojden. , Des menschen verlorenheid, het recht van God, maar ook Diens oneindige liefde in Christus. Hierover zal de apostel wel gehandeld hebben. En terwijl allen hiervan hoorden, behaagde het den Heere een zondares te redden van het verderf, en te leiden in Zijn weg. Een wonder Gods.
„De zondaars zullen zich tot U bekeeren." Zij zullen andere menschen worden. Zij zullen uit den dood in het leven worden overgezet. Zij zullen een hartelijk leedwezen heb ben over hunne zonde ; maar ook een hartelijke vreugde in God door Christus ; zij zullen niet alleen de zonde haten, maar ook een vreugde hebben in de Wet Gods naar den inwendigen mensch.
De psalmist zegt dit tot God. Biddende, smeekende, in de wetenschap dat het zoo zijn zal.
Het ware te wenschen dat ook wij dit alzoo tot God zeggen mochten. „De zondaars zullen zich tot U bekeeren." Het zij de bede van ons hart, opdat wij, sprekende tot u van de wegen Gods, tegelijkertijd tot God spreken. Dat kan zeer goed tezamen gaan. En als dit zoo is, dan gaat het eerst goed. Welk een voorrecht zou het zijn als de Heere ook daartoe mijne prediking gebruiken wilde. Denk nu niet aan een ander, maar in de eerste plaats aan uzelf, en aan wat het zeggen wil als gij voor het eerst uw zonde leerdet beweenen, maar ook naar den Heere Jezus als uw Verlosser gingt vragen, om op te zien naar Zijne grootheid, Zijn heil, Zijn vrede. Als gij dan maar Christus mocht kennen als uw Zaligmaker, wat zoudt gij rijk zijn. Gij zoudt er alles wel voor over hebben I En dit is nu het wonderlijke van Gods liefde, dat Hij den vrede en de vergeving der zonde om niet schenkt, uit enkel genade — Als gij dan maar een dorpelwachter mocht zijn in het huis des Heeren, gij zoudt aan anderen wel gaarne willen overlaten het wonen in de tenten der goddeloosheid ! Als gij maar een kruimken ontvangen mocht van de overvloedige tafel van de genade van Christus !
Het zou reeds een rijke zegen zijn als mijne prediking dergelijke begeerten in uw hart zou opwekken, zoodat er een dorst in u was naar de wateren des levens. Maar de zegen is nog zooveel grooter, als dorstigen drinken mochten uit de bron des levens, als hongerigen gespijzigd werden, als een arm volk zich rijk wist in zijn Heiland.
God wordt toch het meest verheerlijkt in 't welwezen des geloofs. Dat zijn de rijkste vruchten die daar groeien op den akker der genade, als er een jubelend volk mag zijn, opspringende van vreugde in den Heere. Daarin wordt de Vader 't meest verheerlijkt als Zijne kinderen niet slechts met woorden er van spreken, maar ook met hun leven het bewijzen dat de Heere hun rots, hun deel en hun eeuwig goed is.
Welk een zegen zou dat zijn op de prediking des Evangelies. Dan was het Evangelie een blijde boodschap. Dat mijne prediking aldus door velen ontvangen worde !
Het Woord van God werd dan eeuwige heerlijke werkelijkheid. De leer der zaligheid een groeiend leven tot eer van God en tot roem van al Zijn deugden.
Is het niet te veel gevraagd, als God daar toe onze ptediking gebruiken wil ? Neen. Het worde biddend van Hem verwacht, Die alleen wonderen kan doen. Het worde biddend uitgesproken : „De zondaars zullen zich tot U bekeeren."
Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom, * Uit Uw verheven heiligdom, Aanbidd'lijk Opperwezen ! 't Is Isrels God, die krachten geeft Van Wien het volk zijn sterkte heeft Looft God ; elk moet Hem vreezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's