Feuilleton
Van 's levenspad
door COR.
Nog tot arbeid geroepen.
Nog maar pas genezen van een zware operatie, mocht Clara voor het eerst een wandeling maken. Zij had niet kunnen en durven denken, dat zij weer zóó ver zou komen, daar zij dagen lang tusschen leven en dood had gezweefd. De dood was zeer dicht nabij geweest en toch kende zij geen vrees in het uur van levensgevaar, zich het eigendom wetende van Koning Jezus. Hem behoorde zij toe in leven en sterven, drt had zij in de (bangste oogenblikken bij vernieuwing mogen ervaren, want Hij was aan haar zijde, Hij schonk haar kracht, op Hem had zij mogen blikken als haar Levensvorst, Die voor haar den dood had overwonnen en aan haar Zijn woord weer had vervuld : „Ik zal u niet toegeven of verlaten."
Nu was zij weer opgericht, had zij weer nieuwe kracht ontvangen en mocht voor 't eerst weer eens gaan wandelen.
Al wandelende overdacht zij alles wat gebeurd was, doorleefde zij opnieuw de blijde oogenblikken, welke haar in de ure des gevaars niet voor den dood deden vreezen en met een hart vol dank sloeg zij het oog naar den diepblauwen hemel, wijl het van hare lippen klonk : „Ach, Heere, wat zijt Gij goed voor mij geweest, Gij hebt mij Vaderlijk gekastijd, maar U nochtans zoo teeder over mij ontfermd."
Opnieuw stond thans het leven voor haar en met een lichte zucht dacht zij aan de toekomst, want zij gevoelde zichzelf zoo onnut, terwijl zij zoo gaarne de haar opnieuw geschonken krachten wilde besteden in 's Heeren dienst. Alhoewel zij echter meende nergens toe bekwaam te zijn, had de Heere toch voor haar nog werk, waar zij heel spoedig mee mocht beginnen. Zij bemerkte namelijk dat in den tijd van haar ziekte een dicht bij de hare gelegen woning door nieuwe menschen was betrokken en. dat naast die woning nu een ziekentent stond, waarin een ongeveer 16-jarige jongen lag, die door een hevige longziekte was aangetast. Een reden om kennis te maken met de nieuwe buren was spoedig gevonden èn die kennismaking stelde haar niet teleur, daar ook zij vreemdelingen'waren op 's levenspad, zoekend naar het betere Vaderland. Bijna dagelijks richtte zij nu hare schreden naar haar nieuwe buren, waar zij altijd welkom was en, zooals te begrijpen is, vergat zij nooit even de tent in te wippen, om te kijken hoe de zieke het maakte. Eerst was dit maar heel eventjes, want de zieke sprak nooit veel en alles wat Clara probeerde om hem aan het praten te krijgen, scheen vruchteloos. Nadat zij hem echter herhaalde malen had bezocht, kwam er een dag, waar in hij aan het spreken ging en zijn hart voor haar ontsloot. Met ontroering luisterde Clara toen de zieke haar de oorzaak van zijn zwijgen mededeelde, haar sprak van zijn vrees, welke hem altijd weerhield te spreken Meer en meer, vertelde hij haar, zag hij den dood naderbij komen, meer en meer voelde hij zijn krachten afnemen terwijl hij nog niet bereid was om te sterven. Hij was opgevoed in de vreeze des Heeren, altoos was de weg des behouds hem voorgehouden, welken hij reeds lang had gezocht, maar het scheen hem toe alsof zijn gebed vruchteloos was, alsof hij steeds verder van dien weg afdwaalde, dien nimmer zou betreden. Daarom vreesde hij nimmer in waarheid te zoeken, nooit in oprechtheid te vragen dien weg Ie mogen gaan, niet te verlangen bij den Heere te zijn, doch slechts den hemel in te willen gaan om van'de straf der zonde bevrijd te worden en daarom ook durfde hij nooit spreken, denkende, dat dan straks al zijne woorden nog tegen hem zouden getuigen. Nu vermenigvuldigde Clara hare bezoeken, als zij maar een oogenblikje had, spoedde zij zich naar de tent, waar zij met den zieke worstelde en bad, geloovende dat de Heere op Zijn tijd het licht in de ziel zou doen verrijzen.,
Meer en meer werden zijne krachten gesloopt, het was duidelijk, dat dit jonge leven weldra door den dood afgemaaid zou worden.
Met diepe droefheid vervuld, stonden zijne ouders menigmaal aan zijn bed, verlangend met zekerheid te mogen weten waar hun kind heen ging, hem aan den dood te kunnen overgeven, wetend, dat hij zou leven, eeuwig leven.
Op zekeren morgen werd Clara geroepen en zich er heen spoedend, vond zij hem stervende. Het angstzweet stond op zijn gelaat en toen hij Clara zag, uitte hij den hangen kreet : „Ach, bid voor mij." Clara zonk voor het ledikant op hare knieën, zij .bad en haar gebed was een roepen dat opklom tot voor den Heere ; met kinderlijk vertrouwen smeekte zij den Heere dit jonge leven zoo niet af te snijden, hem den dood niet te laten ingaan, zonder hem te openbaren dat zijne ziel in Christus Jezus was geborgen, dat Die zijn Borg en Middelaar was, zijn Voorspraak als hij den Heere zou ontmoeten. Zij geloofde en gevoelde dat haar gebed opsteeg tot voor 's Heeren troon, waar het verhooring vond en zij werd niet beschaamd. Nauwelijks had zij het ; , amen" uitgesproken, of een glans van blijdschap en vreugde verspreidde zich over zijn gelaat. „Thans weet en vertrouw en geloof ik', sprak hij, „dat al de beloften, welke de Heere in Christus Jezus heeft geschonken, ja en amen zijn ; ja, nu geloof ik, dat Hij het ook voor mij heeft volbracht, in Hem, dien dierbaren Borg en Middelaar, vind ik vrede en rust. Nu kan ik sterven, in Zijne handen beveel ik mijnen geest, want ik weet dat Hij, mijn Heiland, mijn Koning, mij heeft verlost " Nog enkele malen werden zijne van koortshitte gloeiende lippen bevochtigd, nog enkele oogenblikken van doodsstrijd en hij was niet meer. Clara sloot hem de oogen en onderwijl jubelde het in haar ziel : „Gij zijt verlost. God heeft u welgedaan !"
Vol droefheid stonden zijne ouders aan zijn sterfbed, het viel hun zoo zwaar hun kind zoo jong reeds te moeten missen, maar toch was hun droefheid met vreugde vermengd, want immers hun kind was niet ge storven, maar leefde, leefde in alle eeuwigheid.
Sinds haar jonge vriend heenging heeft Clara heimwee hem te mogen volgen, is haar verlangen somtijds zoo groot ook te mogen heengaan, maar wanneer zij dan weer terug denkt aan wat zij voor hem mocht zijn, wordt zij weer gewillig over 's levenspad te gaan zoolang de Heere het wil. Dan denkt zij terug aan den tijd waarin zij pas van de operatie was genezen en meende dat haar leven onnut was, terwijl de Heere betoonde nog werk voor haar te hebben en dat doet haar dan weer voortgaan over 's levenspad, niet klagende dat zij onnut is, maar uitziende of er wellicht voor haar nog wat te doen is, wat strekt tot eer van Hem, Die op Zijn tijd haar zal verwaardigen haar Schepper te aanschouwen eeuwig en altoos.
Kent gij den bangen strijd waarin die zieke knaap zoo lang nederlag ? Gij behoeft niet op 'n ziekbed te 2ijn geworpen om dien te strijden, want ook in gezonde dagen kan de vrees voor zelfbedrog u onophoudelijk neerdrukken. Achtervolgd te worden door de gedachte, dat gij moet en niet kunt sterven, dat de dood uw leven zal afsnijden, zonder dat gij den Heere kunt ontmoeten, is zoo'n benauwd leven, en toch, toch is het zoo'n heerlijk leven, want dat is het bewijs, dat de Heere uw ogen heeft geopend, u deed zien, dat gij zonder Hem niet kunt leven en sterven en wat Hij begint, zal Hij gewis voleinden. Wanneer hij u aan uzelf ontdekt, zoodat gij Hem noodig hebt, en, dat gevoelende. Hem 'gedurig mist, - o dan zult gij Hem ook zeker vinden, dan zal Hij u niet vergeefs laten vragen en zoeken. Gij vreest dag aan. dag om te komen, gij denkt Hem nimmer te zullen vinden, maar zeker zal de tijd komen, waarin Hij 'tot uwe ziel komt spreken van Zijne liefde voor een zondig schepsel. Als gij denkt om te komen, zal uw oog worden geopend, om te zien op Christus Jezus Die Zichzelf gaf om ook uw schuld te betalen, uw straf te dragen, opdat gij weer vóór den Heere kunt bestaan. Al is het in uw stervensuur, al is het, dat de dood zijn hand reeds naar u uitstrekt, zekerlijk zult gij ervaren dat wie in waarheid naar den. Heere vragen, nimmer beschaamd uitkomen, dat ookgij moogt sterven, blikkende op Christus Jezus als Uw Borg en Middelaar, ervarende dat in Hem alle beloften des Heeren ja en amen zijn.
Gaat gij over 's levenspad vervuld met een heimwee naar het oogenblik dat gij bij den Heere, uw God en Koning moogt zijn, om Hem groot te maken, dat Hij u in Christus Jezus van 't verderf heeft gered, terwijl gij meent onnut te zijn ? O, zie dan rondom u, zoovelen die uw Koning nog missen, die uw Borg en Middelaar nog niet kennen, hebben een woord van troost en bemoediging noodig als hun strijd zoo zwaar, hun twijfel zoo groot is. Hen wijzen op de onveranderlijke trouw, op de nimmer vergaande liefde van uw Goël en Verlosser is uw werk. Neen gij zijt niet onnut al meent gij dit vaak, een heerlijk werk moogt gij doen, wanneer de Heere u wil verwaardigen uw bede op te zenden voor een door onweder voortgedrevene, ervarende dat Hij u hoort en verhoort.
Maar zijt gij in dit alles vreemd, kunt gij uw genot nog vinden in 's werelds dienst, gaat gij over 's levenspad, niet bedenkende dat gij eenmaal moet sterven om dan den Heere te ontmoeten, ach, bedenk dan toch dat het zoo vreeselijk is voor den Heere te verschijnen zonder Christus Jezus als uw Borg en Middelaar. Nu moogt gij nog tot Hem vluchten, kunt gij in Hem nog uw behoud zoeken, maar straks is het te laat. Nu zijt gij nog in 't heden der genade, ach, laat dan toch de wereld varen, want die is zoo arm, die geeft u nimmer waren vrede ol vreugd. Slechts wanneer uw ziel is geborgen in Christus Jezus wordt u de vreugde en vrede geschonken, welke nimmermeer vergaat. Laat de wereld dan heden nog los, vlucht heden nog tot Koning Jezus, want wellicht moet gij morgen sterven en dan is het zonder Hem voor eeuwig te iaat, dan wacht' u slechts het eeuwig verderf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's