Uit het kerkelijk leven.
De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.
VI.
Over Gods bestaan redeneert de Schrift niet. Hij is er. Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid en alles bestaat door Hem., De heidenen hebben daar ook een flauw besef van, wat uitkomt in hun scheppings mythen. Vervreemd van den eenen, waren God en wandelend in hun eigen wegen, zagen ze de wonderen der natuur. Ze waren getuigen van de wisseling van dag en nacht, van zomer en winter, van regen en zonneschijn. Ze bemerkten, dat de grootste boomen ontstonden uit kleine .zaadjes, de grootste rivieren uit kleine beekjes, de schoonste bloemen en heerlijkste vruchten uit kleine groene knopjes. Dat alles maakte indruk op hen en zij, die ook afstamden van Adam en ook waren voortgekomen uit Noach's huis, maar van den waren God hoe langs hoemeer vervreemd, droegen het besef in zich rond, dat er was een groote geest, die achter al dat zichtbare en tastbare stond en zij spraken ook van een hooger Wezen, dat dit alles geschapen had en telkens ingreep, om 't geschapene te sturen in een zekere richting en 't te doen beantwoorden aan een bepaald doel.
Bij de Romeinen leefde dan ook van ouds de voorstelling, welke als mythe of fabel van geslacht tot geslacht werd verhaald en bewaard, dat in den beginne alles in een grootè, ongeordende massa ter neder lag. Ovidius zegt dat zóó : •
Vóórdat er waren zee en land en hemel, Bood de natuur van gansch de wereld ons een beeld van ordelooze, ruwe, vormlooze materie. Die met den naam van chaos werd bedeeld. Waarin de kiemen van toekomstig leven Nog ongeordend, opgestapeld bleven.
De aarde bestond nog niet. Land, zee en lucht vormden één geheel, zoodat de aarde niet vast, de zee niet vloeibaar, de lucht niet doorschijnend was.
Ovidius, de Romeinsche dichter der oudheid zong daar verder van : „Geen zon nog zond omlaag haar koesterende stralen. Geen maan hernieuwde nog haar hoornen telken male. Op d'aether nog geen aarde in evenwicht gekomen. Geen zee nog deed haar vocht omarmend 't land omstroomen. Half zee, half lucht was d' aarde, een onvoltooide hoop. Er was geen vaste gerond; gestremd was 's waters loop. De lucht was leeg en zwart. Niets was gevormd of klaar, D' atomen vlogen voort in botsing met elkaar. Waar koude en hitte, vocht en droogte zich verdrongen. Waar zwaar en licht en hard en zacht elkaar bedwongen.
Bij die ordelooze, vormlooze, ruwe materie met vliegende atomen, kwam de gedachte aan een onbekenden, vórmloozen God. Men wist niets van hem, want er was geen licht, alles was duister. Men noemde dat onbekende wezen Chaos, en men geloofde — spinsel van 's menschen gedachten — dat de mannelijke god Chaos zijn troon deelde met eene vrouwelijke god, die men de zwar te godin noemde : Nyx of Nox. Deze twee godheden, die niet in staat waren de heerschende duisternis te verbreken en om te zetten in licht, kregen een zoon Erebus (Duisternis) geheeten. Zijn eerste werk was Chaos, zijn vader van den troon te stooten, daarna huwde hij met zijn moeder Nyx. Samen heerschten zij over de chaotische wereld, totdat hun beide prachtige kinderen Aether (het Licht) en Hêmera (de Dag) hen gezamenlijk van den troon stieten en zich van de opperheerschappij meester maak ten. Aether en Hêmera beschouwden met zorg de verwarring, zagen, hoe onnoemelijk veel er uit kon worden gemaakt en besloten den Chaos tot een prachtwetk te vervormen. Maar volkomen doordrongen van den omvang van zulk een onderneming, en beseffen de dat daar eenige bijstand bij noodzakelijk was, riepen zij de hulp in van hun eigen kind, dat den naam van Eros (Amor of de Liefde) droeg. Door de vereende krachten van Vader, Moeder en Kind werden de zee en de aarde gemaakt.
In den beginne bood de aarde — zoo gaat de Romeinsche mythe voort — niet zulk een fraai schouwspel aan, als zij nu vertoont. Geen boomen bewogen hun met bladeren getooide takken op de hellingen der •heuvels ; geen bloemen tooiden de valleien ; •de weiden waren niet met gras begroeid ; geen vogels doorkliefden de lucht. Alles was stil, kaal, bewegingloos.
Eros, het godenkind dat de Liefde heette, kreeg 't eerst besef van die onvolkomenheid en hij nam zijn levenwekkende pijlen en doorboorde dcfarmede den kouden boezem der aarde.
Onmiddellijk, als bij tooverslag, was de donkere oppervlakte bedekt met schitterend groen ; vogels van allerlei kleur fladderden door het gebladerte van de Juist geschapen boonien van 't woud ; dieren van allerlei soort huppelden voort over de met gras bedekte weiden en vlug voortschietende visscheh zwommen in heldere stroomen. Overal heerschte leven, vreugde en beweging.
Men voelt hoe deze voorstellingen in de verte gelijkenis hebben met de waarheid ons door God in Zijn Woord geopenbaard en ook aan de menschen in den beginne bekend gemaakt, terwijl dan tegelijk hier zulke naïeve, dwaze ideeën zijn tusschen gekomen, vrucht van een verdwaasd en blind hart, dat van God en Zijn Waarheid vervreemd is.
Neem b.v. de voorstelling aangaande de geboorte van het godenkind Eros of de Liefde.
Aristophanes zingt hieromtrent :
, , In de verwarde massa had, vol zorgen. De oude Erebus in 't verborgen Een geheimzinnig ei gelegd. Een ei, dat in stilte en in duisteren nacht, Werd uitgebroed en tot leven gebracht, Totdat ook dit werk een einde nam En de lieflijke Eros te voorschijn kwam.
Daar is dus de voorstelling, dat de eerste goden Erebus en Nyx een reusachtig ei voortbrachten, waaruit Eros, de god der liefde, ontsproot, om de aarde te scheppen. Die aarde (Gaea), uit haar ongevoeligheid opgewekt door de liefde-pijlen van Eros, bewonderde alles, wat reeds tot haar verfraaiing was geschied en met het doel het zoo goed begonnen werk te bekronen en te voltooien, schiep Uranus (den Hemel).
„Den sterrenhemel baarde als eerstgeboorne De aarde, in grootte aan haar gelijk. Opdat hij haar beschermend kon omgeven, Aan alle zijden".
Zoo zong Hesiodus.
De ouden stelden zich de aldus ontstane aarde voor als een schijf, in plaats van als een bol, zooals de wetenschap heeft geleerd dat zij is. De Grieken dachten dat hun land precies in het midden van de platte aarde lag en juist in het middenpunt meenden zij dat een zeer hooge berg lag, de Olympus geheeten, waar, volgens de fabelleer hunne goden verblijf hielden, welke goden zij zich voorstelden als leidende een leven, ingericht naar het model van der men schen leven op aarde, vol pleizier en vol teleurstelling, vol liefde en vol vijandschap.
Zij meenden dat de platte schijf der aarde juist in twee deelen gedeeld was door de zee (overeenkomende zoowat met onze Middellandsche en Zwarte Zee) terwijl rondom de schijf der aarde een rivier liep in een onveranderlijken, gelijkmatigen loop, terwijl ze onderstelden, dat daaruit de zee en alle rivieren hare wateren putten. Die rivier heette Oceanus. Eros, de god der Liefde, kwam ten tijde van de schepping, tot de overtuiging, nadat hij de pasgeboren aarde met 'n weelderigen plantengroei had bedekt en haar had bevolkt met levende wezens van allerlei soort, dat het noodzakelijk was, ook een Hooger wezen hier beneden te schep pen en met vele gaven toe te rusten, opdat deze over alle andere schepselen zou kunnen heerschen.
Intusschen hadden andere goden aan de andere schepselen zoo roekeloos veel gegeven, dat er eigenlijk niets was overgebleven om aan den te scheppen mensch te geven. Alles was opgebruikt en er was niets meer in voorraad om daar den mensch mee te begiftigen. Toch begonnen ze maar vast Ie scheppen, hoewel zij niet het flauwste denkbeeld hadden hoe zij dat werk zouden kunnen afmaken.
Horatius zégt daarvan :
„Prometheus koos de deeltjes leem En vormde daaruit d' eerste menschen."
Eerst kneedden zij een beeld, dat in vorm met de goden overeen kwam. Daarna verzochten zij Eros, in de neusgaten den adem des levens te blazen en Minerva (Pallas) om het met een ziel te begiftigen ; zoo kwam er leven in den mensch, bewoog hij zich en overzag hij zijn nieuw gebied.
Prometheus, trotsch op zijn werk, aanschouwde den mensch en verlangde er naar, hem een groote macht te schenken, waardoor hij zich ver zou verheffen boven alle andere levende wezens en meer zou naderen tot de volmaaktheid der onsterfelijke goden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's