Staat en Maatschappij.
Juister voorlichting gevraagd.
De Nederlander heeft in het Zaterdagavondnummer. onze rubriek van „Staat en Maatschappij" de eer aangedaan, door in een hoofdartikel : „Groote E of kleine e ? " kennis te nemen van hetgeen wij in ons nummer van Vrijdag t.v. schreven over : „Een confessioneele klacht."
Vlugger en correcter bediening was haast niet mogelijk.
Dat wij ons, na de ervaring van de laatste maanden, over deze belangstelling verheugen, zal voor onze lezers begrijpelijk zijn.
Toen toch eenigen tijd geleden in ons blad enkele beschouwingen werden gewijd aan het „Gezantschap bij den Paus" en de „Processies" en wij bij deze gelegenheid ons een paar critische opmerkingen veroorloofden over het standpunt, dat een paar zeer vooraanstaande mannep uit de Christ. Hist. Unie ten opzichte van deze punten innamen en daarbij ook de houding van D e Nederlander, als de zwijgende getuige bij dit optreden, ter sprake brachten, was het Chr. Hist, orgaan met geen stok uit zijn tent te krijgen.
Dat nu ditmaal De Nederlander teekenen van leven geeft, is voor ons verblijdend en moedgevend.
Echter het blad is, na genoten rust, in deze zijn eerste proeve, waarin het niet minder gaat dan om een protest aan ons adres uit te spreken, niet gelukkig.
Ter onderrichting van onze lezers moge vooraf dienen, dat de redactie van het Chr. Hist, orgaan, schrijvende over ons artikel : , , Een confessioneele klacht", zich heeft gestooten aan het gebruik van het woord , , Ethisch" met een groote letter.
Wanneer ethisch met een kleine letter geschreven, ware, zou de redactie, naar zij schrijft, haar willen aanvaarden. Maar zoo schreef De W a a r h e i d s v r ie nd het woord Ethisch nu eenmaal niet. Door de groote letter te gebruiken was naar het oordeel van De Nederlander de bedoeling duidelijk : „de lezers van De W a a r-h e i d s V r i e n d, die als vanzelf sprekend geen gemeenschap met de Ethischen kunnen noch mogen hebben, moeten zich van de Chr. Historischen verre houden". En die indruk zou te meer juist zijn, nu daarbij eerstens aan de hulde wordt herinnerd, die in de samenkomst der Ethischen te 's Gravenhage aan den heer de Savornin Lohman werd gebracht en verder gewezen wordt op het-feit dat : de leiding van het blad (De Nederlander) blijft in handen o.m. van twee mannen van geprononceerd (wij schreven dit woord niet; heeft de redactie wel zelf ons artikel gelezen ? ) Ethische richting". Voorts is, naar het oordeel van het Chr. Hist, orgaan, Ethisch met een groote letter geschreven, als onjuist en misleidend af te wijzen, omdat daarmede de kerkelijke verschillen op politiek terrein worden overgebracht.
Wij hopen een volgend maal de gelegenheid te hebben, om de vraag nader onder de oogen te zien of het juist is, dat met het spreken over : „Ethische politiek" (Ethisch met een groote letter geschreven) de Kerk met den Staat wordt verward.
Ditmaal bepalen wij, ons uitsluitend tot het protest van De Nederlander.
En dan merken wij al dadelijk op, dat de woorden o n j u i s t en m i s 1 e i d e n d meer De Nederlander treffen dan ons.
Wat wij hierboven tusschen twee haakjes vroegen, moge op deze plaats nog eens herhaald worden : „Heeft de redactie van D e Nederlander wel zelf ons artikel : „Een confessioneele klacht" gelezen ? "
Zoo ja, waarom wordt dan niet medegedeeld, dat wat wij schreven, geschiedde naar aanleiding van een artikel van de hand van dr. Kromsigt uit Amsterdam, van wien wij niet beter weten, dan dat hij een geestverwant is van de redactie van „D e N e-d e r 1 a n d e r" en als Chr. Historische in de geheimen der Unie is ingeleid ? Met naam en toenaam werd de schrijver van het stuk genoemd.
Laten wij 't ten overvloede nogmaals mogen vermelden dat dr. Kromsigt 't was, die het gebeurde in de vergadering te 's-Gravenhage in herinnering bracht, en dat hij het was die de klacht deed hooren, zooals deze in het slot van ons artikel voorkwam. Woordelijk schreef de Amsterdamsche predikant in de Gereformeerde Kerk van 10 November :
Naarmate men echter van ethische zijde almeer naar voren dringt en tracht zoowel door de practische politiek als ideëel beslag te leggen op de geesten, wordt de positie van hen, die politiek g e r e-f o r m e e r d voelen, al moeilijker.
En verder:
Hef zal de vraag zijn, of men, bij eene constellatie, die zich blijkens het boven geciteerde al scherper afteekent, blijvend zal kunnen samengaan.
Uit een en ander blijkt, dat het hier de Chr. Historische dr. Kromsigt en niet, zooals De Nederlander meent, D e W a a r h e id s V r i e n d is, die de politiek gereformeerden in de Hervormde Kerk tot voorzichtigheid maant ten opzichte van hun blijven in de Chr. Hist. Unie.
Waarom licht de redactie van De Nederlander-zijne lezers niet juister en meer oprecht in ?
Zeker, van onze hand was de opmerking, dat van de drie redactieleden van De Nederlander er een tweetal zijn, die bekend staan als trouwe (we schreven niet „geprononceerde" aanhangers van de Ethische richting.
Maar is deze opmerking dan onjuist ? Laat De Nederlander ons dan maar uit den droom helpen, en ons over de richting van de heeren prof. dr. Slotemaker de Bruine en Snoeck Henkemans nader inlichten.
De vrijheid van onderwijs.
De antirevolutionaire „Rotterdammer" wijdt een artikel aan het onlangs ingediende ontwerp-Middelbaar onderwijswet, in welk ontwerp ook het gymnasiaal onderwijs regeling vindt.
Naar de schrijver van het stuk meent, behoeft tegen het onderbrengen van 't gymnasium bij het middelbaar onderwijs geen bezwaar te worden gemaakt; mits men bedenke, dat de Grondwet het woord „middelbaar onderwijs" in beperkter zin opvat, en voor het gymnasium volledige vrijheid voorschrijft, behoudens het toezicht der Grondwet.
Ter oriënteering van zijne lezers, vraagt het blad : hoe moet nu de opzet zijn eener wet op het middelbaar onderwijs, wanneer ook de gymnasia daaronder vallen ? En dan heet het:
De bepalingen over toezicht zullen algemeen zijn, en alle scholen verbinden.
Dan komen de bepalingen betreffende de bekwaamheid en redelijkheid der onderwijzers. Deze gelden ook algemeen, maar niet voor de bijzondere gymnasia.
Dan regelen voor de openbare middelbare scholen.
En eindelijk de regeling der subsidiëring van bijzondere scholen.
Natuurlijk kan de volgorde der bepalingen verschillen. Maar de verhouding tegenover de onderscheidene groepen van scholen ligt in de Grondwet vast.
Voldoet nu het nieuwe ontwerp aan dezen opzet ?
Daarvan schrijft het blad :
Het nieuwe ontwerp voldoet hieraan niet.
Het begint met een reeks „algemeene bepalingen", welke voor alle scholen gelden ; voor openbare zoowel als voor bijzondere, voor gesubsidieerde en ook voor niet-gesubsidiëerde.
Deze bepalingen strijden met het grondwettig voorschrift : het geven van onderwijs is vrij. Zij schijnen veeleer uit te gaan van het denkbeeld, dat alle onderwijs door de wet moet worden geregeld.
Wilt ge een middelbare school voor meisjes oprichten ? Het onderwijs in de laagste twee klassen zal minstens dezelfde leerstof moeten omvatten als de onderbouw van het lyceum, benevens de vrouwelijke handwerken.
Wilt ge andere vakken doceeren, als de wet eischt ? Het mag, alleen echter wanneer de Minister van Onderwijs het goedkeurt.
Wilt ge de lessen telkens een uur laten duren ? De wet komt u vertellen, dat ten hoogste 32 of 34 lessen van 50 minuten mogen worden gegeven.
Het onderzoek naar de bekwaamheid van de leeraren, dat volgens dê Grondwet wel op het gymnasium, maar niet op de H.B.S. betrekking mag hebben, wil het nieuwe ontwerp-ook over het gymnasium uitbreiden.
Aldus blijft van de vrijheid van onderwijs niets over.
Dit wordt nader ontwikkeld , door er op te wijzen, dat de bovengenoemde bezwaren niet overschat, maar ook niet onderschat moeten worden.
De conclusie, waartoe de schrijver van het artikel komt, luidt eenigszins breedvoerig toegelicht :
De voorwaarden voor subsidieering van bijzondere gymnasia en hoogere burgerscholen omvatten meer dan alleen de waarborgen, dat het onderwijs deugdelijk is. Zij beoogen ook te bevorderen, dat de bijzondere inrichtingen zich aanpassen aan het algemeen onderwijsstelsel. Een bijzondere inrichting moet óf een gymnasium of een H.B.S. zijn, desnoods voldoen aan de eischen voor beide. Maar subsidie zou niet worden verleend aan een instelling, die noch gymnasium noch H.B.S. was, en wier einddiploma geen toegang tot de Universiteit noch eenige andere bevoegdheid zou geven. Zekere eenparigheid in het geheel van het onderwijs is gewenscht.
Maar daarnaast heeft de vrijheid, ook in de keus van de leerstof, haar beteekenis.
Naast de onderwijsinrichtingen, die de wet kende, zijn gedurende de laatste tientallen jaren velerlei andere tot bloei gekomen.
De hooger-onderwijswet kende gymnasia, de middelbaar-onderwijswet hoogere burgerscholen met drie-en vijfjarigen cursus en burger dag-en avondscholen.
De laatstgenoemde scholen zijn almeer op den achtergrond geraakt en eindelijk verdwenen tengevolge van de ontwikkeling van het nijverheidsonderwijs in zijn verschillende vormen.
Naast het gymnasium en de H.B.S. zijn de lycea opgekomen.
En voorts hebben de H.B.S. voor meisjes, de middelbare meisjesschool, de handelsschool, en het m.u.l.o. (thans u.l.o.) haar recht van bestaan bewezen.
Heel deze ontwikkeling is tot stand (gekomen buiten toedoen van de wet. De eischen van het leven drongen ertoe.
Laat nu niet de wetgever van 1921 zich voorstellen, dat hij het laatste woord zal spreken, en dat zijn stelsel definitief is.
Dat stelsel mag zijn waarde hebben. Een stelsel zal in elk geval moeten worden gekozen, omdat stelselloosheid de chaos zou zijn.
Maar het gaat niet aan, het opkomen van inrichtingen, die in het stelsel niet passen, te beletten. Daarmede zou de verdere ont wikkeling en groei van het middelbaar onderwijs onmogelijk gemaakt worden.
Wanneer het leven nieuwe scholen noodig heeft, zullen die scholen ook zonder Rijkssubsidie wel tot stand komen.
Maar om dat mogelijk te maken, is het noodig, dat in de middelbaar-onderwijswet de vrijheid wordt geëerbiedigd, in den vollen omvang waarin de Grondwet haar waarborgt.
Deze conclusie zullen allen, die het met de vrijheid van het onderwijs wèl meenen van harte onderschrijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's