Feuilleton
Van 's levenspad
door COR.
Een dienstknecht van Koning Jezus.
Een dienstknecht van Koning Jezus. .Aangetast door een hevige ziekte lag Hendrik op het ziekbed terneder en men vreesde dat hij daarvan niet meer zou opstaan, dat 'dit zijn sterfbed zou worden.
Bijna had hij zijn studie voor predikant voltooid, de tijd waarin hij in 's Heeren Wijngaard zou gaan arbeiden was heel dicht nabij gekomen en nu was hij opeens neergeworpen, scheen het alsof hij nimmer dat groote werk om het Evangelie te prediken zou mogen aanvangen.
Met diepe smart vervuld zat zijne moeder aan zijn ziekbed ; haar wensch was het dat Hendrik predikant zou worden en daarom alleen was het dat hij daarvoor was gaan studeeren. Hij had veel liever een betrekking in het maatschappelijk leven aanvaard, doch den wensch zijner moeder willende vewullen, stelde hij eigen verlangens ter zijde en was hij begonnen voor predikant te studeeren. Eenmaal op studie zijnde, was de Heere echter tot Hem gekomen, had hem meer en meer ontdekt, zichzelven leeren kennen, wat een zwaren, bangen zielestrijd verwekte, die hem deed voortgaan, vreezende dat hij straks anderen het Evangelie zou brengen en zelf verwerpelijk bevonden worden. En nu hij op het ziekbed was neergeworpen, nu het scheen alsof de dood hem uit het leven zou wegrukken, bereikte die zielestrijd het toppunt, lag hij neder, niets verwachtende dan voor eeuwig om te komen.
Nooit nog had hij gesproken van den bangen strijd, welken hij voerde, niemand wist hoe bang hij over 's levenspad ging, maar nu de dood zoo dicht nabij was en hem gevraagd werd of men hem mocht nastaren als een, die in de eeuwige welgelukzaligheid is opgenomen, opende hij zijn mond om te zeggen, dat hem niets wachtte dan het eeuwig verderf, dat hij niet anders verdiende dan in de buitenste duisternis geworpen te worden.
Meer en meer nam de ziekte in hevigheid toe, waardoor hij ten laatste als een bewustelooze nederlag, niet wetende wat rond hem gebeurde. Maar terwijl hij zoo nederlag, daalde in zijn moegestreden ziel de vrede neder, welke alle verstand te boven gaat, zijn zielsoog mocht blikken op den Borg en Middelaar, Christus Jezus, Die hem toeriep dat zijn schuld was betaald, dat hij niet zou omkomen, maar leven, eeuwig leven, eeuwig bij zijn Schepper verkeeren. Dan keerde zijn bewustzijn terug, de crisis der ziekte was geweest en hij had die doorstaan, het uur van sterven was nog niet voor hem gekomen. Het eerste wat hij deed was zijne moeder bij zich roepen, haar vertellen wat de Heere aan zijne ziel gedaan had, dat hij nu in Christus Jezus geborgen was, dat Die hem had vrijgekocht, verlost van het eeuwig verderf.
Langzamerhand herkreeg hij zijne gezond heid, sterkte hij weer aan, waarna hij zijn studie voltooide en tot predikant werd bevestigd. Hoe geheel anders was dit echter dan hij had verwacht; om aan het verlangen zijner moeder te voldoen, was hij gaan studeeren en indien hij zoo predikant was geworden, zou zijn prediking dor en dood zijn geweest, daarna was die bange zielestrijd gekomen, welke hem gedurig deed vreezen, dat hij het Evangelie zou brengen, den Christus prediken, zonder zelf deel daar aan te hebben, maar nu, nu mocht hij prediken vol geest en leven, kon hij zijn toehoorders spreken over een Christus, Die ook zijn Borg en Middelaar was, Die ook tot hem was gekomen sprekende van vreugde en vrede in Zijn bloed.
Met vreugde en blijdschap betrad hij voor het eerst den kansel om voor de eerste maal aan arme zondaren het rijke genade-Evangelie te brengen, dat in Christus Jezus de weg der genade is ontsloten voor zulken, die den dood verdiend hebben. Zijn Heiland, zijn Koning, zijn Borg en Middelaar mocht hij prediken, daardoor kon hij Diens wondere liefde voor een zondig volk zoo gemakkelijk verklaren.
Van vreugde schreiend zat zijne moeder onder zijn gehoor, luisterend naar zijn eerste prediking en een danktoon steeg op in haar ziel, dat zij die ure mocht beleven, dat haar kind als een dienstknecht van Hem daar mocht staan, dat haar kind mocht arbeiden in Zijn Wijngaard, maar bovenal steeg een danktoon op' dat haar kind een prediker mocht zijn van dien Christus, Die ook zijn Borg en Middelaar was.
Vele jaren zijn sindsdien voorbij gegaan, vele jaren, waarin Hendrik een rijken Christus mocht prediken aan arme zondaren en nog gaat hij over 's levenspad arbeidende in den Wijngaard des Heeren, nog mag hij week aan week naar de begeerte zijns harten den eenigen weg des levens prediken. Zijn gestalte is reeds gebogen, zijn haar vergrijsd, maar wanneer hij 's Zondags den kansel beklimt en zijn Christus, zijn Heiland en Koning mag prediken, vergeet hij zijn ouderdom, zijn zwakheid, is hij even vurig als de eerste maal dat hij optrad. En wanneer hij een tekst behandelt als bijvoorbeeld : „Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft", (Rom. 8 : 37) denkt hij weer terug aan den tijd waarin hij zoo'n zwaren zielestrijd voerde, in welken strijd hij dacht om te komen, terwijl hij mocht overwinnen door Christus Jezus, zijn dierbaren Koning, omdat Die hem liefhad met een eeuwige liefde. Dan bepaalt hij zijn hoorders bij den rond van de overwinning in den zielestrijd, elke enkel en alleen de liefde is van Chrisus Jezus en uit eigen ervaring, omdat hij het zelf heeft doorgemaakt, spreekt hij hun dan van die wondere liefde, waardoor, als alle hoop is verdwenen, als het schijnt dat de strijd verloren is, de overwinning door satan behaald, die dierbare Christus Zich openbaart aan de ziel, dat Zijn liefde niet gedoogt, dat een, die naar Hem uitgaat, zal omkomen, maar dat Hij zulk een altoos opzoekt en doet ervaren dat door Zijne liefde de overwinning wordt behaald in den bangen zielestrijd. Dan gedenkt hij Onder het spreken terug aan den tijd, waarin hij zelf nederlag, denkende om te komen, niets verwachtende dan dat de dood hem in den eeuwigen nacht zou voeren, terwijl, als hij meende dat de strijd verloren was, Koning Jezus zich aan zijne ziel openbaarde en deed ervaren dat hij door Zijne liefde mocht over winnen, dat door Zijne Hefde hij erfgenaam werd van het eeuwige leven. Vol vuur prijst hij dan zijne hoorders dien dierbaren Christus aan, roept hun toe toch niet te rusten voor zij zich in Hem geborgen weten. Zijn Borg en Middelaar, zijn Heiland en Koning mag hij van week tot week nog prediken en hij, die zijn studie begon slechts om aan het-verlangen zijner moeder te voldoen, die voortzette, vreezende dat hij anderen zou prediken en zelf verwerpelijk bevonden worden, zal weldra de reis over 's levenspad voleind hebben om dan voor den Heere te verschijnen uit Wiens mond hem zal tegenklinken : „Gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten, ga in in de vreugde uws Heeren." Dan zal hij mogen ingaan, zijn Schepper aanschouwen, Koning Jezus ontmoeten en Hem eindeloos grootmaken, dat Hij hem door Zijne liefde verwaardigd heeft, niet slechts Hem voor zichzelf te leeren kennen, maar ook anderen te prediken den eenigen weg des levens, welke alleen in Christus Jezus gevonden wordt.
Ook tot u komt de prediking van een rijken Christus voor een armen zondaar en gaat uw hart reeds naar Hem uit, is het ook uw verlangen Hem te leeren kennen als uwl Borg en Middelaar? Ach, denk toch niet dat gij zónder Hem kunt, dat gij zonder Hem straks kunt sterven, want dan komt gij voor eeuwig om, wacht u het eeuwig verderf. Nu komt Zijn roepstem nog tot u, roept Hij u nog toe dat uw ziel in Hem alleen vrede kan vinden, doch indien gij niet hoort is het straks voor eeuwig te laat, dan zal Hij u van Zich stoeten, zult gij eindeloos van Zijne liefde verstoken zijn. O, hoor dan nu Hij nog tot u komt, ga dan tot Hem als; een onwaardige, die niets dan den dood heeft verdiend, om te ervaren, dat gij door Zijne liefde wordt verwaardigd Hem te kennen als uw Borg en Middelaar, uw Heiland en Koning, Wien gij straks moogt ontmoeten om Hem eindeloos groot te maken.
Gaat gij over 's levenspad, gebogen door den bangen zielestrijd, dat gij voor eeuwig zult omkomen ? Hebt gij uzelf leeren kennen als een zondig schepsel, ziet gij de groote kloof, welke uw groote schuld heeft gemaakt tusschen den Heere en u en vreest gij dat die kloof nimmer zal weggenomen worden, dat gij eeuwig van den Heere gescheiden zult zijn ? Hef dan het oog op Christus Jezus, dien dierbaren Borg en Middelaar, want door Zijne liefde zult gij in den bangen zielestrijd overwinnen, als 't schijnt dat gij verloren hebt, zal Hij komen en u doen ervaren dat Hij uw schuld heeft betaald, dat Hij uw straf droeg, dat Hij u het leven bereidde, zoodat ook uw jubelklank zal weerklinken : „In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, Die ons liefgehad heeft!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's