De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

En Hiskia breidde de brieven uit voor het aangezicht des Heeren. Jesaja 37 : 14b.

Voor Gods aangezicht nedergelegd.

Als Hiskia de brieven uit des boden hand ontvangen en die gelezen had, ging hij in het huis des Heeren.

Ge zult u zeer waarschijnlijk deze geschiedenis wel kunnen herinneren.

Een machtig leger van Assyrie's koning had zich opgemaakt om Jeruzalem in te nemen. Deze vertrouwde daarbij zoozeer op zijn bevelhebbers, dat het hem onmogelijk scheen , om hierin niet te slagen. In stoute taal had hij hieromtrent zijn gedachten uitgedragen. In deze brieven kon Israels koning het lezen.

Daar stond het zwart op wit. Daar stond het, hoe geringschattend deze heidenen dachten over Israels God. Deze kon zijn volk niet verlossen.

Het ging hier dus niet om het leven van zooveel Israëlieten. Het ging niet of Jeruzalem zou vallen, maar of Israels God nog de machtige zou blijken om Zijn stad en Zijn volk te bewaren.

Ziet, in dezen treedt in het licht de kinderlijke omgang van Israels koning met zijn God. Hij legt die brieven, waarin dat alles geschreven stond, den Heere voor.

Hij zegt : ik behoef het U niet eens over te brengen, lees het zelf maar. Rabsaké heeft U gehoond, hij heeft U gesteld met de afgoden op ééne lijn.

Heere zoudt Ge U dat niet aantrekken ?

Speur de gangen van dezen bidder eens na, geef eens acht, op alles wat hij te zeggen heeft : „O Heere der heirscharen. Gij God Israels, Die tusschen de Cherubs woont, Gij zelf, Gij alleen zijt ég God aller koninkrijken der aarde. Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt."

Hierin ligt toch niets minder opgesloten dan deze gedachte : Gij zijt de eenige, die het te zeggen heeft. Geen schepsel bestaat er zonder U. Niemand, die iets vermag.

Alles leeft door en uit Uwe hand. Zoudt Gij het nu toelaten, Heere, dat Uw Naam wordt gelasterd door Uw volk prijs te geven, door Uw stad te doen vertreden door der heidenen voet. Och, Heere, laat toch de koninkrijken der aarde weten, dat Gij God zijt.

Het gaat er om. Gij kunt ditmaal niet toelaten, dat deze muren vallen, immers de inzet is deze, dan zal de vijand zeggen : hun God heeft hen niet kunnen verlossen.

Zou dit niet de juiste toon zijn ? Klopt hier niet het waarachtige leven ?

Hiskia wees niet op eigen verdienste. Hij sprak niet : ik heb U zoo trouw gediend. Ook niet : Gij hebt het aan dit volk beloofd. Neen, alleenlijk, het gaat om Uwe eere.

Vandaar dat hij de (brieven uitspreidde. Neen, lees het zelf. Uw Naam wordt er in gehoond.

Zou het antwoord hierop achterwege kunnen blijven ?

Neen.

Hoe zal dat luiden, lezers ?

Nog duidelijker dan Hiskia had mogen verwachten.

Wij weten hoe de Heere de brieven van Rabsaké, welke Hem door Hiskia werden voorgelegd, gelezen heeft.

Daar werd onmiddellijk aan een der hemelboden een wenk gegeven : „houd u gereed, ge hebt een last op aarde te voltrekken. Daar is een vijand, die Mij hoont. Den ademtocht van zijn lippen moet gij wegnemen. In dezen nacht zult gij door de rijen doorgaan en zonder dat iemand u hoort of ziet, uw last voltrekken." Rabsaké weet het niet, zijn bevelhebbers evenmin. Zij rekenen alleen met getallen en — deze zijn groot genoeg, immers hun legers tellen tezamen meer dan honderdduizenden. Jeruzalem mag zich schrap zetten.

Doch stel u voor, lezer, wanneer de morgen aanbreekt en de eerste lichtstralen worden geworpen over het slapende leger, dan blijft het er in die tenten zoo ijzig stil Of er al bevelen worden uitgevaardigd, ze schijnen niet te worden opgemerkt.

O, vreeze des doods heeft er zich gelegerd. In één nacht heeft één engel 185.000 man zóó tijd in eeuwigheid doen verwisselen. Geruischloos, zonder dat één zucht werd vernomen is Rabsaké's legertros gebroken.

Hier werd een machtige snoever zonder één klank verplet. Hier is een antwoord ingekomen op zijn brieven van Boven.

Hebt gij het wel gemerkt, lezer, dal Rabsaké dit antwoord zich zag voorgelegd door Hiskia. Terwijl deze misschien nog in bangheid zijn knieën heeft gebogen en aangedrongen om uitredding, was het den Assyrischen grootvorst al duidelijk geworden in welken zin Israël verlossing zou geworden. De vijand moest vluchten. Er werd hem zelfs geen tijd gelaten een pijl af te schieten. Er werd geen schildknaap afgevaardigd met de tijding : „wij gaan." Zij liepen, zij vloden, alsof zij vreesden, dat een haastig verderf ook hen nog zou wegrapen.

Och, lezer, met deze wonderdoende hand des Heeren wordt door ons veel te weinig gerekend. Wij zien telkens om en wij moesten omhoog zien. Daar ligt het wereldbestuur. Daar wordt het lot en leven der menschenkinderen geregeld. Daar is ook de Kerk veilig.

We zullen daarom goed doen de vraag ons eens voor te leggen : wat heeft deze uitredding van Hiskia ons te zeggen ?

Wij weten, dat deze wereld midden in het booze ligt. Dat we telkens ons geplaatst zien voor ontknoopingen, die ons het ergste doen vreezen.

Zoo dreigt er telkens gevaar, inzonderheid voor de Kerk van Christus.

Wat kunnen de wolken niet samen pakken. Wat kan de vijand zich dreigend verheffen, zoodat de vraag rijst: zou er we! mogelijkheid zijn om te ontkomen ?

„Neen", zegt het bange hart.

Tweemaal neen roept de opdringende vijand. „Er is nog nooit een geweest, die het tegen mij heeft uitgehouden." „Wanneer ge omziet naar eenig bondgenoot op deze wereld, zoo komt ge bedrogen uit." „En als ge meent, dat God u helpen zal, zoo is dit ook verkeerd uitgemeten." „Het is op Zijn bevel dat wij komen."

Ziet, dit maakt zoo echt bang, zulk een taal te beluisteren.

Lezers, het zijn donkere dagen welke we beleven. De vijand van alles wat God vreest spreekt het dan ook onomwonden uit : „het zal spoedig met u uit zijn. Jeruzalem wordt vertreden ; van den ouden tempel zal binnen niet vele jaren weinig meer over zijn."

Weet ige wat het nu zoo pijnlijk maakt ? Dit, ieder, die eenig oog heeft gekregen voor het gruwelijke der zonde, voor het tartende dat hierin ligt tegenover den Heere, zegt: het zou wel eens de tijd kunnen zijn, welke van den Heere is besteld. Het oordeel kon wel eens worden uitgevoerd. Ja, het is eene gedachte, welke hij bij zichzelf voelt opkomen : zou het niet op Gods bevel zijn, dat hij gekomen is ?

Ziet, dit moet hij weten.

En dit kan worden uitgemaakt.

.Als de vijand zegt: gij kunt niet ontkomen,  want wie zou u uit mijne hand verlossen, daar is in den hemel geen, net zoo min als er op de aarde een wordt gevonden.

Och, Geliefden, leg dan den Heere de dreigbrieven maar voor.

Laat ze Hem maar lezen.

Ik herinner mij nog zeer goed, dat ik eens een vuist mij zag toegestoken met dit dreigement: „ik zal zorg dragen, dat binnen een half jaar uw arbeid hier is gebroken."

Weet ge het antwoord?

Ik zal het den Heere vertellen, wat gij mij gezegd hebt. Wanneer ik me niet vergis, zal de Heere u in dit half jaar wegblazen, omdat ge niet mijn werk, maar dat des Heeren hebt aangerand.

En de uitkomst was zoo.

. Nog vóór dat het half jaar om was had deze man zioh schuldig gemaakt aan zulk een zonde, dat hij, om de straf te ontgaan, in den nacht de vlucht nam naar het buitenland.

Zoo maakt de Heere het waar.

Hij heeft nog altijd engelen in dienst gesteld van degenen die in Zijn tempel zich een plaats zagen aangewezen. Deze hebben de klanken die ze hooren maar op te vangen en over te brengen. Zij hebben de brieven in te zamelen en voor den Heere uil te breiden.

Deze geeft altijd antwoord.

Aan den vijand het eerst. En daarna zal Sion het weten.

Of zou op dit laatste nog iets moeten worden  afgedongen ?

Hiskia was, toen hij voor de tweede maal opging in het heiligdom en daar de brieven uitbreidde, van binnen al zoo wonder kalm, zoo overgegeven gemaakt. De Heere geeft vaak al een voorproefje : Ik zorg voor u. Ik maak uwe zaak gereed.

Lezers, zoolang er zich maar bidders terugtrekken, zoolang dan maar opgaan.

In den tempel moeten de brievén worden uitgebreid.

Eerst onze brieven, onze schuldbrieven en als daarop tranen als dauwdroppels glinstèren, zoo mogen de brieven uitgelegd van den vijand.

Daarop is des Heeren oog gericht. Hij geeft er dit antwoord op : wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij Mij.

Nu zou het niet onmogelijk zijn, dat et onder u ook werden gevonden die bij zichzelf ook deze opmerking maakten : wat in de wereld in het groot telkens plaats vindt, grijpt ieder keer plaats bij mij van binnen.

De vijand, de groote vijand stelt zich op met machtige heirlegers voor de poorte mijner ziel, zeggende : „geef mij de sleutels maar over. Daar is toch immers niemand, die u uit mijne hand kan verlossen. God noch mensch." Als hij u ook zulke dreigbrieven vol laster en hoon toezendt, weet ge waar ge ze neder moet leggen ?

Voor Gods aangezicht.

Doe dan net als Hiskia. Pleit op dezelfde wijze.

Zeg eens tot den Heere : wie zou er bij gebaat zijn, en wie er door geprezen, als de vijand blijvend zegeviert ?

Gij zijt toch de Almachtige en de Genadevolle. Op Uw genade doe ik een beroep.

Ik blijf den Heer verwachten. Mijn ziel wacht ongestoord.

Zou de Heere hierop ook niet wachten, dat gij het alles in Zijne hand legt ?

Dan zal de uitkomst zijn nog schooner dan toen op den morgen, toen Rabsaké was weggevlucht. Dan is het stil van buiten en van binnen.

Of moet het aldus worden weergegeven ?

Want Uw goedheid Die wij loven. Heeft van boven Mijn geloft' en beê gehoord. Gij deedt mij tot de erfenis komen Van de vromen, Wien de vrees Uws Naams bekoort.

Jeruzalem is eenmaal van eiken vijand gezuiverd en ieder kind des Heeren van al zijne vijanden bevrijd.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's