De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

7 minuten leestijd

De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.

VII.

Prometheus was van oordeel, dat alleen vuur dit zou kunnen tot stand brengen, dat de mensch tot die eerepositie tusschen de andere schepselen, kwam. Maar het vuur was een gave, die uitsluitend in het bezit was van de goden. Hij wist ook, dat zij het nooit vrijwillig zouden wegschenken en het niet zouden willen deelen met den mensch. Lang dacht hij over de zaak na en ten slotte nam hij het besluit, het vuur diefeiijk aan de goden te ontnemen of in de onderneming te gronde te gaan.

Op zekeren donkeren nacht vertrok hij dan ook naar den Olympus, drong ongemerkt in de verblijfplaats der goden binnen, greep een gloeiende vonk, verborg die in zijn boezem en vertrok ongezien, opgewonden over het schitterende resultaat van zijn onderneming. Zoodra hij weder op aarde 'was teruggekeerd, vertrouwde hij den gestolen-schat toe aan de zorg van den mensch, die hem onmiddellijk voor verschillende doeleinden gebruikte en op welsprekende wijze zijn dankbaarheid betuigde aan de welwillende godheid, die zijn eigen leven had gewaagd, om het vuur voor de menschheid te verkrijgen.

Jupiter was boos toen hij de misdaad van Prometheus bemerkte en bond den overtreder aan een rots in het Caucasische gebergte, waar een vraatzuchtige gier des daags zijn lever kwam afvreten, terwijl des nachts die lever weer aangroeide, aan Prometheus een marteling van jaren en jaren bezorgend. Eindelijk kwam Hercules, de zoon van Jupiter, den ongelukkige te hulp door den gier te dooden en hem uit de ste-' vige ketenen los te maken.

Hij beschouwde het geen misdaad te zijn, wat Prometheus gedaan had, daar hij 't hei! der inenschheid op 't oog had gehad.

De Engelsche dichter Byron zingt daarvan :

„Uw misdaad had een god'lijk doel, de inenschheid te verblijden, want door uw gift en door uw raad verminderde haar lijden. Eerst toen het vuur van den Olymp op aarde werd gebracht. Ontplooide zich gemoed en geest van 't menschelijk geslacht".

De eerste stervelingen leefden op aarde in een toestand van volkomen onschuld en gelukzaligheid. De lucht was zuiver en welriekend ; de zon scheen het geheele jaar door hekier ; de aarde bracht in overvloed heerlijke vruchten voort en overal bloeiden heerlijke, geurige bloemen. De mensch was tevreden. Buitengewone koude, honger, ziekte en dood waren-onbekend.

Jupiter die terecht een groot gedeelte van dien zaligen toestand toeschreef aan de gave, die door Prometheus was geschonken, was hoogst ontstemd en trachtte middelen te beramen, om het menschdom te straffen voor het aannemen van het hemelsche vuur.

Met dat doel voor oogen verzamelde hij de goden op den Olympus, waar, zij in een plechtige vergadering besloten de vrouw te scheppen, die den naam van Pandora (de aliesgevende) genoemd werd. Mercurius-, moest haar naar Prometheus brengen, maar deze weigerde haar in ontvangst te nemen, wel wetende, dat hem van de goden niets goeds zou worden geschonken. Ook waarschuwde hij zijn broer Epimetheus zijn voor beeld te volgen ; doch deze oordeelde, toen hij de jonge maagd zag, dat een dergelijk schepsel geen kwaad kon veroorzaken.

. Toen Pandora met Epimetheus gelukkig leefde bracht Mercurius op zekeren dag een doos met verzoek deze in het huis van Pandora ter bewaring te mogen geven, uitdrukkelijk verbiedende, dat iemand in de doos zou inzien.

Deze doos was op eigenaardige wijze vervaardigd van donker hout en was van boven voorzien van een fijn gesneden hoofd zóó kunstig bewerkt, dat het Pandora, die zeer nieuwsgierig telkens naar de doos keek toescheen alsof het haar toelachte. Rondom de doos was een glinsterend gouden koord gewonden, dat van boven was vastgemaakt met een ingewikkelde knoop. Pandora, die zich gaarne liet voorstaan op haar vlugge vingers, begon met dien knoop los te maken, hoewel niet van voornemen zijnde het deksel op te tillen. Doch toen eindelijk de knoop ontward was en het koord los op den grond viel, kon zij zich niet weerhouden even in de doos in te zien.

Nu moet men weten, dat Jupiter in die doos alle ziekten, ondeugden en misdaden had bijeengepakt, om de menschheid te teisteren. En nauwelijks was dan ook het deksel opgelicht, of al die ellenden kwamen naar buiten in de gedaante van afschuwelijke keine wezens met bruine vleugeis, die de grootste gelijkenis vertoonden met motten. Deze kleine insecten fladderden overal heen en begonnen de menschen meedoogen loos te prikken en te steken, zoodat de jammerklachten van alle kanten weldra werden gehoord. Nooit had men vóór dien tijd ook maar een oogenblik pijn, angst of verdriet gekend, maar-onmiddellijk nadat die gevleugelde booze geesten hen gestoken hadden, begonnen de menschen onder elkander te twisten.

Gelukkig kwam er een stem uit diezelfde doos die zeide : „Maak open, maak open en ik zal, uw wonden heelen I Ik bid u, laat mij er uit ? "

Wat was het geval ?

In een plotselinge opwelling van medelijden hadden de goden onder de kwade geesten één goedgezind wezen verborgen, de Hoop, die tot bestemming had, de wonden te heelen, die door haar medegevangenen waren geslagen.

Licht heen en weer fladderend op haar sneeuwwitte vleugels, raakte de Hoop de gev/onde plekken aan op de melkwitte huid van Pandora en verzachtte haar pijnen en daarna vloog zij door het open venster naar buiten, om die zelfde vriendelijke taak te vervullen jegens de overige slachtofi'ers.

Zoo kwam volgens deze oude heidensche mythe het kwaad in de wereld en bracht daar onuitsprekelijke ellende ; maar de Hoop trad onmiddeiiijk in zijn voetstappen om de lijdende menschheid te hulp te komen en te wijzen op een gelukkiger toekomst.

De Hoop heerscht in een eeuwig bloeiend, lieflijk land ; De machten die zij leidt met vriendelijke hand. Zijn opgewekt en blij ; De wolken, gaan voorbij, zoodra zij het beveelt : En 't licht der Fantasie, het schoonste godenbeeld. Maakt ''s werelds paden vrij.

' Gedurende vele eeuwen werd de Hoop voortdurend vereerd, hoewel de overige godheden niet langer werden aangebeden.

En zoo ging het van kwaad tot erger met de menschen, wat Jupiter zag en waarover hij zich vertoornde.

Geleidelijk was de aarde bevolkt. De eerste jaren waren jaren van onvermengd geluk. Noodzakelijkheid voor arbeid was er niet ; immers de aarde bracht uit zichzelf alles voort, wat noodig was voor 's menschen bestaan. Onschuld, deugd en waarheid heerschten alom. Er waren geen wetten om de menschen te binden noch rechten om te straffen.

Die tijd van gelukzaligheid werd terecht de Gouden Eeuw genoemd en men'genoot onder het wijze opperbestuur van den goeden, onder Saturnus of Kronos.

Maar helaas ! niets op deze aarde is bestendig ; en de Gouden Eeuw werd gevolgd door een andere, die niet meer zóó voorspoedig was en die daarom de Zilvereren Eeuw werd genoemd, waarin het jaar voor 't eerst in jaargetijden was verdeeld en de mensch verplicht was te zwoegen voor het dagelijksch brood. 

Ovidius zong daarvan :

•„En na verloop van tijd verscheen de Züivren Eeuw, Die 't koper overtrof, maar minder schoon dan goud. .Men had toen zomer, herfst, gevolgd door vorst en sneeuw • En 't lieflijk lentebeeld werd tijdelijk slechts aanschouwd. De zon doorliep haar kring niet meer in rechten stand. De dagen, ruw en slecht, 'behielden de overhand. De winden waren heet, ondraaglijk was hun gloed, Maar dan weer ijzig koud, en stollend 't stroomend bloed. Geen sterv'ling dorst verkleumd naar buiten zich te wagen, Trotseerend het geweld van sneeuw-en regenvlagen. Hun woning was een hol, door kronk'lend riet omgeven, Hun bed een mostapijt, eenvoudig was hun leven. En voren sneed de ploeg voor 't uit ie strooien graan, . De os ving onder 't juk zijn zwaren arbeid aan."

(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's