Als een dag ten einde is.
Als ik bij 't nad'ren van den nacht. Voor mijne sponde nederkniel ; Ontglipt zoo vaak een bange klacht. Een klagend zuchten mijne ziel.
Dan toch is weer een dag vergaan, Van mijn zoo korten levenstijd ; Waarin al wat ik heb gedaan, Bestond in enkel ijdelheid.
Beschaamd buig ik mij dan terneer, Voor mijnen Koning en mijn God, Voor Hem, wiens grootheid én wiens eer, Ik door mijn daden heb bespot.
„Ach Heere", klinkt mijn bede dan, „Gij die toch alles ziet en weet ; Gij weet dat ik U dienen kan. Ofschoon ik telkens dit vergeet.
Help mij opdat ik altijd weer. Van 's werelds ijdelheden vlied ; leer mij opdat ik meer en meer. Slechts doe alleen wat Gij gebiedt.
Gij die toch altoos weder hoort. Naar wie in waarheid bijstand vraagt; Leer mij te leven naar Uw' Woord, Alleen te doen wat U behaagt.
Leer mij te leven naar Uw wet. Daarin te vinden mijn genot ; Hoor mij, o Hoorder van 't gebed. Mijn Schepper, Koning, Heere, God." Mijn Schepper, Koning, Heere, God."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's