De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

„Verlustig u in den HEERE, zoo zal Hij u geven de begeerten des harten." Psalm 37 vers 4.

DE LUST DER VROMEN IN GOD.

' Psalm 37 is een psalm van David, den Koning van Israël, den man naar Gods harte 't Is een stuk bevinding van dezen godzaligen zanger.

Het is een stuk van het zieleleven van den koninklijken dichter, - waaraan hij met s m a r t e gedenkt, omdat weer zoo duidelijk gebleken is wie en wat de mensch uit en van zichzelf is, óók de bekeerde mensch — maar waarbij hij zich óók mag verheugen, gedenkende wie en wat de HEERE is voor ai Zijn gunstvolk, dat Hij in Zijn trouw verbond heeft opgenomen, de kleinen met de grooten tezamen.

David vertelt zijn bevinding hier. En hij wil het zóó doen, dat de HEERE wordt groot gemaakt in Zijn trouw en genade, in Zijn dierbaarheid en algenoegzaamheid ; om door zijn mededeelingen dan zijn broeders en zusters in den geloove te waarschuwen voor de zondige en dwaze begeerten des harten en hen te bemoedigen en te sterken doör de verkondiging van 's HEEREN deugden.

Davids ziele had gewankeld. Hij vertelt het hier oprecht.

Hij was gestruikeld over dat oude struikelblok, dat al zooveel jaren en eeuwen op Sions weg gelegen heeft, velen tot een val en tot gedurige vertraging.

De wegen, die God , met de 'goddeloozen dikwijls houdt, waren hem niet om zoo te versmaden.

De schatten en lusten der goddeloozen, die dikwijls zoo vergenoegd door het leven gaan, hadden zijne ziele verlokt, om te zeggen : was dat ook mijn deel maar.

Waarom ook altijd die tegenspoed en moeite voor Sion en waarom niet die zegeningen waarin de goddeloozen zich konden verlustigen ?

Is 'dan goud en zilver, eer en aanzien, rust en welvaren zoo verwerpelijk ?

Davids ziele was er niet los van. Zijn harte wordt er door bekoord. 

Maar dan mag, door genade, zijn oog dóór de dingen leeren heen zien. En dan mag hij zien de ledigheid der wereld en de armoede' der goddeloozen voor tijd en eeuwigheid bij al hun schijn-voorspoed en al hun schijn-vrede, wat dan een geheele omkeering bij hem teweeg brengt !

Want was hij zooeven nog jaloersch en droevig, en mistroostig gestemd, omdat hij geen vrede vond in de wegen die de Heere met hem hield, hunkerend naar de wegen der wereld — nu roept hij het met beschaamdheid des aangezichts en met een ontwaakt harte in blijde oprechtheid uit : „ik acht al uwe schatten, o mensch ; al uw geneugten, o aarde ; al uw vriendschap, o wereld ! n i e t s bij de ervaring mijner ziele van Gods genade en bij de bevinding mijns harten van Zijne liefde." ,

De vreeze des HEEREN alleen opent een fontein van onvergankelijk heil ; ze is zoeter dan honing, ja, dan honingzeem. „O ! hoe groot is het goed, dat Hij heeft weggelegd voor degenen, die Hem vreezen, die op Zijne .goedertierenheid hopen."

En na d i e bevinding, met hart en ziel doorgemaakt, spreekt hij dan tot allen die liet kunnen verstaan : „verlustig u in den HEERE, zoo zal Hij u geven de begeerten des harten."

Het is een v r i e n d e 1 ij k e r a a d g e-v i n g van David, Israels vromen Koning, aan al zijn broeders en zusters in den geloove, die van gelijke beweging des harten zijn als hij.

Neen — neen ! laat uw oog niet rusten op de wegen der zondaren en laat uw harte niet uitgaan naar de schatten der goddeloozen.

„Vertrouw op den HEERE en doe het goede ; bewoon de aarde en voed u met getrouwigheid, verlustig u in den HEERE, zoo zal Hij u geven de begeerten uws harten." (vers 3 en 4).

Er ligt duidelijk een beschuldiging in dit woord van David voor het volk des Heeren. Omdat het oog van Sion zoo dwaal ziek is, omdat het harte zoo vergeetachtig is, omdat de ziele zoo gedreven wordt door den lust tot de dingen die van beneden zijn — daarom roept David met ernst : „zie niet op de wereld — maar zie op den HEERE, o Sion, en leer daar uw hoogste zaligheid vinden" ; — belijdende : „wien heb ik nevens U, in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde. Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen ; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uwe werken te-vertellen." 

O, wat wordt dikwijls door Sion vergeten, dat de HEERE alléén het heil bezit en alléén het heil kan openbaren.

Wat wordt er gedwaald in allerlei weg.

Wat ontsteekt het harte niet dikwijls in boosheid en grimmigheid, wanneer het niet gaat naar eigen lust en begeeren I

Want •— is het niet zoo ? — Sion blijft aan eigen lust en begeeren zoo vast zitten ! En dan moet de ziele weer getuchtigd worden, om beroofd van alles ledig tot den HEERE terug te keeren, en bij Hem dan te belijden : „Uwe goedertierenheid, o HEERE, is beter dan het leven ; uw gunst is zoeter dan uitgezochte spijs !" Met Simson dwaalt men zoo dikwijls wispelturig en roekeloos rond, meenende ook dan krachtig en sterk te zijn.

Maar dan moet men met Simson ervaren, dat de ziele buiten Gods weg onderworpen is aan allerhande ellende en leed, een prooi en bespotting van de vijanden, liggend midden in den dood — om dan ellendig en hulp behoevend weer tot den HEERE terug te keeren en Hem te smeeken om Zijn genade en heil.

Daarin ligt de armoede der wereld, de ellende van den onbekeerde open en bloot! Alles, alles is minder dan ijdelheid. Overal heerscht de dood. Vloek en jammer is het uitnemendste van alles tenslotte. Aller menschen weg zal vergaan. Maar hierin ligt dan ook de rijkdom en schat van een arm zondaarsvolk, dat door den HEERE toij aanvang of voortgang mag zijn gelokt, om hun hope te stellen op God.

Is alles, alles wat de wereld en het leven biedt tenslotte schijn, ijdelheid, teleurstelling vloek en dood — bij den HEERE is heil en zaligheid, vrede en vreugd voor allen die op Hem mogen vertrouwen !

En David wil het hier uitspreken, dat het een gansch begeerlijke toestand is, wanneer het harte voor den Heere mag neerliggen, gelijkend op een dorstig land dat vraagt om regen van boven, bageerig zijnde naar des HEEREN gunst en genade, naar Zijn nabijheid en heil. Dat het zalig is om bij God te schuilen en te mogen wandelen in Zijne wegen.

En o ! wie zal het durven tegenspreken van Gods kinderen, dat het goed is om met David telkens te mogen belijden : o, HEERE ! ik verlang naar Uw heil en Uwe wet is al mijne vermaking." (PsaJlm 119' vers 174).

Kan de wereld iets goeds geven ? Iets dat blijft ? iets dat verzadigen kan ?

Immers neen.

En kan de gerechtigheid der wet onze ziele met vrede en zaligheid vervulden ? Neen, neen ! beproef het niet.

Maar wanneer de ledigheid der wereld en de vloek der wet mag worden weggenomen en de ziele in den HEERE haar vreugd mag vinden, dan is er vreugd, die alle verstand te boven gaat — welke in de eeuwigheid voor Sion alzóó zal .geopenbaard worden, dat het alles overtreft, wat het oog ooit heeft gezien, het oor ooit heeft gehoord en in des menschen hart ooit is opgeklommen.

En ja, dat, dat heil heeft de HEERE bereid voor degenen, die Hem vreezen, van nu aan tot in eeuwigheid !

Arme wereldling — beken uw zonde, uw dwaasheid.

Zie, zie de ledigheid en de ijdelheid aller dingen.

'Hoor van den vloek en van het oordeel, dat gewisselijk komt. 

En beken heden, in dézen dag, wat tot uwe zaligheid dienen kan. Waarbij verkondigd mag worden, dat de HEERE nog genade wil bewijzen aan degenen, die gansch ontbloot zijn en in het stof liggen neergebogen.

De HEERE heeft Zijn eigen Zoon gegeven Die een Koning wil zijn. Die „de ellendigsten des volks zal richten, de kinderen des nooddruftigen verlossen en den verdrukker zal verbrijzelen. Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige en die geen helper heeft." (Ps. 72).

En mag dan het harte op Hem getrokken worden, om Hem te zoeken in Christus Jezus, den algenoegzamen en zéer gepasten Borg en Middelaar — dan wil de HEERE Zijn arm volk verzadigen met het goede, leiden naar Zijn Raad en daarna opnemen in heeriijkheid, waar Sion den HEERE zal aanschouwen van aangezicht tot aangezicht.

Daarom spreekt David in Psalm 16 : .Bewaar mij, o God ! want ik betrouw op U — Gij zult mij het pad des levens bekend maken : verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht ; lieflijkheden zijn in Uwe rechterhand, eeuwiiglijk."

Of in Psalm 17: „Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen — ik zal Uw aangezichte in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's