De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

10 minuten leestijd

De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.

VIII.

Zoo was op de Gouden Eeuw de Zilveren Eeuw gevolgd, in schoonheid en heerlijkheid onder doende voor haar voorgangster. Maar toch waren de menschen, in weerwil van de moeilijkheden, gelukkig héél wat gelukkiger dan hun afstammelingen in de Koperen Eeuw, die spoedig daarna volgde. Maar verreweg het ergste was de IJzeren Eeuw, toen de hartstochten der menschen geen grenzen meer kenden en zij zelfs elk eerbewijs durfden weigeren aan de onsterfelijke goden. Onophoudelijk werd er oorlog gevoerd ; de aarde werd verzadigd met bloed ; de rechten der gastvrijheid werden openlijk geschonden ; en moord, roof en diefstal waren overal aan de orde van den dag.

Jupiter had gedurertde al die jaren een scherp toezicht gehouden over 's menschen daden ; en dit slechte gedrag wekte zoozeer zijn gramschap op, dat hij de plechtige gelofte deed, dat hij het menschelijk geslacht zou vernietigen. Velerlei manier stond hem voor den geest, maar hij kon niet tot een beslissing komen ; daarom riep hij de goden bijeen, om hierover te beraadslagen en om hem met hun raadgevingen terzijde te staan. De eerste voorslag, die hem gedaan werd, was om de wereld door vuur te vernietigen, ontstoken door Jupiters gevreesde bliksemflitsen ; en de koning der goden was juist op het punt, dit onmiddellijk ten uitvoer te leggen, toen zijn arm werd tegengehouden door de bedenking, dat de opstijgende vlam men zijn eigen verblijfplaats zouden kunnen in brand steken en de pracht dier goddelijke woning zouden kunnen terugbrengen tot een onoogelijken puinhoop. Op dien .grond verwierp hij dit plan als onuitvoerbaar en verzocht hij den goden andere wijzen van vernietiging te beramen. 

Na veel dralen en ernstige besprekingen kwamen de onsterfelijke goden tot overeenstemming en besloten zij de menschheid van de oppervlakte der aarde weg te spoelen door een ontzettenden watervloed. Aan de winden werd de opdracht gegeven de regenwolken'over de aarde te verzamelen. Neptunus liet de golven der zee los en beval ze te rijzen en het vaste land te overstroomen. Nauwelijks hadden de goden gesproken, of de elementen gehoorzaamden : de winden waaiden, de regen in stromen neer, meren, zeeën, rivieren en oceanen verbraken hun boeien ; en dè verschrikte stervelingen, die nu hun nietige twisten vergaten in een gemeenschappelijke aandrift, den dood te ontvluchten, die hen bedreigde, bestegen de hoogste bergen, klampten zich vast aan ontwortelde boomen en zochten zelfs een toevlucht in de lichte scheepjes, die zij in gelukkiger dagen hadden gebouwd. Hun pogingen waren echter alle vruchteloos ; immers de wateren stegen al hooger en hooger, overstroomden hen achtereenvolgens in hun vruchtelooze pogingen den dood te ontkomen, bedekten de woningen, waarin zij zoo gelukkig hadden kun nen zijn en smoorden hun laakte wanhopige kreten in de kokende diepte.  Ovidius bezingt dit aldus : 

„Geen berg of dal is meer te onderscheiden. Geen bloeiend landschap kan meer' 't oog verblijden En bijna al wat leeft, vindt in den vloed den dood." 

Voortdurend bleef de regen vallen, totdat na verloop van langen tijd de golven de geheele oppervlakte der aarde bedekten, behalve den top van den Parnassus, den hoogsten bergtop in Griekenland. Op dien berg stond, omgeven door den nog altijd stijgenden vloed, de zoon van Prometheus, Deucalion, met zijn trouwe gade Pyrrha, een dochter van Epimetheus en Pandora. Van dien berg Parnassus af overzagen zij, de eenigen, die de ramp hadden oyerieefd, de algemeene verwoesting met oogen, door tranen beneveld. 

In weerwil van de algemeerfe verdorvenheid was het leven van dat paar altijd rein en deugdzaam geweest ; en toen Jupiter, de koning der goden, hen daar alleen zag staan en zich hun vroomheid herinnerde, besloot hij hen niet te doen deelen in\de algemeene verwoesting, maar hen in'het leven te laten. Daarom, droeg hij de winden op, in hun hol terug te keeren en beval den regen, op te houden. Tengevolge van dit besluit liet Neptunus een luid klinkend geschal op zijn zeehoren hooren, om de ver verspreide golven terug te roepen, die onmiddelijk binnen haar gewone grenspalen terugkeerden. 

Deucalion en Pyrrha, de eenig overgeblevenen op de aarde, volgden de terugkeerende golven stap voor stap langs de steile helling van den berg.  Het was overal groote verwoesting wat hun oog aanschouwde. 

„Wel was na korten tijd het water weer verdwenen. Maar treurig was het beeld, door 't zonnelicht beschenen. 

Ontzet was de natuur bij d' aanblik, dien zij bood, Een woestenij gelijk, een stilte van den dood." Zoo schrijft Ovidius.

Terwijl zij er over spraken, hoe zij weer de bewoonde aarde zouden bevolken, kwamen zij bij den tempel van Delphi, de eenige plek, die in staat was geweest, weerstand te bieden aan het geweld der golven. Zij traden den tempel binnen, om de goden met betrekking tot hun wenschen te raadplegen. Tot hun groote verbazing hoorden zij een stem, die zeide : „vertrekt van hier met gesluierde hoofden en werpt de beenderen uwer moeder achter u." Eerst begrepen zij niet, wat met deze orakeltaal bedoeld werd en het leek hun onmogelijk en ook heiliigschennis de beenderen hunner moeder op te graven. Maar al spoedig begreep Deucalion wat er mee bedoeld werd en hij zei tot Pyrrha : de aarde is de moeder van allen en de steenen kunnen worden opgevat als haar beenderen.

Man en vrouw besloten nu in overeenstemming met die opvatting aan de stem der goden te gehoorzamen en verder gaande wierpen zij steenen achter zich. Alle steenen, door Deucalion neergeworpen, veranderden onmiddeliijik in mannen, die door Pyrrha geworpen, veranderden in vrouwen.

Zóó werd de aarde ten tweeden male bevolkt met een onschuldig menschenras, gezonden om de goddelooze wezens te vervangen, ', dié door Jupiter waren, verslagen.

Andere fabeldichters verhalen bij de behandeling dezer verschillende mythen over den zondvloed, dat Deucalion en Pyrrha een schuilplaats zochten in een ark, die, na verscheidene dagen te hebben rondgezwalkt op den top van den berg Parnassus strandt. Is bet wonder, dat een dichter uitriep :

„Vvie kent niet in den naam Deucalion Toen de aarde haar volk, de zee haar strand niet redden kon, Den ouden Noach weer I"

(Wordt voortgezet).

Den moed verliezende?

Het gaat den modernen in onze Hervormde Kerk nu niet bepaald naar den vleesche. En de moed gaat er wel een beetje bij hen uit. Dat zeggen we niet, om nu onze tegenstanders in het kerkelijk leven, die den Christus der Schriften loochenen en het Evangelie des Kruises vervalschen, als .overwonnen te gaan beschouwen.

Want dat zou heel onverstandig zijn.

Ze gaan we! bij massa weg, in Utrecht, Doetinchem, Arnhem, Sliedrecht, Leiden, enz. enz. Maar daarmee zijn we nog lang niet waar we wezen moeten.

Toch gaat er de moed uit bij de Vrijzinnig-Hervormden.

Dat blijkt ook we! uit een ingezonden stuk in het „Weekblad voor de Vrijz. Hervormden" van 9 Dec. jl.

Daar schrijft iemand (naam en plaats worden niet genoemd, maar het is blijkbaar iemand van de oude garde uit Boskoop) dat zijn hart tot spreken dringt. En hij schrijft dan :

„Niet uit leeftijdspessimisme, doch op grond van hetgeen ik waarneem, begin ik te wanhopen aan de vrijzinnig-godsdienstige richting, in, welk kerkgenootschap dan ook. Als ik goed zie, heeft die richting niet ingeslagen, ja, ik zou haast zeggen, fiasco gemaakt.

Om mijn droevige meening toe te lichten, wil ik mij bepalen tot de provincie Zuidolland. Het in kerkelijk-protestantsch opzicht beruchte Noord-Holland is mij niet bekend, ook niet, wegens het nooit eens ronduit in de bladen vertellen, hoe het zit met die onkerkelijkheid, ongeloovigheid of onverschiiigbeid der Noord-Hollanders, een soort struisvogel-politiek, welke niet langer gehandhaafd moest worden.

Opgevoed in een Z.-H. dorp, waar een der eerste en meest geprononceerde, maar evens een der ernstigste en ijverigste moderne predikanten stond in de Ned. Hervormde Kerk, naast een der zachtzinnigste, eminentste dominee's van dezelfde richting bij de Remonstranten, herinner ik mij wel,

Hoe de opkomende nieuwe leer enkelen afstiet, doch het overgroote deel bleef de predikanten getrouw en eerst na jaren kwam er een embryo evangelisatie. De groote kerk was des Zondagsmorgens bijna gevuld met een aandachtig gehoor, dat luisterde naar een godsdienstige rede van 1 uur, zonder buitengewoon georgel. Des middags om 2 uur gingen velen weder op onder 't gehoor van den onvermoeiden dominee, waar 100 toehoorders voor een middagbeurt geacht werden niet veel te zijn. Ook de tweede der feestdagen en 's winters de Woensdagavondbeurten trokken nog voldoende hoorders. De vooraanstaanden uit de gemeente en ook de heldere denkers ontbraken niet.

Steeds waren in de gemeente vrijzinnige predikanten, doch wat verschil na 40 jaren. De voorname zooeven genoemden, of hun kinderen en kleinkinderen „doen er niet meer" aan, de eenvoudigen zijn allen orthodox geworden en ondergebracht in 2 bloeiende evangelisaties, zoodat een klein getal getrouwen de enkele, korte godsdienst oefeningen met veel afwisseling van zang en orgel blijven bezoeken. Zoo in de Ned. Herv. Kerk, zoo in de kleine Remonstrantsche gemeente."

Hij vervolgt dan, dat naar zijn oordeel de preeken grootendeels verstandsbetoogen zijn en dat de meesten van het toch al zoo kleine aantal er niets aan hebben. En hij zegt dan verder :

„Ik bepaal mij niet tot mijn geboorteplaats, waar in 40 jaar de minima-maxima thermometer omsloeg van maximum modern tot maximum orthodox op kerkelijk gebied. Zoo kende ik voor 40 jaar Leiden, waar geliefde predikers als ds. Knappert en ds. Hagen veel toehoorders hadden en door tal van eenvoudige lieden als geestelijke vrienden in huis werden ontvangen. Hoe is' 't nu met de vrijzinnige richting in de steden Leiden, Gouda, Den Haag, enz. ?

Van de Zuid-Hollandsche dorpen, waar bijna zonder onderscheid de orthodoxie heerscht of veld wint, zou ik kunnen mededeelen van over-bezochte preekbeurten van duizend of meer toehoorders. Juist dezer dagen werd mij medegedeeld, dat in een dier dorpen voor 25 jaar een gematigd modernpredikant stond ; nu een van den Gereformeerden Bond. Toen bracht de diaconiecollecte f 3 per beurt op, nu soms over de f 200 ; „doch", zei de orthodoxe diaken er bij, „onze dominee bezoekt de uitgebreide gemeente zeer ijverig te voet of per fiets".

De inzender eindigt dan aldus :

„De geschiedenis der laatste 50 jaar is ook daar om er op te wijzen, dat de vrijzinnige richting niet inslaat en gedoemd is te verdwijnen en op te gaan in orthodoxie voor de meerderheid en atheïstische politieke clubs voor het overige deel.

Wat waren er in midden Zuid-Holland vroeger tal van Remonstrantsche gemeenten in de dorpen. Verdwenen zijn ze in Moordrecht, Bleiswijk, Zevenhuizen, Hazerswoude, Alphen en de nakomelingen der leden zijn orthodox, evenals velen der oude Remonstranten in de nog bestaande kwijnende gemeenten."

» Wij zouden zoo zeggen, a: ls 't hier iemand uit Boskoop is die zoo klaagt, laten de modernen uit de Herv. Kerk dan maar hun intrek nemen bij de Remonstranten, dan kunnen ze samen misschien nog één beurt op een Zondag dragelijk vol maken. En laten ze dan aan de orthodoxen uit „.de twee bloeiende evangelisaties" eens een kans geven in de Herv. Kerk ; waarbij het meer dan waarschijnlijk is, dat het dan beter zal gaan

De aap uit de mouw.

In Amsterdam, waar het met de kerkelijke verkiezing nu niet zoo heel mooi is afgeloopen ditmaal, heeft zich een eigenaardig geval voorgedaan. De Vrijzinnig-Hervormden hebben zich nog al geroerd ; gelukkig zonder succes. En bij dien ijver om den buit te mogen binnenhalen, hebben ze o.a. een groote advertentie gepiaatst in het socialistische dagblad Het V o l k, van den volgenden inhoud :

DE HERVORMDE GEMEENTE TE AMSTERDAM

is in handen van de uiterst reactionaire elementen. Daardoor staat deze Gemeente vreemd tegenover de groote vragen van den nieuwen tijd.

Brengt hierin verandering door op

DINSDAG 6 D E CEMBER a.s.,

bij de verkiezing als é é n m a n te stemmen op

No. 1 van de lijst

der Vereeniging van Vrijzinnige Ned. Hervormden en de Vereeniging van Evenredige Vertegenwoordiging.

DE GEZAMENLIJKE BESTUREN.

De vrijz. Hervormiden hebben ten laatste dus hun hoop gevestigd op de socialisten. Die moeden de Hervormde Gemeente van Amsterdam redden.

Is het niet treurig ?

En hebben de modernen zich niet leelijk in de kaart laten kijken ?

 

 

 

 

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's