De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.

IX.

Wij hebben met opzet zoo breed weergegeven wat de heidenen in mythen en fabelen leeren aangaande schepping, zondeval, zondvloed, enz., waarbij we dankbaar gebruik hebben gemaakt van het mooie, rijk geïllustreerde boek : , , De mythen van Griekenland en Rome" door H. A. Guerber. (Uitgave van W. J. Thieme & Cie te Zutphen).

We hebben dat gedaan, om onzen lezers, die niet altijd zoo gemakkelijk in staat zijn zich op de hoogte te stellen van de scheppingsverhalen der heidenen, eens iets omtrent deze dingen voor te leggen, opdat ze met ons zullen zien en zeggen, dat de heidenen, die óók in Adam hun vader vinden, en óók uit Noachs huis zijn voortgekomen, door' den éénen waren God hoe langs hoe meer te verlaten in de duisternis zijn gekomen, om allerlei fabelleer te gelooven, hoewel ze de indrukken van den waren God nog in zich omdragen.

Vandaar dat de heidensche verhalen zoo in vele dingen gelijken op hetgeen de Schrift pns leert. Maar wat staat onze Bijbel veel hóóger dan de boeken der heidenen, zoo vol van verzinsels der verdwaasde menschenkinderen, die van Gods geslacht zijnde, Hem niet in erkentenis hebben gehouden.

Met die heidensche, paganistische verhalen, houdt ook de wetenschap dikwijls ver­ band. Oudere en nieuwere wijsgeeren toch kunnen er maar niet toe komen om den Heere te erkennen als de Schepper van alle dingen. Wat de Schrift ons verhaalt, kunnen zij niet aanvaarden. Zij hebben andere verklaringen, en de stof, de stoffelijke atomen (ondeelbare stofdeeltjes) die zich dan volgens genoemde wijsgeeren naar vaste wetten scheiden en verbinden, nemen niet zelden een breede plaats in, en moeten heel de wereld verklaren.

En ja, als de wereld niet door schepping is ontstaan, moet ze er natuurlijk op andere wijze gekomen zijn ; en dan is de keus tusschen : de stof uit den geest, of de geest uit de stof ; pantheïsme of materialisme, alles geest of alles stof. Hoe uit den geest de stof is voortgekomen (pantheïsme) blijft dan natuurlijk onverklaarbaar. Maar evenzeer blijft onverklaarbaar, hoe de geest uit de stof zou zijn gekomen (materialisme). Men gebruikt dan wel het woord „eeuwig", maar men zit er eigenlijk mee verlegen. Want wat is eeuwige stof, wat is eeuwige geest, in hel stelsel van de ongeloovige wijsgeeren ? Men weet het niet, men kan het niet verklaren.

Bovendien zou er dan een eeuwige beweging moeten zijn, een perpetuum m o b i 1 e, zooals men dat noemt. Maar dat ware dan toch wel een wonder ! En grooter wonder is dan nog, dat uit een eeuwige beweging een wereld, hemel en aarde, boom en plant, mensch en beest voortkomt.

Wie gelooft nu, dat uit zich bewegende wieletjes, stiftjes, schroefjes, een fijn bewerkt horloge voortkomt?

Wie gelooft nu, dat op de drukkerij bewegende letters, punten, streepjes, komma's een schoon verhaal of fij.n gevoeld gedicht worden ?

En dan zou hemel en aarde, boomen en planten en bloemen, menschen en beesten uit draaiende stofdeeltjes in elkaar zijn gezet — zonder een Almachtigen, Alwijzen Schepper ?

Dan zou uit stof een zedelijke, geestelijke wereld zijn voortgekomen ?

Wie het gelooven wil, die geloove het, maar wij houden het met de Christelijke Kerk van.alle tijden en plaatsen, zeggende : ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

Is het Christendom hierin zoo dwaas, in vergelijking van de in eigen oogen zoo wijze wereldsche, ongeloovige wetenschap ?

Wij meenen van neen !

Want waar ieder behoefte heeft aan verklaring van het bestaande en onderzoekt naar den oorsprong der dingen, daar belijdt het Christendom, dat de schepping te verklaren is, uit die daad Gods, waardoor Hij naar Zijn Souvereinen wil heel de wereld uit het niet-zijn gebracht heeft tot het zijn.

Aan God was niet de stof, de eeuwige stof, gegeven om die te bewerken of te fatsoeneeren. Want dan zou de Heere met het maaksel van een ander hebben moeten werken, om er iets van te fabriceeren. Doch dat is niet het geval. Dan zou de Heere niet vrij gestaan hebben tegenover het geschapene, evenmin als de timmerman, wanneer hem een bepaald soort hout gegeven wordt, om er van te maken wat 'hij wil. Hij is dan aan dat hout zóó gebonden, dat hij alleen maar maken kan wat van dat hout, dat hem gegeven is, te maken valt.

Maar zoo is het niet bij de schepping.

Dan vindt de Heere niet iets, dat buiten Zijn toedoen er is. Neen ! uit het niet-zijn komt alles wat er is, door de vrijmachtige scheppingsdaad Gods ; en zoo staat God, de Almachtige, ook verre, oneindig, boven alle creatuur ; en heeft alles wat bestaat dat bestaan aan Hem te danken, Die spreekt en het is er. Die gebiedt en het staat er. „Hij heeft alle dingen geschapen en door Zijnen wil zijn zij en zijn zij geschapen."

, , Hij roept de dingen die niet zijn, also! zij waren."

, , Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen." (Ps. 33 : 9, Openb. 4:11; Rom. 4 : 17 ; Rom. 11 : 36).

Leert de Christelijke Kerk zoo, dat God alle dingen uit niets heeft voortgebracht, Aristoteles - zei : uit niets ontstaat niets. Waarin Aristoteles geen ongelijk heeft. Maar de Christelijke Kerk belijdt ook niet, dat uit niets zoo maar iets voortkomt. Want zij gelooft juist, dat God Almachtig hier als de Souvereine God heeft ingegrepen. Alle dingen zijn uit God. Maar de Christelijke Kerk belijdt dan, dat God niet wat nu is gemaakt heeft uit iets dat er was, maar dat Hij alles heeft geschapen, terwijl er niets was.

Zoo brengt ook onze Bijbel alles terug tot Eén, tot God. Geest en stof zijn uit Hem ; en de eenheid ligt in Gods bewustzijn, in Zijn wil, in Zijn raad. .

In den beginne was dan ook niet de onbewuste kracht, niet de vormlooze stof. Maar in den beginne* was God. Het bewuste Woord, dat alle dingen in het aanzien riep.

De eeuwige God heeft alle dingen geschapen.

Door een bewuste, vrijmachtige, alwijze daad.

Want de wereld is niet uit de Godheid gevloeid, zooals het water over de volle bron uitvloeit naar buiten, en een beek vormt. Zij is ook niet als een vonk uit de Godheid gespat, zooals de vonk uit het haardvuur spat.

Dat is beneden de zelfstandigheid Gods.

De schepping is een vrije daad Gods. „Zijn god'lijke almacht spreekt en 't is er, Zijn wil geibiedt en 't wordt terstond." Hemel en aarde, uitspansel en wolken, bergen en stroomen, zon en maan en sterren, gras en kruid, kruipend en viervoetig gedierte — 't komt alles op Gods tijd door Zijn scheppende daad, op het woord van Zijn almachtigen wil, door Hem uit het niet-zijnde voortgebracht. Hij formeert alles door den adem Zijns Geestes en Hij kroont Zijn werk met de schepping van den mensch naar Zijn beeld en gelijkenis.

Alles dus van Goddelijke afkomst, aan den Zoon verwant, door den Geest bezield; alles berustend op gedachte en wil, op verstand en raad ; en daarom ook alles onderling verwant, een harmonische wereld, die haar kroon en sieraad, haar heer en gebieder ontvangt in den mensch van Gods geslacht.

(Wordt voortgezet).

De Hervormden en de Vrije Universiteit.

Men zal zich herinneren, dat wij de vraag hebben gedaan, — niet voor de eerste maal nu — of de Vrije Universiteit niet kon ophouden een Hoogeschool voor de menschen uit de Geref. Kerken te zijn, om te worden een Hoogeschool op Gereformeerden grondslag voor de geloovigen in dezen lande, die saam zich scharen rondom Gods Woord, die saam leven uit de Gereformeerde, echtreforniatorische beginselen.

„De Heraut", „De Bazuin", „De Reformatie", „De Wachter" ook even, zijn op deze vraag ingegaan, ieder op andere manier weer ; maar het resultaat is zoowat het zelfde. De dingen zullen wel blijven, zooals ze zijn. De Vrije Universiteit verlaat de plaats, waarop zij in het midden van de Geref. Kerken groep staat, niet. „De Reformatie" zegt : laten de Hervormden het eerst onder elkaar maar eens eens worden."

., De Heraut" zegt : de Theologische Faculteit staat in den weg. „D e B a z u i n" zegt : 't Zou nog niet zoo kwaad zijn, maar 't kan toch niet. „De Wachter" vindt wel niet, dat „De Heraut" in alles gelijk heeft, maar er kan toch niets van komen, om met de Hervormden saam te gaan.

't Is dus nul op 't request. Men legt onze „enkele platonische wenschen" eigenlijk naast zich neer.

Laat ons hier iets aanhalen uit hetgeen „, De Heraut" geschreven heeft.

„De bedoeling", zoo schrijft prof. dr. H. H. Kuyper in „De Heraut", „dat de Vrije Universiteit niet voor een bepaalde Kerkengroep, maar voor heel de natie tot zegen zou zijn, heeft van meet af bij haar stichters voorgezeten. Zelfs is het bekend genoeg, hoe aanvankelijk de bedoeling geweest is, om haar een Christelijk karakter te geven, zoodat ook van niet-gereformeerde zijde medewerking kon worden verleend. Het is de weigering geweest van ethische zijde, die gemaakt heeft, dat de Universiteit op de engere basis van de Gereformeerde beginselen is komen te staan. Maar ook al sloot zij zich daardoor bij de G e r e f o r m e e r-d e n aan, haar doel was en bleef toch om een nationale Universiteit te zijn, in zooverre het Gereformeerde de nationale grond trek van ons volk eeuwen lang is geweest, en allerminst was haar doel alleen voor een bepaalde groep van Gereformeerden dienst te doen. Ze wilde niet in dienst van den Staat, maar ook niet in dienst van een bepaalde kerk staan. Ze wilde, om nu in de taal van Groen te spreken, voor heel de Gereformeerde gezindheid tot een point de ralliement, tot een punt van vereeniging worden.

, , Dat door den gang der historie dit groot sche doel, waarmede de Vrije Universiteit is opgezet, niet tot uitvoering is kunnen komen, is bekend genoeg. Aan wien hiervan de schuld te wijten is, is een vraag, die we thans in 't midden kunnen laten. Als men trachten wil over én weer tot toenadering te komen, kan men die vraag uit het verleden' veilig laten rusten. Bovendien geldt ook hier, dat binnen en buiten de muren gezondigd is. Waar kerkelijke hartstochten in het spel komen, is dit gewoonlijk het geval. Maar hoe men hierover denken moge, feit is, dat door de geweldige kerkelijke crisis van 1886 het scheepke van de Vrije Universiteit is meegesleurd en allengs steeds meer in de wateren der Gereformeerde Kerken is gaan varen. Met de breede groep yan Gereformeerden buiten dezen kring was bijna elk contact verbroken.

„Het is bekend, dat dr. A. Kuyper, de stichter der Vrije Universiteit, hierin wel een gevaar zag en zelfs toen hij op den Universiteitsdag te Haarlem zijn rede hield over de Universiteit als geloofsstuk, daartegen gewaarschuwd heeft. Ook de „Heraut" is nooit voor dit gevaar blind geweest en we hebben er ons in verblijd dat prof. Anema in zijn onlangs verschenen tijdwoord aan ons Gereformeerde volk („Onze Tijd en onze Roeping", uitgave Drukkerij Libertas, Rotterdam) met beslistheid heeft uitgesproken, dat de Vrije Universiteit ook bij de benoeming van haar professoren er mee rekening had te houden, dat buiten onze Gereformeerde Kerken een breede groep van Gereformeerden is, wier steun en sympathie we behoeven.

„Nu de oprichting van een Roomsche Universiteit, die weldra te wachten is, de aandacht opnieuw op dit vraagstuk heeft gevestigd en de vraag met klem aan de orde heeft gesteld, of het niet noodig is, dat tegenover deze Roomsche Hoogeschool, die zeker met keur van geleerden zal optreden en over groote fondsen zal beschikken, een Hoogeschool wordt gesteld, levende uit de reformatorische beginselen, beschikkende over alle wetenschappelijke krachten in den Gereformeerden kring en gesteund door aller gebed en gaven, — kan daarop onzerzijds geen ander antwoord worden gegeven, dan dat ook ons geen ideaal liever is en vve gaarne alles zullen doen om daartoe mede te werken. Het is zelfs geen geringe oorzaak van voldoening, dat van de zijde van de „Waarheidsvriend" zoo beslist hierop wordt aangedrongen. 

, , Toch dient wel te worden ingezien, dat met het uiten van enkele platonische wenschen men er niet komt. De groote vraag is zelfs, hoe practisch aan deze wenschen een uitwerking kan worden gegeven. En daarbij rijzen van zelf tal van vragen op, die voor publieke bespreking niet eens alle vatbaar zijn. Reeds vroeger is dat bij een discussie over dit onderwerp tusschen de , , Waarheidsvriend" en ons gebleken. Indien door den invloed van den redacteur van de , , Waarheidsvriend" een comité zou kunnen gevormd worden of het Bestuur van den Gereformeerden Bond'zich in ófficieele relatie zou stellen met de Vrije Universiteit, zou dit o.i. de meest aangewezen weg zijn."

„De Heraut" wijst dus aan, dat het bij de oprichting van de Vrije Universiteit niet de bedoeling geweest is terecht te komen in de wateren waarin men nu vaart, maar dat in 1886 het scheepke van de V. U. is meegesleurd en allengs steeds m e e r in de wateren der Geref. Kerken is gaan varen. Met de breede groep van Gereformeerden buiten dezen kring was bijna elk contact verbroken.

Dat dachten wij óok.

En omdat dit zoo is — we zijn blij dat „de Heraut" dit volmondig toestemt — zouden wij het zoo gaarne anders zien worden. Vandaar onze ernstige vraag, waar degenen die hierin van elkaar gescheiden zijn, elkaar op zoo menig ander terrein telkens ontmoeten.

Nu spijt het ons natuurlijk, als „de Heraut" hier spreekt van .enkele platonische wenschen."

Dat is zoo iets — in dit verband — van : „wij zitten nu eenmaal knusjes hier in onze Vrije Universiteit en nu moet je niet denken, dat we om een praatje van de Geref. broeders in de Herv. Kerk de deur zoo maar openzetten, daar is nog wat anders voor noodig, dan een artikeltje in „De Waarheidsvriend."

Wat „de Reformatie" dan nog eens accentueert.

„De Heraut" schuift daarbij de Theologische faculteit naar voren ; en zegt, dat daar een schier onoverkomelijk bezwaar ligt.

„De Heraut" zegt :

„Een der grootste moeilijkheden van het vraagstuk ligt toch in de positie der Theologische faculteit. Niet eerst later, maar van meet af is door de stichters der Vrije Universiteit uitgesproken, dat er tusschen de Theologische faculteit en de Kerk een verband behoort te bestaan. Trouwens van Calvijn af heeft daarover nooit verschil van meening onder de Gereformeerden bestaan. Onze Gereformeerde vaderen hebben ook in de 16e en 17e eeuw op zulk een verband tusschen de Theologische faculteit en de geïnstitueerde Kerken steeds aangedrongen. Zon der zulk een verband zou de waarborg ontbreken om de opleiding van de a.s. dienaren des Woords aan de Hoogeschool toe te" vertrouwen. Dat de Vrije Universiteit bij haar eerste optreden zulk een verband met de Kerk niet gezocht heeft, is juist. Ze kon daartoe zeker niet bij de Synode der Hervormde Kerk aankloppen en evenmin wilde zij dit toen doen bij de Synode der Christelijk Gereformeerde Kerk, omdat deze haar eigen Theologische School had, waar haar a.s. dienaren des Woords werden opgeleid. .iVlaar zoodra de Gereformeerde Kerken, uit de beweging der Doleantie voortgekomen, waren geïnstitueerd en de Vrije Universiteit voor de opleiding van de a.s. dienaren des Woords dezer Kerken te zorgen kreeg, werd een verband gelegd, dat een toezicht van de Kerken op het onderwijs waarborgt.

„Bedoelt nu „De Waarheidsvriend" — om slechts deze ééne vraag openlijk te stellen '— dat door de Vrije Universiteit dit verband, dat uitsluitend de Theologische faculteit geldt, zou verbroken moeten worden ? De vraag is natuurlijk niet, of elke bepaling, in het contractueele verband met de _ Gereformeerde Kerken gesloten, ongewijzigd zou moeten blijven. Zulk een contract is geen wet van Perzen en Meden. Maar wel is de vraag, of de bedoeling van „De Waarheidsvriend" is, dat de Vrije Universiteit, wat haar Theologische faculteit betreft, zich geheel los zou moeten maken van de Gereformeerde Kerken en alleen tot dien prijs de medewerking van de Gereformeerden in de Hervormde Kerk zou kunnen worden verkregen. Dit is, naar het ons voorkomt, een der meest belangrijke vragen."

We, kunnen begrijpen, dat „De Heraut"' de Theologische faculteit naar voren schuift en aanstonds vraagt: of wij. Hervormden, dan zouden eischen, dat het contract tusschen de Theologische faculteit en de Gereformeerde Kerken zou moeten worden verbroken.

Maar is het nu verstandig, om dit kruidjeroer—me-niet vooruit te schuiven en te zeggen, déór moeten we 't nu eerst In alles met elknar eens zijn, anders kunnen wij niet verder gaan. „De Heraut" die weet, dat er ook nog zoo iets als een kwestie tusschen Amsterdam en Kampen, wat deze zaak betreft, bestaat, welke' kwestie bewezen heeft, dat men-zelfs in eigen kring niet in staat is, om deze zaakjes zoo gauw op te lossen, had het nu niet van dézen kant, maar meer van den breeden kant moeten aanpakken.

Wij, voor ons, zouden er niet aan denken om aanstonds den eisch te stellen, dat het contract tusschen de Theologische faculteit der Vrije Universiteit en de Gereformeerde Kerken moet worden verbroken.

We zouden over de opleiding van onze a.s. Hervormde predikanten en alles wat daarmee samenhangt, afzonderlijk willen handelen.

En bij óns. Hervormden, en bij de Gereformeerde Kerken bestaan in deze zulke eigenaardige verhoudingen, dat dit onmogelijk en passant er maar bij genomen kan worden. 

Men kan dat betreuren, maar het feit ligt er nu eenmaal, dat het zoo is. En de Gereformeerde Kerken moeten den Hervormden, en de Hervormden moeten den Gereformeerden Kerken in deze nu maar eens geen verwijten doen.

Wij hebben de vraag om mogelijke samenwerking van alle Gereformeerden inzake het Hooger Onderwijs gesteld, allereerst denkend aan die faculteiten, die met liet breede, publieke leven in zoo nauw verband staan.-

., De Heraut" vraagt hierbij ook : zou het financieel geen nadeel geven, als de band met de Gereformeerde Kerken en de Vrije Universiteit verbroken wordt. Zouden er dan uit den kring der Gereformeerde Kerken niet minder bijdragen komen en zou dat v»el worden vergoed door de bijdragen der Hervormden ?

Natuurlijk, als men in den kring der Gereformeerde Kerken de mogelijke samenwerking zóó opvat, dat het daar verkoeling zal geven, terwijl van die stumperds van Hervormden tóch maar een luttel bedrag is te verwachten — ja, als men zóó tot deze zaak, welke wij voorstelden, nadert, dan is het maar het beste om er verder niet over Ie praten. Wij dachten natuurlijk, dat als men de noodzakelijkheid en de nuttigheid van een zaak voelt, dat de financiëele bijdragen zouden vermeerderen bij de Gereformeerde Kerken en dat het misschien bij de Hervormden niet zou tegenvallen. Maar als men meent, dat de Gereformeerde Kerken dan losser zouden komen staan van de Vrije Universiteit en de financiëele bijdragen misschien dan voortaan b.v. naar Kampen zouden zenden — ja, dan moet men het niet doen.

Maar het dan ook maar zeggen.

En voortaan niet meer doen alsof men de Vrije Universiteit zoo graag toch ook als een Hoogeschool voor de Hervormden zou willen maken. Wil men dus samenwerking op gelijke voorwaarden, ja of neen ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's