De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OVERDENKING BIJ DE WISSELING DES  JAARS.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OVERDENKING BIJ DE WISSELING DES JAARS.

6 minuten leestijd

»Heere, maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij ; dat ik wete, hoe vergankelijk ik ben !« Psalm 39 vers 5.

Zoo ligt het lange, korte Oude Jaar dan weer achter mij, en een Nieuw Jaar wendt zich tot mij, en neemt mij bij de hand, en noodigt mij uit, van nu af in zijn gezelschap de levensreize te vervolgen, dat kleine reisje, dat begon bij de wieg en waarvan het einde het graf wezen zal. Duizenden en nog eens duizenden van menschenkinderen volbrachten tot op heden dezelfde woestijnreis als ik, en schrijden met mij over den dorpel van Oiid en Nieuw heen ; doch ook duizenden bij duizenden staakten de reis bereikende de plaats hunner bestemming, n.l. het graf ; en over hun ziel heeit de Heere beslist, de Hooge Rechter van hamel en aarde, Hij, bij Wien geen onrecht gevonden wordt.

Wanneer we het leven der menschenkinderen op de aarde gadeslaan, en we bedenken, dat aan de vruchten de boom wordt gekend, o, dan vreezen we voor veler lot, want de mensch in het algemeen vestigt niet den indruk, dat hij God zoekt, dat hij zijn Schepper bemint, dat 's Heeren eer hem meer waard is dan zijn eigen eer. Helaas ! neen ! want droef, zeer droef zijn de gevolgen van Adam's val in het paradijs, waar hij van God afviel, en den booze toeviel.

Mijne lezers, mede-reizigers, mede-zondaren, wanneer de Almachtige Koning den dood naar u toegezonden had, waar zou uw ziel thans zijn, in de oorden der storelooze vreugde, of daar, waar wel tranen worden gestort, maar niet gedroogd, waar verlorenen eeuwig zuchten, doch niemand komt, die ilegt hun schreiend hoofd tegen zijn borst, sprekend van moed en uitkomst, en meebrengend balsem voor zielesniart ?

Ook ons einde is straks daar, ook wij zullen voor de vierschaar des Heeren straks verschijnen, ook onze ziel zal over korten of langen tijd haar eeuwig, onveranderlijk vonnis uit den mond des Heeren Heeren vernemen. Hoe zal het zijn ?

O wat mogen we onszelf toch wel gelukkig achten, dat we ons nog in dit kostelijke heden der genade bevinden ; want nu wonen we nog in een land, waar de Heere nog hoort naar den boeteling, die voor Hem nederknielt, en waar de Heere Zijne goedertierenheid nog vermenigvuldigt over ons, Adamszonen en dochteren, en waar Hij, voor Wien er niets te groot en te wonderlijk is, ons nog van mogelijke valsche gronden kan afvoeren, indien wij ons huis tot nog toe vestigden op een fundament 't welk Christus niet is.

Onderzoekt u zelf toch, mijne lezers, want ook wij zijn niet sterker dan de andere menschen, ook wij bezitten geen macht den koning der verschrikking van ons af te houden ; ook ons betaamt het, 't lied van den vromen zanger des Ouden Verbonds in het hart en op de lippen te nemen :

Gedenk, o Heer , hoe zwak ik toen, hoe kort van duur; Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur ; Zou 't menschdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen ? Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen ? Wie redt zijn ziel van 't graf ? Ai, help ons, als tevoren, Gelijk Gij bij Üw trouw aan David hebt gezworen.

Waarlijk, lezers, wanneer dat lied ons aller hartetaal wezen mocht, neen, dan behoefden we niet angstig een wederom vervlogen jaar na te staren en te zuchten: „Hoe snel vlieden de jaren, hoe kort mag ik slechts vertoeven op een wereld, waarop ik gaarne eeuwig blijven zou !" De Christen, niet waar ? èezit een beter vaderland, hij weet, waar zijn reize heenleidt, en dat hij eenmaal daar, waar geen tijd meer wezen zal, zal juichen voor den troon van zijn dierljaren Immanuël.

* * * Het heengesnelde Oude Jaar was geen aangenaam jaar voor de menschenwereld in het algemeen. Nog steeds zuchten we onder de gevolgen van die dwaze menschendaad, den dusgenaamden wereldoorlog. O zeker, die oorlog was een oordeel des Heeren, maar dat .neemt niet weg de mensch begon hem toch, meenen daardoor de wereld te verbeteren, doch er zal misschien 'n eeuw noodig zijn, voor we zijn, waar we vóór den oorlog waren. Hieraan kunnen we zien, hoe de evolutie-theorie in strijd verkeert met de feiten zelve. De mensch wandelt zoetjesaan voorwaarts naar een beteren tijd. Langzaam gaat het, maar eenmaal kamt zij toch, de wereld van geluk, met een edelaardig menschengeslacht, dat niet meer vecht en raast, en tiert, maar dat in liefde en vrede met elkaar leeft, en slechts door zeer hooge aspiratie's gedreven wordt. Zoo droomt de mensch, die met God en Zijn Woord geen rekening houdt zijn geluksdroom. Eeuwen her droomde de mensch reeds van een betere wereld, maar we zijn er nog niet. De geschiedenis van den mensch op de aarde staat meer in het teeken van de degeneratie dan van de evolutie, op ontaarding gelijkt 't meer dan op gestadigen voortgang in de goede richting. Een verward staatstooneel aanschouwden onze oogen in het Oude Jaar; een ongelukkig imenschdom bewoonde de aarde, en schier geen huisgezin, of Vrouw Zorg had er intrek genomen ; en moord, diefstal, onzedelijkheid waren aan de orde van den dag. Waarlijk we kunnen moeilijk met genoegen op den voorbijgeganen tijdkring neerzien. Men zou blind moeten zijn, om te jubelen : „Hoe schoon hetgeen achter ons ligt !" —Neen, alles predikt ons: „Mensch, gij kunt zelf buiten uw God om niets tot stand brengen, dat waarlijk goed te noemen is 1" Zoo ooit, dan komt er thans sprake tot ons, die ons raadt : „Keert weder tot den Heere ! Mensch gij hebt God tegen, en alleen in den wederkeer tot den Heere hebt ge heil te verwachten !"

Hij, wiens verstand bestraald werd door het goddelijk genadelicht des Heiligen Geestes, hij beziet ook het Oude Jaar van het hooger standpunt, door de oogen van den onfeilbaren Bijbel, dat boek, dat nimmer loog, en altijd het goede met ons voorhad, en dat Gods getuigenis is, eeuwig zeker, den slechten wijsheid gevend. En dan mag hij voor zich zelf wederom roemen in 's Heeren onwankelbare trouw. Wat ook veranderde, en wie ook woelde, maar de Heere bleef dezelfde, en zorgde weer voor Zijn kinderen. Wel kastijdde Hij Zijn Kerk, doch 't was enkel uit liefde, dat de Heere zulks deed ; en alles wat we ondervonden zal moeten meewerken ten goede. Welzalig daarom, die zich aan den Heere mocht toevertrouwen, die op goede gronden gelooven mag, dat hij er één is van het gekende volk van God !

Als 't zoo met ons gesteld is, dan vreezen wij ook niet voor de toekomst; immers we mogen gelooven : De Heere zal ons niet begeven noch verlaten. Zijn verbond wankelt niet, evenmin als het verbond van dag en nacht, van jaar en jaar.

Staande op den dorpel van Oud en Nieuw, laten we elkaar toeroepen : „Schuilt .bij den Heere, daar is het veilig ! Zoekt Hem, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is ! en gij zult gelukkig zijn. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

OVERDENKING BIJ DE WISSELING DES  JAARS.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's