Feuilleton.
Van 's levenspad
door COR.
Als het jaar ten einde is.
Als het jaar ten einde is. Bedenkende, dat het jaar 1921 bijna ten einde is gesneld, heb ik mij neergezet tot schrijven van het laatste stukje in dit jaar voor „Van 's levenspad."
Het laatste voor dit jaar, dat doet mijne gedachten een blik werpen op het jaar dat voorbijging, wat mij het oog doet .opheffen tot den Heere, Die mij lust en kracht en bekwaamheid gaf, om steeds weer een nieuwe schets voor van 's levenspad te maken, Hem daarvoor mijn stamelenden dank bren gend. Door 's Heeren hulp alleen kon ik de in het begin van dit jaar aangevangen verzorging dezer rubriek voortzetten, vaak ervarende, dat dit zonder Hem niet mogelijk was. Meer dan eenmaal vreesde ik niet te kunnen voortgaan, te moeten ophouden, maar juist in die oogenblikken mocht ik dan ervaren, dat de Heere mijn roepen .hoorde en mij door Zijn Geest weer kwam onderrichten voor deze zware en toch zoo heerlijke taak.
Een zware taak was het mij, wanneer ik bedacht, .dat ook daarop het woord van den profeet van toepassing was : „Zeg den rechtvaardige dat het hem wèl, maar den goddelooze dat het hem kwalijk zal gaan." Daaraan denkend, was die taak mij zoo zwaar, want dan ging ik mijzelf voorstellen dat eenmaal de tijd zou aanbreken, dat zij, tot wie mijn woorden klonken, mij zouden toeroepen dat ik hen had misleid, dat ik hen op een dwaalspoor had gebracht, dat ik hen niet den eenigen en waren weg ten leven had voorgehouden. Die stonden waren zoo moeilijk en bang, die deden mij steeds weer van den Heere smeeken getrouw te mogen zijn in deze eenvoudige taak en steeds weer te laten uitkomen dat in Christus Jezus alleen behoudenis te vinden is voor een zondig schepsel.
Maar tevens was het mij zulk een heerlijke taak, wanneer ik .mocht bedenken dat de Heere mij verwaardigde om onwaardigen dat rijke genade-evangelie te brengen, om armen zondaren toe te roepen dat voor den diepst gevallene in Christus Jezus nog genade te vinden is. Zondaren te mogen spreken van die wondere liefde, waardoor zulken, die den dood verdiend hebben, het eeuwige leven ontvangen, dat was mij zoo groot, dat deed mij vaak in verwondering voor den Heere nederzinken, vragende, waarom Hij mij dat voorrecht schonk. Dan zag ik mijzelf als de meest onwaardige, als zulk een, die naar recht reeds lang door den Heere verstooten had kunnen worden, maar wien de Heere nog kwam opzoeken, deed zien dat de weg der zonde naar het eeuwig verderf voerde, doch dat in Christus Jezus genade en ontferming wordt gevonden. En dan niet alleen door den Heere opgezocht, niet alleen uit het leven der zonde gerukt, maar daarboven nog verwaardigd ook anderen van den weg des behouds te spreken, ook anderen te vertellen van dien grooten, dierbaren Koning, Die Zichzelf gaf om zondaren te verzoenen met een heilig en rechtvaardig God ; o, dat was mij zoo onbegrijpelijk, dat deed mij steeds opnieuw weer uitroepen : „Waarom, Heere, waarom dat toch ? "
Ziedaar een klein deel mijner gedachten nu het jaar 1921 ten einde is gesneld ; een klein deel, daar het mij niet mogelijk is die allen weer te geven.
Maar wat zijn nu uwe gedachten ? Kunt gij bedenken, gij, die steeds „Van 's levenspad" laast, die week aan week keek wat Cor nu weer te vertellen had, dat gij hebt mogen ervaren dat mijne woorden u tot waarschuwing, troost of bemoediging waren ? Of waren het voor u slechts ledige klanken, waar gij geen acht op sloegt ; of heb ik u wellicht' verveeld door mijn steeds wederkeerende vraag : Zijt gij reeds het eigendom van Jezus Christus, zijt gij reeds bereid om te sterven ? Indien dit zoo is, indien gij nog niet gevoelt dat gij zonder Christus Jezus als uw Borg en Middelaar stervende, in het eeuwig verderf wordt verstooten, o, dat de Heere u dan de oogen mocht openen, om te zien 'dat gij naar de eeuwigheid reist en dat gij .daar den Schepper van hemel en aarde zult ontmoeten, «voor Wien gij nimmer kunt bestaan, indien gij niet gewasschen zijt in het bloed van Christus Jezus, opdat gij geen rust of vrede meer vindt vóór gij weet : „Hij is de mijne en ik iben de Zijne."
Was mijn woord u tot troost en bemoediging, werdt gij daardoor verkwikt en ontvingt gij daardoor nieuwe kracht tot voortgaan over 's levenspad, zoo vaak vol hangen zielestrijd ? O, breng dan den Heere daarvoor lof en eere, maak Hem daarvoor groot, want Hij was het. Die wist welk een bangen strijd gij streedt. Hij was het, Die lette op uw bange zieleklacht, als gij voortgingt, meenende dat het eeuwig verderf u wachtte en u weer het oog op Hem deed slaan, vertrouwende dat Hij nimmer om laat komen wie naar Hem vraagt. Laat uw danktoon opstijgen, laat uw juichtoon worden gehoord, want de Heere is zoo waardig geëerd en geprezen te worden. Hij is zoo waardig dat gij Zijn lof vertelt voor alles wat Hij u schenkt, wat gij ontvangt door Zijn wondere liefde, door Zijn onveranderlijke trouw.
Zou het kunnen zijn dat mijne woorden voor deze of gene nog het middel waren om de zonde den rug toe te keeren en den Heere aan te kleven ? Zou dat mogelijk zijn ? Zoo menigmaal is dat mijne bede, dat mijn vragen, want dan zou ik allen, die over 's levenspad gaan zich vermakende in den dienst der wereld, welke nooit .bevredigt of voldoening geeft, wel willen brengen tot den Heere en Zijnen dienst, zoo rijk, zoo goed, zoo vol vreugde en blijdschap, om straks, als het einde van 's levenspad bereikt is, bij Hem te verkeeren in de eeuwige welgelukzaligheid, zonder einde Zijn lof vertellende.
Een jaar is ten einde gesneld, een nieuw jaar ligt weer voor ons en wat zal dit nieuwe jaar ons brengen, wat zal het zijn, wanneer het einde daarvan is aangebroken ? Zuilt gij mijne woorden niet meer kunnen lezen, omdat gij door den dood zijt weggenomen, of zal ik niet meer tot u kunnen spreken, omdat mijn levensdraad is afgesneden ? Ieder uur wenkt de .dood en ook wij kunnen in het nieuwe jaar worden weggerukt uit het leven, wat ons zoo duidelijk wordt, wanneer van hen, die ons lief zijn, op het sterfbed nederliggen, dan is de dood zoo heel dicht nabij ons en klinkt de roepstem zoo duidelijk dat ook wij moeten sterven. Zullen wij dan aan het einde van dit jaar nog zijn, zult gij mijne woorden nog kunnen lezen, of zal ik U nog tot u kunnen spreken ? O, indien het leven ons nog wordt gelaten, dat ons hart dan vervuld mocht wezen met lof en dank voor 's .Heeren wondere daden aan ons betoond, dat onze ziele dan Hem mocht groot maken voor de vreugde en vrede, welke Hij ons doet smaken in Christus Jezus. Wanneer echter de dood een scheiding heeft gemaakt, dat de eeuwigheid ons dan straks weer mocht vereenigen, om met elkander den Heere groot te maken, dat Hij uit vrije genade zondaren verwaardigt om Hem te aanschouwen, in eeuwigheid niet meer gedenkende aan de bedreven zonden, daar die zijn uitgedelgd in het bloed van Christus Jezus, Zijn eigen, dierbaren Zoon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's