Uit het kerkelijk leven.
De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons
X.
De Bijlbel geeft ons een machtig mooi inzicht in den oorsprong der dingen. Hier is godsdienst, poëzie, waarheid, verhevenheid, eenvoud — en hoofd en hart worden hier bevredigd.
Hier hebben we ook een antwoord op de vraag : wat is het doel der schepping ?
Want dat doel heeft de almachtige God, Die alles geschapen heeft naar Zijn raad en welbehagen, er in gelegd. Dat is niet van buiten af gekomen tot de schepping, maar dat heeft de Heere zelf hier van den beginne af aan gesteld en Hij heeft het geopenbaard. En de Heere heeft aan den mensch, redelijk en zedelijk schepsel, de heerlijke taak gegeven, om bewust en vrijwillig mee te werken om dit doel te bereiken. De mensch is hierin medearbeider Gods gemaakt ; om in liefde en gehoorzaamheid als kind Gods naar Zijn wil in alles bezig te zijn.
De Bijbel laat ons niet in het onzekere, wat het doel geweest is, dat de Heere voor oogen had, toen Hij alles te voorschijn riep. Al het geschapene moest Hem dienen, Hem eeren. Zijn Naam groot maken, Zijn eer tot in eeuwigheid verbreiden. De eer van God is het einddoel van al Gods werken ; op elk terrein des levens, altijd en overal zou die eere moeten uitschitteren — wat de Gereformeerden nog altijd in hun belijdenis doen uitkomen.
Ook hierin verschilt de wetenschap met hetgeen de Schrift leert. Want de wetenschap plaatst den mensch in 't midden van alles. Alles draait om den mensch. Alles moet hem dienen en hem onderworpen zijn. Zelfs God mag maar alleen doen, wat voor den mensch begeerlijk is. De mensch wordt zoo natuurlijk zéér interessant. Want de mensch weet wat 't beste is, de mensch weet alles. En het einddoel wordt dan ook niet in God, maar in den mensch gelegd.
Godsdienst wordt zoo menschendienst en zelfs God moet den mensch dienen. Maar alzoo leert de Schrift niet.
God is de Schepper, de Volzalige, de Alwijze, de Souvereine God. En gewillig of onwiillig zal alle schepsel dan ook voor Hem eens de knie buigen, waarbij Zijn grootheid, majesteit en heerlijkheid boven alles zal uitschittteren.
Natuurlijk brengt dit voor den christen een eigen wereld-en levensbeschouwing mee.
Schepper en schepsel. God en mensch zijn onderscheiden en de mensch is Gode onderworpen in alle dingen.
Geen stof, geen noodlot zit op den troon ; de levende God is met hoogheid bekleed en stuurt alle dingen naar Zijn raad ; gelijk alles naar Zijn gemaakt bestek tot in eeuwigheid zal rijzen.
Alles heeft van God een eigen aard ontvangen. Alles rust op Gods inzettingen. Alles is aan God verantwoordelijk. Alles moet Hem eeren.
Zon, maan en sterren zijn door God op een door Hem toegewezen paats gezet, hebben eigen heerlijkheid van Hem ontvangen en hebben een eigen doel en taak, door Hem alzoo gesteld. Plant en dier hebben een onderscheiden natuur, door Gods scheppingswerk en hebben Hem te dienen en te eeren, naar Zijn ordinantie. Er is de rijkste verscheidenheid in de schepping, maar ook de hoogste eenheid. De hand des Scheppers is in alles te zien en Hij heeft alles een doel en bestemming gegeven. Elk ding onderhoudt Hij naar z'n aard, en Hij regeert alle ding naar de hun door Hem ingeschapene krachten en wetten, om zoo samen in de schepping Gods glorie te verhoogen en uit te roepen. Hier is eene eenheid, die de verscheidenheid niet vernietigt maar handhaaft; en eene verscheidenheid, die aan de eenheid niet te kort doet, maar ze in haar rijkdom ontvouwt. Hemel en aarde, mensch en dier, ziel en lichaam, kunst en wetenschap, godsdienst en zedelijkheid, staat en kerk, gezin en maatschappij, ze zijn wel onderscheiden, maar niet g escheiden. Eén band houdt hen allen saam ; een band door God gelegd ; een beteekenisvolle, een levende band dus, waarin mede uitkomt, dat God met bewustheid alles geschapen heeft en alles geroepen is Hem te dienen en Zijn Naam groot te maken, zich bewegend naar Zijne inzettingen, die alleen wijs en goed zijn.
Daarom is ook al het geschapene schoon en heeft alles een geschiedenis, een levensduur, door den Heere alzóó verordineerd. Alles doorloopt een geschiedenis en alles loopt uit op een bepaald doel. Het is niet willekeurig, dat de dingen zijn zooals ze zijn en de dingen kunnen zich niet gaan richten op een eigen doei. Van de laagste tot de hoogste dingen moet het alles opwaarts streven, naar boven, naar het licht, naar het leven Gods. En alles moet willig zich bewegen naar het Godverheerlijkend einde, om Gods deugden en volmaaktheden ten toon te spreiden. Zóó heeft de Heere alles geformeerd ; zóó heeft Hij alles in beweging gezet, zóó heeft Hij Zijn wet en ordinantie gegeven voor alles, en zóó zal ook alles het mooist en het gelukkigst zijn, om zich te bewegen voor Gods aangezicht, om Hem te gehoorzamen en te dienen en uit te loopen in de eeuwige eere Gods, Die te prijzen is door alles wat leeft en zich beweegt.
Christenen zijm daarom bewonderaars van de natuur, bekennende dat de Heere alles wijs gemaakt heeft; zij weten, dat zij zich te bewegen hebben op alle levensterrein, belijdende, dat alles den Heere moet dienen en niets Hem ontstolen mag worden, 't Is niet voor de wereld, voor de zonde dat de Heere de dingen formeerde, maar om Hem gewijd en geheiligd te zijn, waar de christen er dan ook naar te staan heeft om alles Gode te onderwerpen, alles voor Hem te veroveren, alles Hem te wijden in den weg des geloofs en in de vreeze Zijns Naams, naar Zijn Woord, tot de verheerlijiking Gods is de mensch en alles wat hem omringt geroepen en dat heeft de christen ten allen tijde te bedenken. Hij heeft opwaarts te zien en God als Schepper aller dingen te belijden, om er naar te staan alles Hem dienstbaar te maken.
En kan zooveel den christen benauwen, in natuur en in geschiedenis, ja, te midden aller dingen — juist, omdat de christen een eigen wereld-en levensbeschouwing heeft, God ei kennende als Schepper aller dingen, mag hij ook weten, dat de Heere regeert en dat alles Hem zal moeten eeren en verheerlijken in het eind.
Tot een oppervlakkig optimisme is de christen niet te brengen, want hij weet te goed, dat de zonde zoo ernstig is, de afwijking van Gods geboden zoo groot, de aanslagen op Gods eer zoo vele. Maar toch verzinkt de christen ook niet in een hopeloos pessimisme, want de Heere is God en niemand meer ; Hij regeert en alle dingen wordt door Hem gestuurd naar het groote einddoel, tot verheerlijking van Zijn Naam.
En zoo kan de christen in heel de wereld met haar rijke natuur en in heel die menschheid met haar rijke geschiedenis steeds meer leeren bewonderen de macht, de wijsheid, de liefde, de goedheid, de gerechtigheid en de heiligheid van dien God, van Wien hij be lijdt, dat Hij alle dingen gemaakt heeft en nog naar Zijne voorzienigheid onderhoudt en bestuurt — en van Wien hij mag gelooven en belijden, dat Hij zijn hemelsche Vader wil zijn in Christus Jezus, den Verlosser van mensch en wereld ; welke wereld Hij alzóó heeft lief gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
(Wordt voortgezet).
De ware schat der Kerk.
Luther verklaarde in de 62ste van zijn stellingen, welke hij den dag vóór Allerheiligen 1517 aan de deur van de Slotkerk te Wittenberg aansloeg : „de ware schat der Kerk is het heilig evangelie der heerlijkheid en genade Gods."
Hier hebben we het beginsel van de Reformatie der I6de eeuw : het evangelie der genade Gods ; het evangelie des kruises is de groote schat welke de Kerk des Heeren van Hem .Zelf ontving en door alle eeuwen als een dierbaar pand heeft te bewaren. Dat is het fuindament en de sluitsteen voor Christus' Kerk.
Gelukkig dat onze Herv. Kerk dat ook aangeeft, als de taak van allen, die in haar midden toelating vragen tot het predikambt. De verkondiging van het evangelie van Jezus Christus, naar den geest, die uit de leer der Kerk spreekt ; in overeenstemming met den aard van die Kerk, die haar leer van ouds heeft uiteengezet in de drie Formulieren van eenigheid.
En in de prediking èn in de bediening der sacramenten moet de ware schat der Kerk, zijnde het heilig evangelie der heerlijkheid en genade Gods, worden uitgedragen, voorgesteld, aangeprezen en verdedigd.
Ja, óok verdedigd.
Want Luther deed zéér terecht in de 63ste stelling volgen : „Deze schat is echter natuurlijkerwijs zéér gehaat."
De Kerk zelf, ook onze Ned. Herv. Kerk, moet daar dus rekening mee houden — en de predikanten en ouderlingen moeten daar ook aan denken, — dat de ware schat, welke de Heere haar toebetrouwde wordt gehaat en tegen gestaan ; en dat dus geen poging onbeproefd zal blijven, om dat evan gelie van Gods genade te veranderen en van kracht en heerlijkheid te berooven.
In de 16de eeuw was die schat van 's Heeren Kerk onder bedekselen der schande onzichtbaar. Met heel andere dingen kwam de Pauselijke Kerk. En sprak zij nog nu en dan dezelfde woorden, dan had alles toch een andere beduidenis, een anderen inhoud gekregen, door de verdraaiing die de Room sche geestelijkheid had aangebracht. Woor den als zonde en genade, geloof en bekeering, rechtvaardigmaking en heiligmaking. Kerk en sacrament en zoovele meer vertegenwoordigden in de verbasterde en verleugende K.erk van Rome een geheel andere waarde dan ze in het oude evangelie hadden, dan Paulus er van geleerd en voor gedragen had. De dogmata van drieëenheid, vleeschwording en voldoening waren geheel van karakter en inhoud veranderd.
Toen heeft de Reformatie der 16de eeuw weer een nieuw licht over den zin en de meening der Schrift geworpen. Het werd weer: de Schrift alleen, de genade alleen, het geloof alleen (Scriptura sola, gratia sola, fides sola). En dat was niet iets nieuws dat was niet iets van Luther, Calvijn of Zwingli. Dat was geen uitvinding van de 16de eeuw. Dat was het oude evangelie, het evangelie der Schrift, het evangelie van Paulus, het Evangelie der apostolische Kerk. Hoewel het na de verduistering der Middeleeuwen en de verleugening door Rome een geheel nieuwe openbaring was in de 16de eeuw. Een nieuw inzicht in de Schrift.
Zoo heeft de Reformatie geworsteld om de waarheid van Gods Woord, om het centrum der religie, weer vrij te maken uit allerlei leugen en dwaling en door Gods kracht is de waarheid weer bij vernieuwing aan 't licht getreden in het midden van Europa, 't Ging niet om bijzaken, om dingen die in den omtrek liggen ; neen ! het ging om het hart, om de hoofdzaak der religie : des menschen verhouding tot God. En daar heeft de Reformatie een princlpiëele en radicale verandering gebracht, waar Rome alles hier had verlengend. De Hervormers mochten weer terugvoeren naar hef Woord, naar de eerste, oudste bronnen der ware Godskennis. Er kwam weer contact met de oude christelijke Kerk ; met de apostelen ; met 't geen Christus Zelf geleerd heeft.
Niet een nieuwe Kerk was ontstaan. De oude Kerk herleefde weer, door reformatie, door weer te komen tot anderen vorm, dan waarin Rome de Kerk gebracht had.
Gods Woord kreeg weer autoriteit, 't Was niet langer, dat de uitspraak der Kerk, van den Paus, het hoogste gezag had en het laatste woord was. Niet meer : Roma locuta causa finita ; Rome heeft gesproken en daarmee is alles beslist. De Reformatie bracht weer het evangelie van Jezus Christus naar de Schriften. Boven de Kerk, boven de menschen kwam het gebod Gods te staan Zijn Woord, Zijn waarheid. Christus kreeg weer autoriteit. En Zijn gezag viel niet saam met het gezag van den paus of priester. Neen ! Zijn gezag kwam weer hoog en heilig in de hemelen te rusten, boven de aarde, boven de Kerk, boven de leeringen en vervloekingen en vonnissen van Rome. Bij alles en voor allen kwam hooger beroep op Gods Woord. Bij alles en voor allen kwam de autoriteit van de Schrift. En daar is de vrijheid van het geweten, de vrijheid van de Kerk, de vrijheid der volkeren veroverd. Om in alles den Souvereinen God vrij te mogen dienen naar Zijn Woord ; om vrij te verkondigen het Evangelie van Gods genade naar de Schriften.
Die schat der Kerk, door de Reformatie weer opnieuw aan het licht gebracht, heeft men, waar „deze schat natuurlijkerwijs zeer gehaat" is, zooals Luther schreef, ook in de Kerk der Reformatie, in onze Nederlandsche Gereformeerde of Hervormde Kerk, willen verdraaien en verleugenen. Want dat is niet iets, diit alleen en speciaal aan Rome eigen is, om Gods Woord en Waarheid te bestrijden, te haten en te verdraaien. Ook in deze zaak dragen we allen „een paap in eigen hart" ; zooals Luther zei. We willen het zélf bepalen, wat waarheid is en wat gepredikt moet worden. In de Gemeente van Galatië — om dit ééne voorbeeld uit het begin van de geschiedenis der Christelijke Kerk maar te noemen — begon men al een ander fundament te leggen, dan hetgeen door God Zelf in Christus gelegd is. In den weg der middelen had Paulus daar het Evangelie van Jezus Christus verkondigd, hen daar bekend makend den eenigen Weg der zaligheid, In dien eenigen Naam, die onder den hemel gegeven is, tot behoudenis van in zichzelf verlorenen. Maar de Galatiërs lieten zich gemakkelijk om-en afvoeren van de eenvoudigheid dier waarheid door valsche leeraars, die een ander evangelie brachten. Die voerden de menschen af van de eenvoudigheid des geloofs, hen leerende, dat de zaligheid te verkrijgen is door de werken der wet en alzoo keerden de Galatiërs, die in den Geest begonnen waren, weder terug tot de onvruchtbare werken des vleesches. En zoo werden ze wederom geleid tot vreeze en misten de vrijheid, die alleen in Christus is, voor allen die in Hem gelooven. Het evangelie der genade was van heerlijkheid beroofd, waartegenover Paulus zich beslist en scherp aldus uitspreekt: „al ware het, dat een engel uit den hemel kwam, om u een ander evangelie te verkondigen, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die is vervloekt."
En zoo is het nu ook na de Reformatie der 16de, eeuw in onze Nederlandsche Gereformeerde of Hervormde Kerk gegaan. We hebben het evangelie der genade ontvangen toen. Het evangelie naar de Schriften. Het evangelie, door Pauilus gepredikt. Maar men is een ander evangelie gaan verkondigen, bizonderlijk in de I9de eeuw. Natuurlijk toen niet pas voor het eerst. Want de duivel laat nooit af, om de Waarheid Gods te bestrijden, om 't zoo mogelijk te verzwakken, te verdraaien, te verleugenen. Hij de vader der leugen en de grootste tegenstander van Christus — van Wien hij ook alles te vreezen heeft — kan niet anders dan liegen en vervalsohen. Waarin de mensch van nature kind der duisternis zijnde, zoo gaarne mee doet. En zoo hebben we het beleefd, dat een ander evangelie is verkondigd, dan we in onze Gereformeerde of Hervormde Kerk van God hebben ontvangen en de Vaderen onder ons hebben verkondigd, naar de Schriften. Een pogen tot vervalsching, dat nog geen einde heeft genomen onder ons. Integendeel. Telkens onder andere vormen komt dat satanisch en vijandig pogen uit in allerlei practijken in onze Nederlandsch Hervormde Kerk die men o ! zoo gaarne geheel zou hebben losgemaakt van haar grondslag, waarop zij van ouds gebouwd is ; om haar leer in aard en wezen, in karakter en hoofdzaak principieel en radicaal te wijzigen.
Wat al pogingen, gesteund door overheden en machten, zijn er niet aangewend !
Maar door 's Heeren goedheid is onze Hervormde Kerk nog altijd een belijdende Kerk, die in haar belijdenis heeft als hoofdzaak : het evangelie van Jezus Christus, naar de Schriften. Van welk evangelie, in haar leergeschriften nader uiteengezet naar uitwijzen van Gods Woord, zij zelve zegt, tot ieder, die in haar midden woont, dat dat evangelie moet verkondigd worden en dat die leer moet worden verdedigd en gehandhaafd.
Door allerlei intriges, waarbij men bedriegelijk altijd verzekerde, dat 't toch echt en oprecht om de verdediging en handhaving van diezelfde leer te doen was (!), heeft men wel getracht, om telkens weer een band, die aan dat evangelie en aan die leer bond, losser te maken. Geen middel heeft men daarbij onbeproefd gelaten, met schandelijk misbruik van de besturen-macht maar de Heere heeft het wonderlijk en genadig alzoo beschikt, dat men toch de belijdenis en het evangelie van Jezus Christus niet aan onze Hervormde of Gereformeerde Kerk heeft kunnen ontnemen. Onze Hervormde Kerk staat daar voor vriend en vijand altijd nog, door 's Heeren goedheid, als een belijdende Kerk en in den beroepsbrief van ieder harer predikanten staat, dat het evangelie van Jezus Christus naar luid van Gods Heilig Woord moet worden verkondigd, gelijk aan ieder der kerkelijke besturen is opgedragen, de leer der Kerk te handhaven en dus te waken tegen allerlei, dat die leer wil ontzenuwen, verdraaien, ondermijnen of verleugenen.
Maar gezien de practijken en gezien de scliandelijke practijken van ons huidig kerkelijk leven, moet er meer de geest van Paulus, v/elke de geest van Christus is, in en onder ons openbaar worden, om te waarschuwen en te veroordeelen en te bestrijden, alles wat met Gods Woord in strijd is en wat den waren schat der Kerk van Christus wil rooven.
Valsche leeraars zijn het, die, in strijd met hun belofte, een ander evangelie verkondigen dan het evangelie van Jezus Christus, het evangelie des Kruises, het evangelie van Gods genade, dat naar de Schriften is ; dat door Paulus en de apostelen is gepredikt ; dat door 's Heeren goedheid door de Reformatie weer opnieuw is aan het licht getreden, dat in onze kerkelijke leergeschriften is uiteengezet en verdedigd ; dat door de Vaderen is gepredikt — dat ook heden door zoo velen in stad en dorp weer wordt begeerd, maar dat nog altijd en telkens weer opnieuw zoo gloeiend wordt gehaat, zoo fel wordt bestreden, zoo schandelijk wordt verdraaid en vervalscht, zelfs door leeraars der Hervormde Kerk, die zich niet ontzien, om eerst te beloven, dat evangelie van Jezus Christus, naar luid van Gods Heilig Woord (beroepsbrief) te zullen brengen en dan geen middel onbeproefd laten, om dat evangelie te bestrijden en een gansch ander, een valsch evangelie te brengen.
Meer dan ooit past ons waakzaamheid.
Meer dan ooit is opwaking in deze noodig, onder allen, die nog eerbied hebben voor Gods Woord en liefde tot het evangelie van Gods genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's