De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

18 minuten leestijd

Zoo werd Zijn Naam genoemd Jezus". Lukas 2:21m.

ZIJN NAAM JEZUS.

Aan het begin van een nieuw jaar staan wij altijd aan het begin van een donkeren weg.

Een dichte sluier heeft de toekomst aan ons oog onttrokken. Wij weten zelfs niet wat morgen geschieden zal

Gelukkig echter als we op een donkeren weg geleid worden door de hand van iemand die den weg tot in de kleinste bijzonderheden kent. Niet waar, aan de hand van zoo iemand gaan we veilig. Aan de hand van zoo iemand worden we voor vallen bewaard, en als we struikelen dan worden we door diezelfde hand opgericht en verder geleid.

Nu is dat een voorrecht dat de wereld mist! Het kind dezer wereld moet alléén de donkere toekomst tegen. Hij heeft geen oog voor den Oversten Leidsman en den Voleinder des geloofs. De weg van het kind dezer wereld is dan ook zulk een onveilige weg. leder oogenblik kan .het voor hem een wegzinken worden in den kuil des verderfs; ieder oogenblik kan het voor hem een eeuwig omkomen zijn.

Maar dat groote voorrecht, dat de wereld mist, is nu door genade het deel van al 's Heeren volk. Zij hebben een Gids, een Leidsman, aan Wiens hand zij den donkeren weg opgaan, aan Wiens hand zij de onzekere toekomst tegengaan. En het is die Gids, Wiens naam hierboven staat.

De Heere Jezus, aan Wiens komst in het vleesch we nog zoo kort geleden herinnerd zijn, is ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde.

Hij is ons ook gelijk geworden in het ontvangen van Zijn naam.

Ook wij hebben allen een naam ontvangen. In dat opzicht is de mensch bevoorrecht boven de plant en boven het dier. Niet waar, in de planten-en dierenwereld heeft men wel namen om de soorten aan te duiden, maar persoonsnamen heeft men daar niet.

Met den mensch echter is dat anders gesteld. Wij dragen allen een naam, een eigen naam, die in verband staat met ons mensch zijn. Dat wijst ons terug naar onzen oorsprong. Dat is een herinnering hoe wij oorspronkelijk geschapen zijn naar Gods beeld.

Immers ook de Heere Jezus heeft zich verwaardigd, een naam aan te nemen om daarmee uitdrukking te geven aan Zijn heilig Wezen. En nu lijkt de mensch ook daarin van Gods geslacht te wezen, dat ook wij allen personen zijn aan wie ook een persoonsnaam gegeven is.

Nu ligt er in de namen die wij en onze kinderen dragen in den regel geen bijzondere beteekenis. Maar zooals we allen weten was dat anders met die namen die door den Heere zelf óf op uitdrukkelijken last öt onder kennelijke leiding des Heeren vaak ook door de menschen gegeven zijn.

We herinneren aan de namen van Adam en Eva, aan de namen van Abraham, Izaak en Jacob, aan de namen van Mozes, Jozua en Samuel, aan de namen van Johannes en Petrus.

Maar is er één naam die bijzonder onze aandacht verdient, dan is het zeker die naam die op den achtsten dag na Zijn geboorte, bij Zijn besnijdenis, aan den Zoon des Menschen gegeven is.

Immers als acht dagen vervuld waren dat men het kindeke besnijden zou — weer een bewijs dat de Zone Gods in alles den menschen'gelijk is geworden en dat Hij zich in alle dingen onder de wet heeft gesteld — zoo werd zijn Naam genaamd Jezus, welke genaamd was van den Engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.

Ja, 'gij zult Zijn Naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden. Zoo had de Heere Zelf tot beiden tot Maria en tot Jozef gezegd. En krachtens dat bevel is de naam van ons tekstwoord aan het Kindeke van de kribbe gegeven geworden.

Zooals ons allen bekend is, kan deze naam door Bevrijder, Verlosser, Helper, Redder, Behouder worden overgezet. Maar in den regel wordt hij in onze vertaling door Zaligmaker vertolkt.

Komt, gaan we bij dien Naam des Heeren uwe aandacht bepalen en wijzen we u dan achtereenvolgens :

1. op een noodzakelijken Zaligmaker; 2. op een gewilligen Zaligmaker ; 3. op een volkomen Zaligmaker ; • 4. op een getrouwen Zaligmaker.

Ja, wij hebben allen een Zaligmaker, een Verlosser noodig, en wel omdat wij allen zondaren zijn.

O, gij weet allen wat dat beteekent nietwaar ?

Wij spreken dien naam zondaren vaak zoo gemakkelijk uit. Wij zeggen het vaak zoo onnadenkend : ik ben een zondaar; ik ben een zondares ; maar wie kan de diepte peilen die in dien naam ligt opgesloten.

Zondaren. O neen, we zijn het niet altoos geweest. Integendeel, eenmaal waren we beelddragers Gods, eenmaal waren we als pronkjuweelen van Gods schepping. We waren geschapen in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. We konden God kennen zooals Hij Zich in Zijn schepping had geopenbaard. We konden God liefhebben met de liefde van geheel óns hart. We konden in de gemeenschap des Heeren leven een leven dat was tot eer van Zijnen Naam.

Maar sinds we ons oor te luisteren gelegd hebben aan de stem van den Verleider, is dat anders geworden. Sinds dat oogenblik zijn wij zondaren geworden.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn menschen die ons vergrepen aan Gods heilig en onkreukbaar recht.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn menschen die de Wet des Heeren met voeten getreden hebben.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn menschen, die God naar de kroon hebben gestoken, die getracht hebben den Heere van den troon te werpen om onszelf er op te zetten.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn menschen, die de kostelijke gaven verbrast hebben die we uit de hand des Heeren hadden ontvangen.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn menschen, die bij God een schuld hebben, waarvan we geen enkelen penning betalen kunnen.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn menschen, die naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf hebben verdiend.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn menschen, die hier op aarde aan allerlei ellendigheid zijn overgegeven.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn men­schen, die ter dood veroordeeld zijn, die straks den tijdelijken dood gaan sterven, en daarna, als wij niet verlost zijn, aan den eeuwigen dood onderworpen zijn.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn menschen, die aan de macht van den Satan zijn overgeleverd, slaven van den Vorst der duisternis, die aan onze ketenen wel rammelen kunnen, maar zonder dat er onzerzijds van verbreking ooit sprake zal zijn.

Zondaren, dat wil zeggen, wij zijn onbekwaam tot eenig goed, daarentegen geneigd tot alle kwaad.

Zondaren, dat wil zeggen, wij hebben een hart dat arglistig is, meer dan eenig ding ; we hebben een verstand dat verduisterd is ; we hebben een wil die verkeerd is ; die altijd anders wil dan God ; we hebben een oog dat boos is ; we hebben een oor dat zwaar is ; we hebben een tong die onbedwingelijk is en met een wereld van ongerechtigheid vergeleken kan worden.

We hebben handen die bezoedeld zijn ; we hebben voeten die snel zijn om bloed te vergieten ; we hebben een keel, die een geopend graf kan genoemd worden.

En zoo zouden we kunnen voortgaan om een beschrijving te geven van wat daar in dien naam. zondaar en ; zondaressen besloten ligt.

En ziet, daarom is het Kindeke, aan Wien de naam Jezus gegeven werd, 'nu een nood z a k e 1 ij k e Zaligmaker.

Zou er voor den zondaar, die zich vergrepen had aan Gods heilig en onkreukbaar recht, zou er voor den zondaar die God naar de kroon had gestoken, die de gaven Gods had verwoest, die naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf had verdiend, die aan allerlei ellendigheid, aan den dood en aan de verdoemenis onderworpen was, zou er voor zulk een zondaar nog redding, nog verlossing, nog zaligheid mogelijk zijn, dan was het noodig dat er Eén was, die zich in de plaats van dien zondaar zou stellen, dan was het noodig dat er Eén was, die zelfs tot zonde zou worden gemaakt, dan was het noodig, dat niemand minder .dan de Zone Gods Zijn troon zou verlaten. Zijn kroon zou prijsgeven. Zijn heerlijkheid en Zijn majesteit zou verliezen, om hier op deze lage aarde te komen, om hier gewonden te worden in doeken, om hier gelegd te worden in een kribbe, om hier straks geklonken te worden aan een kruis.

Immers God de Heere was te rein van oogen, dan dat Hij het kwade kon zien. De Heere was het aan Zijn eigen eere verplicht dat er zonder voldoening geen verzoening kon zijn. En zoo was er geen andere weg waar langs een verloren zondaar nog weer gered en behouden kon worden dan de weg van dat Kindeke, aan Wien eenmaal de naam van Jezus, de naam van Zaligmaker gegeven werd.

Een gewillige Zaligmaker. Ja, ook dat is het Kindeke dat den naam van Jezus ontving.

Of was die gewilligheid niet reeds gebleken in Gods eeuwigen'Raad ? Had, toen de Vader gevraagd had : Wien zal Ik zenden en wie zal ons heengaan ? de Zoon Zijn Naam niet genoemd ? Was het toen niet reeds Zijn zeggen geweest : zie Ik kom. Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uwe wet is in 'het midden mijns ingewands ?

' Van voor de grondlegging der wereld dus had het Kindeke van de kribbe het werk van verlossing en zaligheid reeds op Zich genomen. En wat toen reeds in den Raad des Heeren was voorgenomen, dat was in de bedeeling der schaduwen voorbereid.

Ook toen immers was Hij altoos weer gewillig gebleken om den wil des Heeren te doen. Nu eens had Hij Zichzelf voorgesteld als de gewillige Knecht des Heeren, die het gekrookte riet niet zou breken en door Wien de rookende vlaswiek niet zou uitgebluscht worden. Dan weer had Hij Zich zelf aangediend als de gewillige Herder, die de lammeren in Zijn armen zou dragen en in Zijn schoot zou vergaderen en door Wien de zoogenden zachtkens zouden worden geleid. Dan weer had Hij Zichzelf bekend gemaakt als de gewillige Koning, die den verdrukte recht zou doen en door Wien de armen en de nooddruftigen gered zouden worden.

En wat Hij in de oude bedeeling beloofd heeft, dat heeft Hij in de volheid der tijden vervuld. Hij was gewillig om uit de maagd Maria geboren te worden. Hij was gewillig om in een schamele krib te worden nedergelegd. Hij was gewillig om op den achtsten dag besneden te worden. Hij was gewillig om naar Egypte te vluchten. Hij was gewillig om Zijn ouders onderdanig te zijn. Hij was gewillig om van den duivel verzocht te worden. Hij was gewillig om niets te bezitten waarop Hij het moede hoofd ter ruste kon leggen. Hij was gewillig om voor een vraat en een wijnzuiper, voor een vriend van tollenaren en zondaren gescholden te worden.

En zoo zouden we immers weer kunnen voortgaan. Niet het minst aan het eind van Zijn leven was Hij gewillig om den last van Gods toorn op Zich te nemen, was Hij gewillig om in Gethsémané van allen verlaten te worden, was Hij gewillig om het kruis te dragen. Ja, Hij is als een gewillig Lam ter slachting geleid en als een sohaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo heeft Hij Zijn mond niet opengedaan.

En dat niet alleen, maar Hij was ook gewillig om te helpen allen die waarlijk als zondaren tot Hem de toevlucht kwamen zoeken. Of kent ge een voorbeeld uit de Evangeliën, dat de Heiland onwillig was om zondaren genadig te zijn ?

Kent ge een voorbeeld uit de Heilige Schrift dat Jezus onwillig was om barmhartig te zijn ? O, zeker. Hij kon toornen, schrikkeiijk toornen soms. Hij kon Zijn „wee u's" den Farizeërs en Schriftgeleerden in het aangezicht slingeren. Hij kon vlijmend scherp spreken over de witgepleisterde graven die van buiten wel schoon schenen, maar die van binnen vol waren van doodsbeenderen en alle onreinigheid.

Maar als daar een behoeftige, als daar een ellendige, als daar een nooddruftige was als daar was een gebrokene van hart en een verslagene van geest, als daar een mensch was die uit de diepte zijner ellende riep om geholpen te worden, dan bleek de Heiland altijd weer gewillig te zijn om de hand der redding, de hand der verzoening, de hand der genade toe te steken, en dan heeft Hij het nooit tot den huize Jacobs gezegd : zoek mij tevergeefs. Integendeel, al wie dan tot Hem kwam, dien .heeft Hij geens zins uitgeworpen.

En die zelfde gewillige Zaligmaker is dat Kindeke, dat den naam Jezus ontving, nog. 't Is immers nog altijd Zijn stem die tot op dezen dag vernomen mag worden: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven. Het is nog altoos het lied dat tot op dezen dag in de tenten der vromen gezongen kan worden : , , Heer, door goedheid aangedreven. Zijt Gij mild in 't schuld vergeven. Wie U aanroept in den nood. Vindt Uw gunst oneindig groot."

Een volkomen Zaligmaker. Ook zoo kan het Kindeke, Wiens naam Jezus was, geheeten worden.

Het is dus niet zoo, dat de Zaligmaker slechts half werk zou hebben verricht. O, gij weet dat ook wel, hoe het niet zelden, soms zelfs onbewust, zoo wordt voorgesteld

De Heere Jezus wordt niet zelden als verwerver der zaligheid genoemd. En zeker, dat is Hij ook. Jezus heeft de zaligheid voor arme en in-zichzelf verloren zondaren verdiend. En dat heeft Hij gedaan door Zijn zoogenaamde lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid. Dat heeft Hij gedaan doordat Hij de straf heeft gedragen, doordat Hij met doornen gekroond, met nagelen doorwond, met geeselen gestriemd, doordat Hij gesmaad en bespot, doordat Hij gehaat en veiacht, doordat Hij geslagen en bespuwd is geweest, en niet het minst doordat Hij ten slotte gestorven en begraven, en zelfs ter helle is nedergedaald.

De zaligheid verdiend. Dat heeft Hij ook gedaan doordat Hij de Wet des Heeren volkomen heeft vervuld en doordat het „het is volbracht" op Golgotha van Zijn stervende lippen vernomen is.

Maar niemand meene dat daarin het werk van verlossing en zaligheid alléén zou hebben bestaan.

Immers, wat heeft een gevangene aan de vrijspraak van den rechter, indien de deur van zijn kerker niet ontgrendeld wordt ? En zoo zou het nu geweest zijn, als Jezus de zaligheid der Zijnen wel had verdiend, maar als wij dan verder het werk onzer zaligheid zelf hadden moeten volbrengen. Dan zou met de vrijspraak van den rechter de deur onzer gevangenis toch gegrendeld zijn gebleven en daar was in eeuwigheid aan de banden des doods en aan de boeien der hel geen ontkomen geweest.

Maar daarom is het nu zoo'.n voorrecht, dat Jezus niet slechts is de bewerker, maar óók de toepasser der zaligheid. Dat wil zeggen : Jezus heeft de zaligheid maar niet alleen mogelijk gemaakt, maar Hij werkt nu door Zijnen Geest zoo in het hart van den zondaar, dat deze daar ook voor zichzelf deel aan erlangt. De Engel had dan ook niet gezegd : Hij zal maken dat Zijn volk weer zalig kan worden, neen, maar zoo beslist mogelijk : Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden. Het is dan ook, zooals we allen weten, de Heere Jezus, die door Zijnen Geest de oogen van een zondaar opent, zoodat hij leert zien hoe vreeselijk het is een schuldige, hoe schrikkelijk het is een verlorene, hoe ontzettend het is een opgeschrevene ten doode te zijn.

Ja, het is de Heere Jezus die door Zijn Geest den zondaar aan zichzelf ontdekt, zoodat daar in dat hart een hartelijke droefheid over de zonde ontstaat, een droefheid naar God, die een waarachtige bekeering tot zaligheid werkt.

Maar dan is het ook weer dat zelfde Kindeke, Wiens naam Jezus is, die met de machtige hand Zijner liefde de kerkerdeuren opent en alzoo den gevangene in vrijheid stelt.

zondaar eerst ontclekt, 'maar henl daarna ook vertroost.

Het is dezelfde Zaligmaker die den zorF daar eerst ontkleedt, maar hem daarna ook bekleedt met de lange witte kleederen des heils.

Het is dezelfde Zaligmaker, die den zondaar eerst vernedert, maar hem daarna ook verhoogt.

Hef is dezelfde Zaligmaker, die den zondaar eerst arm naakt, zoo arm, dat hij niets Illeer overhoudt om nu voor God te bestaan, maar die hem daarna ook rijk maakt, zôé rijk, dal hij het soms moet uitroepen : weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten. hoe rijk ik wel ben.

Het is dezelfde Zaligmaker, die den zondaar eerst van zijn sieraad berooft, die hem eerst zijn vreugdeolie ontneemt, maar die hem daarna ook weer geeft sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad Cles lofs voor een benauwden geest.

Het is dezelfde Zaligmaker, die den zondaar eerst als 't ware nederwerpt in de diepte der hei, maar die hem daarna ook opvoert tot de hoogte des hemels.

Het is dezelfde Zaligmaker, die den zondaar eerst 'doet zuchten : „Ik lag gekneld in banden van den dood. Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen", maar die hem daarna ook doet zingen : „Gij hebt, o Heer, in 't doodelijkst tijdgewricht, Mijn ziel gered; mijn tranen willen drogen ; Mijn voet geschraagd ; dies zal ik voor Gods oogen, Steeds wandelen in 't vroolijk levenslicht."

Een g e t r o u w e Zaligmaker.
Ja, ook dit is een naam die op het Kindeke, Wiens naam Jezus werd, van toepassing is.

O, we weten allen, dat er onder de menschen o zooveel ontrouw bestaat. De dichter van Psalm 146 zong zoo terecht : „Vest op prinsen geen betrouwen, Waar men nimmer heil bij vindt ?" En wie, zelfs onder Gods kinderen, zal zichzelf niet van gedilrige ontrouw jegens God en menschen te beschuldigen hebben ? Maar de trouw des Heeren mag boven allen twijfel verheven beschouwd. De trouw des Heeren kan door al de ontrouw van Zijn volk niet vernietigd wonden.

O, hoe dikwijls is dat al niet gebleken, nietwaar ?

Kent ge grooter ontrouw, dan de ontrouw eens door Petrus betoond ? Gij weet allen, tot driemaal toe heeft hij voor een eenvoudige dienstmaagd zijn Heiland verloochend. Tot driemaal toe heeft hij en dat onder de Ineest verzwarende omstandigheden gezegd, gezworen, gevloekt : ik ken den Mensch niet O ,wie der menschen zou zich niet met afschuw van zulk een discipel hebben afgewend? Wie der menschen zou van zooveel ontrouw niet gezegd hebben, dat zij onvergeeflijk was ? En toch, we weten hoe het Kindeke, Wiens naam Jezus was, hem trouw is gebleven. Toen de maat zijner ongerechtigheid vol was, heeft zijn trouwe Zaligmaker hem aangezien en Petrus heeft het ondervonden : „'t Was trouw al wart Hij ooit beval, Het stond op recht en waarheid pal, Als op onwrikbre steunpilaren.' '

En zou er wel één van Gods kinderen zijn die zich aan deze Petrus-zonde nooit heeft schuldig gemaakt? O, zeker, misschien dat de Heere ons voor dan uitbrekenden vorm van deze zonde heeft bewaard. Misschien dat we stof hebben om den Heere te danken dat wij wat den vorm betreft, voor deze zonde gespaard zijn gebleven. Maar wie van degenen die zalig worden heeft zich — zelfs na ontvangen genade — nooit aan verloochening van den Naam des Heeren schuldig gemaakt? Zal er dan wel één van Gods moet leggen ? Zal er dan wel één zijn onder allen die zalig worden, die zijn handen in onschuld kan wasschen ?

En als de Zaligmaker nu even ontrouw was als Zijn volk, o, gij gevoelt wel dat er dan niemand behouden, dat er dan niemand zalig zou worden. Maar nu is Hij de Getrouwe, die gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid toe. Even trouw als Hij was voor den afgedoolden Petrus, even trouw is Hij voor allen die Hem toebehooren, die in leven en in sterven Zijn eigendom zijn.

Hij weet wat maaksel zij zijn, gedachtig zijnde dat zij stof zijn. 'Hij kent Zijne schapen, niet alleen bij  name, maar Hij kent ze ook in hunne gebreken, Hij kent ze ook in hunne gedurige afwijkingen, Hij kent ze ook in hunne menigvuldige afdwalingen, waarmee zij te worstelen hebben.

Maar Hij, de Heere wordt niet veranderd, en dat is nu de eenige reden waarom zij als kinderen Jacobs niet zijn verteerd. In dien wij onfroftw zijn, Hij :blijft getrouw, Hij kan Zichzelven niet verloochenen.

En daarom .

Als een Herder wil Hij trouw 't Schaap in een woestijn aan 't dwalen Waar 't zichzelf verliezen zou Van den doolweg wederhalen.

Gelukkig, als nu in het nieuw begonnen jaar die noodzakelijke, die gewillige, die volkomene en die getrouwe Zaligmaker, Wiens naam was Jezus, de onze mag wezen Als Hij op den donkeren weg, in de onzekere toekomst die wij tegemoet gaan onze Gids en onze Leidsman zal zijn.

Wat dunkt u, zoudt gij dat reeds van dezen Jezus kunnen getuigen : ja zulk een is Zijn liefste, ja zulk een is Zijn vriend ? Dan is Zijn Naam een olie die ook over u uitgestort wordt.

Maar o, wat zijn er misschien nog velen, die op den achtsten dag na Zijn geboorte aan het Kindeke van de kribbe gegevens is. 

Ja van uw zijde behoeft aan het werk van de zaligheid niets meer toegedaan te worden. Hij is dse Eerste en de Laatste, de Alpha en de Omega , het begin en het einde. 

O, laat dit dan aan het begin van het nieuwe jaar uw vertroosting zijn, dat de Heere die in u een goed werk heeft begonnen, het ook zal voleindigen. Wien Hij liefheeft, die heeft Hij lief tot het einde, en wie door Hem zijn geggrepen, die zal Hij vasthouden tot in eeuwigheid. 

 

 

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's