Stichtelijke overdenking.
En hij kwam door den Geest in den Tempel. Lukas 2 vers 27a
Een veilig geleide.
We hebben het nieuwe jaar weer mogen beieven. Reeds het eerste tweetal van de 52 weken moet worden afgeschreven. Daar is nu eenmaal niets aan te veranderen ; de tijd glipt onder uwe handen door. Vasthouden kunt ge hem geen minuut, nog geen seconde. Wat met één begint, eindigt straks weer met de laatste. Toch zullen we den drang om onze vingeren te strekken naar wat komen zal, een oogenblik moeten weerstaan. Gebiedende eisch is n.l. een blik naar achteren te werpen. Temeer, waar de echo van het „Eere zij God in de hoogste hemelen" nog nauwelijks is verstorven. Verbindt hieraan de beide gedenkdagen, welke hierop onmiddellijk volgden en ge staat nog geheel op de basis van „Wat zal ik met Gods gunsten overlaan, Dien trouwen Heer' voor Zijn gena vergelden ? "
Wat past ons meer dan den Heere lof te zingen vanwege Zijne onverdiende gunstbewijzen. Het lag aan ons niet, dat we onze levensdagen verlengd zagen. Waar aan onze zijde tien-en honderdtallen vielen van degenen, die we gekend hebben, bleven wij nog gespaard. Ook al vielen ze vlak naast ons, onze stam bleef nog staan.
Zoo'n pas ontsloten jaarkring roept zooveel wakker. In de eerste plaats dienen we onszelf de vraag te stellen, wat voor nuttigheid heeft de prediking ons gedaan van heel het jaar dat voorbij vloog ? Hoe menig keer is het wee voor den goddelooze en het wél voor degenen die God vreezen niet tot ons uitgedragen ? Gelijk de golven op de kust en de klopper op de poort, heeft de Heere niet afgelaten telkens opnieuw uw levenszoom met genade te bevestigen.
Wat heeft het uitgewerkt ?
Staan we nog even ver af ? Zou dit wel mogelijk zijn, lezer ? Wanneer de deur niet openspringt, doet elke klop haar vaster kleven in de sponning. Als de golfslag de kust niet doet afbrokkelen, wordt zij door elke aanraking harder.
De prediking van het gansche jaar ligt weer achter ons. Hebben we in werkelijkheid het Kindeke ontmoet ? Heeft onze knie in waarheid gebogen voor den Koning in nederigheid ?
Wat is er eigenlijk bij ons omgegaan. Laten we den feitelijken toestand eens met nuchteren bük bezien. We leven toch zoo gemakkelijk over de dingen heen. Met schijn stellen we ons vaak tevreden. Het is vaak, alsof we bevreesd zijn onszelf rekenschap te geven. Op z'n allerhoogst een uitwendige roering, maar verder komt het niet.
Dit mag toch zoo niet blijven. Het Woord des Heeren zal moeten raken den bodem onzer ziel. Daartoe is niets minder noodig dan de werking des Heiligen Oeestes. Deze gaat nog rond om te geleiden
Bij dezen heerlijken arbeid worden we zoo duidelijk bepaald in de geschiedenis van den ouden Simeon.
Wat is en blijft dit toch altijd een treffend verhaal.
Juist vanwege den eenvoud, waarmede 't zich aandient.
En zie, daar was een mensch te Jeruzalem, wiens naam was Simeon.
Een mensch — kan het korter gezegd ? En toch, wanneer ge verder leest, zult ge 't niet trachten te ontkennen, dat dit minder zegt dan een eeuwenoude geslachtsboom, en de meest wijdsche titels.
Hij was een mensch, die God vreesde.
Het staat er zoo benijdenswaardig ; deze mensch was rechtvaardig en godvreezende.
Slechts twee eigenschappen worden hier genoemd, maar zij hebben een wereld in van rijkdommen.
Deze man verwachtte de vertroosting Israels.
Wat dit zeggen wil, is duidelijk.
Die Trooster, van Wien de Profeet gesproken had. Die komen zoude om de treurenden te troosten. Dien verwachtte hij.
De oude Simeon, de geringe man, van wien ge niets naders weet dan dat hij God vreesde en zijn weg wel aanstelde, zou volgens eene belofte des Heeren, de vertroosting Israels zien, dien Trooster, op Wien eeuwen de vromen hadden gewacht, naar Wien Profeten hadden gehunkerd en koningen uitgezien. Dit was hem door den Heiligen Geest beloofd.
Maar nu de vraag : zou nu alle strijd zijn geweken, alle twijfelzucht gebannen ?
Dan moest hij niet met zich hebben omgedragen een hart met twijfelzucht bevangen.
Wij kunnen het ons zoo lichtelijk voorstellen, met welke meeilijkhedert hij te kampen heeft gehad.
Vooreerst heeft zich daarbinnen een fluisterstem doen hooren : Simeon, voelt ge uw krachten niet minderen ? Simeon, uwe haren beginnen zoo schrikbarend te grijzen, dat ge er maar niet op rekenen moet.
Zou zoo iets groots, zoo iets geweldigs wel voor u zijn weggelegd? Mij dunkt, dat ge verstandig doet dit maar uit uw hoofd te zetten. De dood zal best komen voor ge Hem gezien hebt.
Welk antwoord zou hierop door den Gods man gegeven zijn, wat dunkt u ? Welk anders dan dit :
Zou Gods Geest dan liegen. Zou de Onveranderlijke Zijn Woord dan breken ?
't Schuilt toch niet in mij ; ik verbeeld mij niets, neen 't is enkel Gods vrijmachtige genade.
Wanneer Hij voor mij zoo iets heerlijks heeft weggelegd, waarom zou ik dan weigeren het te gelooven ?
Neen, ik zal wel den dood zien, mijne oogen zullen ras breken, maar vóórdat de doodsdraden geweven worden, zal ik den Levensvorst-hebben aanschouwd.
Zijn hart moest zwijgen en zijn vleesch zich gevangen geven, omdat hij zich gewillig overgaf in de hand des Heeren.
En waar voerde deze hand hem nu heen ? Het staat er niet zonder eenige bedoeling. Door den Geest kwam Hij in den Tempel.
In den Tempel te Jeruzalem. Met een Hoogepriester aan het hoofd en met Schriftgeleerden naast zich, die Ja wel wisten waar de Messias geboren zoude worden — immers op de vraag hun door Herodes gedaan gaven zij het rechte antwoord : „gij Bethlehem Efratha en wat er volgt in Micha 5:1" — maar daar henen trekken met de wijzen, doen ze geen van allen.
Wij zouden zoo zeggen : de vreeze des Heeren is hier geweken. En toch leest ge : „en hij kwam door den Geest in den Tempel".
Zou daaruit ook voór Gods volk nog niet iets te leeren zijn voor onzen tijd ?
Spreekt toch niet te ras : ik zal niet meer opgaan. Ook in onzen tempel is veel wat er niet behoort en wordt gemist wat nooit kan ontbreken.
Spreekt toch niet te ras : Gods leidt daarheen niet. Geest
Geeft verstandiglijk acht en trekt uwe hand miet af waar de Heere zelf niet afliet. Hij kan een zegen u schenken.
Och wij menschenkinderen passen het vaak zoo gemakkelijk uit, zóo en zóo alleen kan de Heere een zegen mij verleenen.
Zou nog niet gelden : Zijne barmhartigheden roemen tegen het oordeel. Alleen mag niet dit bij ons voorzitten : wat zondig is goed te heeten. De Heere zou in Zijn recht zijn eiken zegen te weren.
Als ook maar dit ons bedenken zij : werd naar verdienste gehandeld, naar recht onzerzijds, zoo zou geen Geest Gods zich ooit inlaten met eenig schepsel.
Simeon kwam in den Tempel, wijl de Heere hem daarhenen trok. We weten ook wat hem daar te beurt viel : zijne verwachting werd niet beschaamd. Hij vond er den Heere.
Waar zou de oorzaak schuilen, dat wij vaak zoo weinig, zoo heelemaal niets vinden ?
Vooreerst, dat wij zoo weinig kwijt zijn. Als wij niets verloren hebben, wordt onze aandacht ook door geen enkele , zaak geboeid.
AIs'wi] iets 'kwijt, alles kwijt zijn, n.l. de rust onzer zielen, dan komt het anders te staan. Dan wordt God gezocht, ook in Zijn Tempel. Dan wordt daar een heftig zielsverlangen openbaar : ik wou toch zoo gaarne, dat die Trooster eens tot mij sprak.
Wanneer daar honger is naar vertroosting, wat wordt dan naar de prediking verlangd. Immers dan voelt men : in dat woord schuilt Hij zelf. Als men maar komen mocht als een Simeon, door de drijving des Geestes, zoo zoude men Hem zien, die zondaren met Zijn heil begiftigt.
De Heere riep nog nooit een honger wakker, noch noodigde een hongerige aan een disch, waar geen brood is ter verzadiging.
Ziet van de leiding des Geestes hangt alles af. Als Deze gezonden wordt, heeft de ontmoeting plaats.
Dit is de eenige voorwaarde. Vandaar ook, dat de rechtgestelde ziele het den dichter nazingt :
Heer' ai maak mij Uwe wegen Door Uw Woord en Geest bekend, Leer mij hoe die zijn gelegen En waarheen G' Uw schreden wendt.
Als de Geest des Heeren een zondaar leidt naar den tempel, vindt deze zeker, want Hij gaat mee naar binnen.
We mogen wel eens de vraag elkander voorleggen, niet waar ? Hoe is onze gang gewoonlijk? Wordt het wel door ons bedacht, dat het heilige grond is, welke door menschenvoeten wordt betreden ? Hier houdt de Heere Zijn wandelingen.
Zoekt gij Hem ook te ontmoeten. Hem te zien in Zijn heerlijkheid, in Zijn opzoekende liefde als een Vertrooster ?
Dan moet onze knie eerst buigen, niet waar ? Gebeurt dit veel. Laat mij eens antwoord geven. O, zoo dikwijls wandelen wij hoogst roekeloos. O, zoo dikwijls spelen we met het heil onzer onsterfelijke zielen. O, zoo dikwijls hebben we niet eens aan bidden gedacht
Mag dit zoo blijven ? Een nieuwe jaarkring werd weer ontsloten. De Heere draagt de prediking uit in zichtbare vormen : Ik wil u nog genadig zijn.
Als wij hieraan ons oor eens te luisteren legden en den Heere vroegen :
Och schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, Mocht Die mij op mijn paan ten leidsman strekken.
Immers dan is ons pad veilig, dan zullen v/ij vinden. Die onze ziel behoudt. Dan zal onze voetstap zeker zijn, en het einde der reis worden besloten met het lied van volkomen overgave :
Nu laat G' o Heer' Uw knecht Naar 't woord hem toegezegd Thans henengaan in vrede ; Nu hij de zaligheid, Zoo lang door hem verbeid. Gezien heeft op zijn bede.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's