De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

27 minuten leestijd

De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.

XL

De Christen kan de eerste bladzijden van zijn Bijbel niet missen. Want daar wordt hem geleerd, dat achter de zienlijke dingen de Onzienlijke, achter de tijdelijke dingen de Eeuwige staat.

En daar wordt hem voorgelegd, dat alle dingen Gode moeten eeren, wijl zij door Hem zijn gemaakt en door Hem worden onderhouden, tot het doel, dat Hij Zelf gesteld heeft en in alles heeft ingeschapen.

Alles is als een zaad, dat de Heere, Die alles wrocht om Zijns; zelfs wil (Sp; 16 vers 4) heeft uitgestrooid, om voor de eeüwigheid vrucht voort te brengen tot 's Heeren lof en Sion tot zaligheid.

Over de schepping aller dingen zegt ons de Bijbel een en ander, dat we hier wel even mogen noemen.

Gen. 1 : 1 zegt, dat God in den beginne den hemel en de aarde schiep.

Dit eerste vers beschrijft een eigen, een afzonderlijk feit

In vers 2 bestaat de aarde reeds, zij het ook in woesten en ledigen toestand ; 't is een afgrond, waarover de duisternis zich uitbreidde ; alles is ongebaand en ongevormd.

't Is niet iets dat verwoest is ; maar dat nog woest, dat nog niet gevormd is. Er is geen licht, geen leven, geen organisch wezen, geen vorm en gestalte der dingen.

Die ongevormde, onontwikkelde toestand heeft eenigen tijd, hoe kort ook, geduurd. Want de schepping van hemel en aarde en de ongevormde toestand der aarde gaan aan den eersten scheppingsdag (vers 3) voorat De eerste dag begint met het licht en de nacht sluit dien eersten dag, welken God te voorschijn geroepen had. Zoo ordent Hij de dagen. En met de vorming van hemel en aarde en alles wat er bij hoort is de Heere zes dagen werkzaam geweest ; wat ons in de wet der tien geboden tot voorbeeld wordt gesteld. In die zes dagen was telkens een scheppend woord van Zijn almachtigen wil noodig om uit het ongevormde geschapene een welgeordend geheel, een toebereide wereld voort te brengen. Alzoo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir.

Stuk voor stuk heeft dus God Almachtig te voorschijn geroepen.

Het licht roept Hij eerst, om scheiding te maken tusschen licht en duisternis en Hij maakt de wisseling tusschen dag en nacht. Later komen de lichtdragers : zon, maan en sterren. Maar eerst formeert God Zelf het licht

Door de formeering van het uitspansel op den tweeden dag worden de wateren vaneen gescheiden, de wateren boven in den lucht-en wolkenhemel en de wateren beneden op aarde.

En op den derden dag laat de Heere den bodem oprijzen en voltrekt alzoo de scheiding tusschen land en zee hier beneden. Daarmede is de aarde geworden tot een geordend geheel met zeeën, bergen en dalen landen en stroomen ; waarbij de geweldigste werkingen van de in de natuur liggende krachten zijn openbaar geworden. Deze zijn door het machtwoord des Heeren en door de bezieling des Geestes opgewekt en hebben aan de aarde haar gedaante gegeven.

Zoo zien we, dat niets van zelf geschiedt; alleen het almachtig woord des Scheppers roept de thans bestaande verhoudingen uit den bajert te voorschijn. '

Nu is de heerschappij van de duisternis en van de woestheid en van den afgrond gebroken en op dezen zelfden derden dag worden ook de planten geschapen en maken haar voor de later verschijnende bewoners, dieren en menschen, geschikt.

De vierde dag is de dag dat de zon en de maan en de sterren aan den hemel geplant worden, als lichtdragers des daags en des nachts. Dan wordt aan die duizenden planeten de plaats aangewezen, die zij voortaan zullen innemen om de vaste tijden te regelen voor de aarde en de zee, voor mensch en beest. Dan worden de gangen van dag en nacht in vaste teekenen aangegeven en de aarde wordt met alle andere planeten in harmonie gezet Nu is de aarde toebereid als woonplaats voor bezielde, levende wezens ; en in beginsel zijn de tijden vastgesteld voor alles wat zich straks zal bewegen op 't land en in de zee.

Op den vijfden dag komt nu groote verandering.

Want op het machtwoord Gods brengen de wateren alle waterdieren voort en de lucht wordt vervuld met allerlei gevogelte. De zeeën en de rivieren wemelden van visschen en de vogels vlogen langs het uitspansel, terwijl de zon aan den hemel de almacht en de wijsheid Gods verkondigde.

En daarop volgt dan op den zesden dag de schepping-, van de anddieren, die - op Gods bevel uit de aarde • voortkomen, bepaaldeiijk in drie soorten : wild gedierte, vee , en kruipend gedierte. En eindelijk ook de schepping van den mensch, die naar zijn lichaam uit de aarde gevormd is, waaruit ook het dier te voorschijn kwam, maar door den Heere kunstig opgebouwd uit het stof, terwijl zijne ziele rechtstreeks door God geschapen wordt, waar de Schepper hem in de neusgaten blaast en hem alzoo maakt tot een levende ziel.

Zoo is de mensch geen verlengstuk van het dier ; geen eindstuk van de ontwikkeling der dingen. Maar de mensch is een eigen kunstwerk Gods. Zijn leven is niet behoorend tot den algemeenen geest des levens van plant en dier ; maar 't is herkomstig van Gods eigen adem.

Zoo werd heel de schepping voltooid. „En God zag al wat Hij gemaakt had en ziet, het was zéér goed." De Heere had een welbehagen in Zijn eigen werk. Daarom rustte Hij op den zevenden dag ; welke rust een gevolg is, niet van vermoeienis, maar van Zijn bevredigingen welgevallen in Zijn werken ; tegelijk dien dag zegenend en heiligend tot Zijn dienst en eere.

Wonderlijk en schoon is Gods scheppings werk en het zal alles moeten beantwoorden aan het doel dat Hij stelde

Want is de aarde duizenden malen kleiner dan vele planeten, de Heere stelde haar in godsdienstigen en zedelijken zin als het middelpunt der geschapen wereld. En al is de mensch in zekeren zin het zwakste van alle schepselen, daar de kracht van menig dier zelfs zijne sterkte te boven gaat en de krachten der natuur zijne sterkte verre overtreffen, toch is hij de koning der aarde, de kroon der schepping.

God maakte de aarde het middelpunt van het heelal, de woonplaats der menschen en daar is het Koninkrijk Gods geopenbaard in Jezus Christus, waarbij niets is te vergelijken in heerlijkheid.

(Wordt voortgezet).

Dr. Frederik van Eeden Roomsch.

De bladen hebben het gemeld, gemeld telkens weer, dat de bekende en gevierde letterkundige, dr. Frederik van Eeden (de schrijver o.a. van „de Kleine Johannes") zou gedoopt worden in het midden van de Roomsch Katholieke Kerk, welke plechtigheid op den tweeden Kerstdag ook heeft plaats gehad. Kort daarop kwam een tweede bericht, dat proL Valckenier Kips, hoogieeraar te Delft (oud-hoofdredacteur van het Utrechtsch Dagblad) met zijne doch ter oók naar de Roomsche Kerk is overgegaan. En direct daarop meldden de bladen dat nóg twee hoogleeraren Roomsch zouden worden, welk bericht intusschen door de waarheid achterhaald is, waarbij 't blijkt, dat genoemde hoogleeraren er niet over denken om zich bij Rome te voegen.

Een héél succes voor Rome ! En dat het uitgebazuind wordt en uitgebuit ligt voor de hand. Rome houdt er wel van om op den zegewagen te rijden.

Zou er nieuwe bekoring van Rome uitgaan in deze dagen van groote teleurstelling waarin zoo menige ziel ontnuchterd, moedeloos in donkerheid zit en niet weet van waar de hulpe komen moet ? De nieuwere wereldbeschouwing is voor menigeen failliet.

De Leekedichter zong al spottend :

Gij weet het groote nieuws, en hoe door 't nieuwe licht Van Theologen, Filosofen, Oekonomen, En andere Oomen, Nu eerlang hier op aard de hemel wordt gesticht! Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen ! 't Duurt nog een groote veertien dagen.

Maar de groote veertien dagen zijn voorbij en de hemel op aarde is er nóg niet. Integendeel. Voor menigeen is de nieuwere wetenschap en wereldbeschouwing als bomijs krakend ineen gestort. En waar de mannen der ongeloovige wetenschap den christenen voortdurend verweten, dat zij de armen troosten met de belofte van een zalig leven hiernamaals, terwijl bij hen een hemel op aarde werd beloofd — daar worden ze nu door hun eigen geesteskinderen verlaten onder aanklachten en verwijten, dat zij onmachtig zijn te geven wat ze beloofd hebben.

De moderne mensch" had geen kerkgebouw meer noodig. In de vrije natuur vond hij zijn Kerk. En het paradijs op aarde is aanstaande. Gelukkig het nageslacht, dat straks in broederbond in helderen zonneschijn op aarde zal leven, vrij, wijs, waar, goed

En nu stelt alles zoo teleur. Alles wat gebouwd is op eene ontwikkeling der menschheid levert teleurstelling op teleurstelling.

Ook dr. Frederik van Eeden, die geleefd heeft voor sohoonheid, genot, vrijheid, is teleurgesteld. En moe, ledig, armzalig, slap, gebroken, teleurgesteld valt hij nu in de armen van Rome.

Hij is gaan denken, nu ouder geworden zijnde, over de eeuwigheid, over het hiernamaals. En waar hij slap geleefd heeft, zonder tucht en zonder discipline, daar bekoorde hem langzamerhand hoe langs hoe meer de Roomsche Kerk, waar tucht is en discipline, waar de mensch naar wet en regel en voorschrift leven kan, om zoo het vleesch ten onder te brengen en dan uit de hand van den priester te ontvangen, wat hem gerust kan doen zijn voor het sterven en het leven hiernamaals. Naar een leven van den geest voor de gelukzaligheid verlangde dr. Frederik van Eeden.

En de Roomsche Kerk biedt het hem. Om het vleesch ten onder te brengen, nu het leven ten einde spoedt. En zoo zich voor te bereiden voor het hiernamaals.

Dr. Frederik van Eeden heeft een zelfgetuigenis gegeven, waarin hij dat nader uiteen zet. En daaruit blijkt, dat bij de nadering van den ouderdom de gedachte aan den dood een verschrikking werd. Hij voelde opeens, dat hij zijn levenstijd niet goed had besteed. Niet, dat hij zich aan excessen schuldig had gemaakt, neen, hij meende het altijd goed met alle menschen en had 't ernstig met het leven voor. Maar opeens kreeg hij een ontzettend gevoel, dat hij ontzaggelijk veel te kort kwam, dat hij rijn plicht niet deed op aarde. Zijn vele boeken en lezingen, ze beteekenden niets voor hem. Het was alles tevergeefs geweest. En hij gaat dan voort te zeggen :

»Ik heb geleefd voor schoonheid en genot, een leven van impulsen en ik heb gestreden voor de vrijheid, omdat ik meende, dat alleen in vrijheid het goede van den mensch zou kunnen uitkomen. Ouder geworden, voel ik, dat dit een verblinding is geweest en dan komt de verschrikkelijke gedachte, dat men het verzuimde niet meer kan inhalen. Niets is zoo verachtelijk als een onwaardige ouderdom en niets zoo moeilijk als waardige ouderdom. O, hoe heilzaam zou voor mij de godsdienstdiscipline geweest zijn, die ieder uur van den dag herinnert aan de beteekenis en aan het doel van het leven, dat is voorbereiding voor een eeuwig leven van den geest, voor de gelukzaligheid. Gij die meent, dat gij, ouder geworden, niet zoo over den dood zult denken als gij het nu doet, ik waarschuw u voor het vreeselijke lijden, dat ik heb doorgemaakt, voor het zelfbedrog, dat ik zoo bitter heb moeten beweenen. Mijn eenige uitkomst is geweest zelfvernedering. Alleen in de allerdiepste vernedering is uitkomst en rust. Verruiming in mijn bittere ellende heb ik pas gekregen, toen ik voelde de genade van eene Hoogere Macht.*

»Het leven moet zijn één zelfopoffering, één zelfbedwang, één volhouden van Jezus' geboden. Ik zou u willen bezweren : Geeft acht op mijne woorden. Laat ze eerder bij u ontkiemen, dan ze het bij mij zelf hebben gedaan. Luister niet naar de profeten van den hoogmoed en de vrijheid. Valsche profeten zijn het, die zeggen, dat ge uw vrijheid hebben moet. Men zal van mij spreken over seniele aftakeling en men zal zeggen, dat ik, ouder wordend, te zwak geworden ben, om de vrijheid te dragen. Het deert mij niet, ik weet dat het niet waar is ; ik weet, dat het de kracht is, die mij tot zelfvernedering dreef. De onweerstaanbare God zelf heeft het gedaan. Ons leven is bestemd tot godzaligheid en wie dat werkelijk gelooft, denkt er altijd aan, denkt altijd aan God. God dreef mij er toe, door mij té verbrijzelen onder zwaarmoedigheid en overgevoeligheid.*

Zóó is alles ineengezakt. En zoo is het nu een rusten in de armen van Rome. Om nog zooveel mogelijk goed te maken wat is verontachtzaamd. En Rome troost daarbij, dat in een weg van godsdienst-discipline de rust der ziel, de overwinning van den geest op het vleesch zal worden verkregen.

Arme dr. Frederik van Eeden ! Bedriegelijke Roomsche Kerk, met die schijn-schoonheid en die schijn-zekerheid, in een weg van discipline.

Jezus staat er buiten. En dan staat men buiten Jezus. Buiten Hem, die gezegd heeft : , , komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven."

De Christus der Schriften wordt niet gezocht en niet gekend. Hij, die de wet Gods heeft gehouden en alle gehoorzaamheid heeft volbracht en de zonden Zijns volks op Zich genomen heeft en door Zijn bloed verzoening heeft aangebracht en door Zijn Geest gerechtigheid en het eeuwige leven schenkt — die Christus wordt niet genoemd, niet geroemd, niet geloofd, niet beleden.

Het is bij dr. Frederik van Eeden niet : „ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij."

Het is en blijft : „ik leef en ik zal mij zelf met Rome's hulp het leven geven."

Maar die zijn leven zal willen behouden, die zal 't zelve verliezen ; doch die zijn leven als een arm zondaar mag verliezen, die zal hetzelve vinden in Jezus Christus, die gezegd heeft : „die in Mij gelooft, die zal leven tot in eeuwigheid."

Arme dr. Frederik van Eeden, die de tucht des Heiligen Geestes nog niet kent en de ware droefheid over de zonde nog mist.

Arme Roomsche Kerk, die den menschen steenen voor brood geeft en de zaligheid bouwt in het vleesch.

God geve dr. Frederik van Eeden uit genade nog het wonder van Zijn eeuwige liefde in Christus te leeren kennen en den vrede des harten door het bloed des Kruises te genieten, in den weg van Zijn Woord.

De klove is onoverbrugbaar.

Ds. Deetman, modern predikant te Oudshoorn (Z.-H.) zegt in antwoord op hetgeen „De Rotterdammer" (ds. Deetman is een oud-Rotterdammer, meenen we) schreef over hetgeen hij ergens gesproken had :

„Voor mij is de klove tusschen rechtzinnig en vrijzinnig onoverbrugbaar : hét zijn twee stroomingen die langs elkander heengaan, 't Verschil in Godsbeschouwing (een God, die verzoend wordt door 't bloed van Zijn Zoon, is de onze niet) — in Jezus beschouwing (Zoon of profeet), in Bijbelibeschouwing (onfeilbare Schrift of neerslag van godsdienstig denken), in 't gèloof aan wonderen (al of niet gebeurd), aan engelen (al of niet bestaand), enz., is zóó groot, dat er volgens mij met de zuivere orthodoxie geen overeenstemming is !

De Rotterdammer zij gerust : ik heb in Uithoorn „met open vizier" gestreden en heb het duidelijk laten uitkomen, dat die vrijzinnig wordt, héél, héél anders over allerlei dingen gaat denken.

Orthodox en modern vertegenwoordigen twee geheel verschillenide ievens en wereldbeschouwingen !"

Zoo denken wij er ook over. En daarom is ons oordeel steeds en nu nog méér, dat men er bij de modernen toch een eigenaardige eerlijkheid op na moet houden, als men dan toch maar in de Hervormde Kerk blijft, onder belofte het Evangelie van Jezus Christus naar Gods Heilig Woord te zullen verkondigen, de leer der Kerk vóór alles te zullen handhaven en in heel het optreden te zullen handelen naar den geest en het karakter der Nededandsch Hervormde Kerk, welke in leer en lied en sacrament, in catechismus, ja, in alles, niets anders wenscht te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd.

Wat door een onoverbrugbare klove gescheiden is, vereenige men toch niet!

Waar twee geheel verschillende levens en wereldbeschouwingen gevonden worden, daar zij men zóó eeriijk, dat men heengaat uit het huis, waarin men niet thuis hoort.

Een Koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat den ondergang tegen.

Sarcasme.

Ds. Baar, modern predikant te Alkmaar, schreef een paar weken geleden, dat het in Noord-Hollanid, waar het modernisme nu zoo lang geheerscht heeft in onze Hervormde Kerk, toch zoo allertreurigst gesteld is. Ledige kerken, onverschilligheid, stofvergoding, enz. enz. Hij schreef er bij, dat ook Rome dat wist .

Daarover is ds. Baar gecapitteld. Menige brief is hem daarover geschreven, die niet malsch was. Dat had hij niet mogen zeggen en niet mogen schrijven. Begreep hij dan niet, dat zulk een oordeel van een vrijzinnig predikant het modernisme geen goed zou doen ?

Ds. Baar komt nu in „D e H o e k s t e e n" Vrijzinnig godsdienstig weekblad, (zou de moderne Hoeksteen waarlijk wankelen, verzakken, bezwijken ? ) op dit zijn voor het modernisme compromitteerend geschrijf en op de door hem ontvangen brieven terug en schrijft vol sarcasme nu het volgende, dat we zonder commentaar hier laten volgen :

Het gaat goed, wonderlijk goed.

Op ons „Van Kerkelijk leven" van voor 14 dagen , ontvingen wij enkele aanmerkingen èn laten wij maar zeggen, niet bizonder prettige. Zóóiets hadden wij verwacht. Het is niet aangenaam, in een spiegel te zien en dan, hoewel men zelf vindt, dat zijn beeld er nogal vrij-goed uitziet, zoo achter zich te hooren mompelen : „hoe leelijk."

Nu, wij zijn wel wat zwartgallig geweest, naar wij eerlijk willen bekennen. Ja, véél te zwartgallig zelfs. Nu wij goed toezien, geeft de spiegel geheel iets anders te aanschouwen, dan wij toen zagen.

Wat wij nu hebben gezien, bij goed toekijken ?

1°. Het gaat uitstekend met de vrijzinnige richting.

2°. Het gaat uitstekend met de rechtzinnige richting.

3°. De Nederlandsche Hervormde Kerk bloeit.

Sub r. Zij slaat meer en meer in. De vroegerige onverschilligen, , vooral in de groote steden, geven thans teekenen van blakenden ijver. De enkele honderdtallen stemmers, zijn duizendtallen geworden. Overal wordt de onderdrukkende meerderheid, (d.w.z. kleine minderheid) omgezet. Geweldig is de toename van catechisanten, onder die vroegere jonge menschen, welke door het tweede geslacht der vrijzinnigen waren opgevoed, enkel voor hersenwerk, sport, tingel-tangel, negotie of vakarbeid. Vele kerken moeten worden uitgebouwd. De z.g.n. zedepreeken, doorspekt met dichtregelen van oudere en jongere dichters, voor heen door vele voorgangers gehouden, zijn bijna algemeen echte, diepgevoelde Evangelie-predicaties geworden.

Sub 2°. De opbloeiing, zooals onder sub 1°. medegedeeld, verzwakt de rechtzinnige richtiing uitermate. Zij verliest zienderwijze talloozen uit hare gelederen en waarlijk niet de slechtsten. De aanstekelijkheid der opbloeiing, de diepere inhoud der prediking, de zichtbare waarachtige vroomheid van de vrijzinnig-godsdienstigen heeft, zoo goed als geheel, de sluitboomen tusschen beide richtingen weggenomen. De steile eigengerechtigheid is bijna weggekrompen tot in de uiterste schuilhoeken, zooals Bommelerwaard en Wijmbritseradeel. Israels vreeselijke, soms monsterachtige God, Iaat men langer voor wat hij was. Men bedroeft zich zoolang het heil in „Christus' leer" te hebben gezocht en daarover den tijd te hebben verbeuzeld in nutteloos gekwezel, terwijl men verzuimde zijn voorbeeld ten leven zoo veel mogelijk te volgen. Diep gevoelt men wederom, dat Hij was en is en blijven zal de edele Menschenzoon, de Levensmeester, maar geen zonden der menschen wegnemende Middelaar ; dat Hij was en is en blijven zal het Licht der'Wereld, bij welks schijnsel de Godzoekende ziel God voor het hart vinden kan, maar geen wonderdokter, die met een „hocus pocus" de ziek-zondige mensch kan doen herboren worden.

Sub 3". Nu de scheidsmuren bijna overal zijn omgevallen, is, als met een tooverslag, de nood der kerk verdwenen. Zelfs in de z.g.n. Volksvertegenwoordiging, in de Twee de Kamer, wordt geen schofterige taal meer gehoord. Voorstellen tot meerderen bloei der kerk en tot bevordering van waarachtige christelijke doeleinden, worden daarin weer vernomen. Kerkvoogden beoogen niet langer klein-kringetje-belangen, maar werken van harte mee, met de hoogere kerkbesturen, tot het belang van de kerk, in haar geheel.

Hare emiiriti-dienaren, nog met of zonder echtgenooten, hare actieve voorgangers ook. met hunne gezinnen, zitten niet meer in treurig duister. Zij worden wél verzorgd. De preekjas is niet glimmend meer van ouderdom en geen advertentie komt meer voor in de godsdienstige bladen, waarin een arme collega een pantalon afbedelt van welgestelde ambtgenooten. Zelfs behoeft geen voorganger meer te worden bedeeld uit de Diaconiekas, zooals wel is geschied. De zending kent geen tekorten meer en 't meten met twee maten, van boven-af, zooals voorheen, door slechts één bepaalde richting te begunstigen, behoort tot het verieden. Voor al de candidaten tot den Heiligen Dienst is geen gemeente meer beschikbaar. Het is een wonder om te hooren en te aanschouwen.

En Rome treurt. De gloeiende glans van haat in het priesteroog is weer getemperd. De Internuntius durft zich ternauwernood meer doen gelden en geen Roomsch Minister of dito Tweede Kamerlid heeft langer den moed om ook maar eenigszins te zinspelen op opheffing van het processieverbod. Het utopistisch-materialistisch Wijnkopisme is als de sneeuw voor de zon gesmolten en een godsdienstig en waarlijk vroom socialisme, wordt door ontelbaren omhelsd.

Ja, het gaat goed, best, uitnemend. Wat tot voor enkele jaren onmogelijk scheen, is geschied. Het is een wonder in onze oogen. En dit alles is bereikt, wijl plotseling door Protestantsch Nederland werd ingezien, dat 1°. wanneer op zooveel verschillende altaren 't vuur werd nedergelegd, de offers niet zouden worden aangenomen en daardoor de geestelijke broedermoord ongekende afmetingen zou aannemen ; 2°. wanneer al dat vuur, het vuur der liefde tot God, Jezus en de menschen, op é é n altaar werd opgetast, Godes zegen niet kón uitblijven.

Met diepe schaamte ziet men terug op den tijd, waarin het onheilig vuur der ontbinding hoog oplaaide op de altaren der onverschilligheid en leerheiligheid, van materialisme en farizeïsme, van ongeloof en bijgeloof, van lauwheid en fanatisme. Die tijd is. Godlof, voorbij. Thans brandt en rookt alleen weer het altaar der dienende liefde, eens door Christus ontstoken, buiten hetwelk God, de Vader, geen altaar erkent.

Deez' spiegel dwinge elkeen, zeer ernstig te overdenken. Of hij zijn beelt'nis klaar en goed in hem aanschouwt ; Oók voor de kerk biedt hij, mijns inziens, goede wenken, 't Is zeker buiten kijf : d é é z' spiegel is vertrouwd. Jan (de) Bakker.

Het doel van onzen strijd.

Onze Geref. Bond heeft een doel ; en haar doel is om te bevorderen, dat de waarheid naar Gods Woord meer en meer heerschappij zal krijgen in onze Ned, Herv. (Geref.) Kerk.

We hebben Gods Woord, dat eeuwig zeker is.

En op den bodem van dat Woord is onze Gereformeerde Kerk gebouwd, gelijk zij zelve in haar belijdenisschriften nader aanwijst en keurig uiteenzet.

Die belijdenisschriften heeft men krachteloos willen maken; de belijdenis heeft men buiten de deur willen zetten.

Die actie tegen de belijdenis bewijst haar waarde en haar kracht. Men merkte, dat er een belijdenis was. Die belijdenis stond leelijk in den weg. En toen heeft men alles gedaan, om die belijdenis uit te bannen en krachteloos te maken. Men wilde een Hervormde Kerk zonder reformatorische beginselen ; een Kerk, die niets meer zou zijn dan een geadministreerde Vereeniging van elk wat wils.

Maar algemeen kwam protest en men heeft het niet kunnen doorvoeren, om een Kerk zonder belijdenis te krijgen.

Wat men honderd jaar met de belijdenis gedaan heeft bedoelde, om zich van haar te ontdoen. Maar men moest telkens ervaren dat de geest des volks tegen dat pogen in verzet kwam en men is altijd halverwege blijven steken in het afschaffen van de belijdenis.

Men zette haar opzij en men moest haar tegelijk weer in bescherming nemen, vanwege het algemeen verzet tegen een belijdenislooze Kerk.

O, dat onwaarachtig geschipper in onze Hervormde Kerk door hare bestuurderen !

En zoo is de belijdenis gebleven ; wel zóó, dat men' er zoo weinig mogelijk last van zou hebben ; maar ze is er toch nog. Als protest tegen de begeerde leer-vrijheid. Als protest tegen allerlei wind van leer.

Daarom hebben ook, ondanks alle pogingen om onze Hervormde Kerk tot een Vereeniging van elk wat wils te maken, de voorstanders van leeringen, die met de Reformatorische beginselen principieel verschillen, in onze Nederlandsche Gereformeerde Kerk geen zedelijke rechten en geen aanspraken van beteekenis. Als ze er als vrijzinnigen zijn, zijn ze dat tegen den geest en de bedoeling van onze kerkelijke reglementen in ; zijn ze dat, tegen eigen verklaring in.

El'ke reglementswijziging in den loop der jaren — de historische gegevens zijn voor 't grijpen — heeft tenslotte bewezen, dat men onaangetast wilde laten de belijdenis, de leer der Kerk, wat wezen en hoofdzaak, wat aard en karakter van die belijdenis, die leer, aangaat.

Wil men één voorbeeld ? De Synode van 1841 verklaarde bij monde van ds. D e r m o u t , , dat het gewijzigd formulier van onderteekening voor de proponenten (de proponentsformule dus van die dagen), al vordert het ook geen instemming met den ganschen inhoud der belijdenisschriften, 2ich echter niet vergenoegt met de aankleving van deze of gene waarheid daarin vervat, maar in 't algemeen, de leer, die in dezelve (de belijdenisschriften dus) voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk, door den leeraar dier Kerk wil aangenomen hebben."

Deze uitspraak, die aan duidelijkheid op dit punt niets te wenschen overlaat en zegt, dat verwerping Van de belijdenis niet geoorloofd is ; dat ook niet voldoende is, dat maar een stuk of een brok van de belijdenis wordt aangenomen ; maar dat de belijdenisschriften in wezen en waarheid moeten worden aanvaard en onderschreven —deze uitspraak is in 1854 nog eens herhaald en sinds nooit losgelaten.

Aan die leer, aan die belijdenis in haar belijdenisschriften uiteengezet en verdedigd door de Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk, houden we vast, naar uitwijzen van Gods Woord. En die belijdenis laten we niet toe, dat zij door deze of gene — velen of weinigen — principieel en radicaal zouden worden tegen gesproken of daadwerkelijk op nonactiviteit zou worden gezet.

Juist omdat we op den bodem der belijdenis staan en uit de reformatorische beginselen, daarin zoo kloek en keurig uiteengezet en verdedigd, leven mogen, voelen we ons „thuis" in de Hervormde Kerk, die eischt van allen, die tot haar behooren, dat het evangelie van Jezus Christus naar Gods Heilig Woord, daar zal worden verkondigd en haar leer zal worden gehandhaafd door allen die vanaf den kerkeraad tot de Synode over haar gesteld zijn om haar te besturen.

Maar omdat we het geknoei ten opzichte van de belijdenis, nu honderd jaar en langer duidelijk zien en al lang moede zijn, zullen we alles wat in ons vermogen is doen, om het beginsel van onze Gereformeerde belijdenis, de belijdenis onzer Hervormde Kerk, vaster te maken, waartoe we gaarne alle Waarheidsvrienden in onzen Gereformeerden Bond willen vereenigen. Eendracht maakt macht, en het is goed en nuttig en noodig dat broeders en zusters in den geloove samen vergaderen en zich vereenigen rondom de banier der Waarheid.

Spot men dan met die „waarheid" — dan zeggen we, dat we deze zelf niet hebben uitgedacht noch gemaakt, maar dat ze is naar Gods Woord ; dat ze is naar de leer der apostelen en profeten ; dat ze is het dierbaar pand, waarvoor te strijden christenplicht is en in dezen tijd vooral de dure roeping van allen, die iets verstaan van den ernst, die uit alles wat geschiedt spreekt tot ons, en onze kinderen.

Mee om de positie der Kerk gaat het in deze dagen.

Om de positie van onze Vaderiandsche, met de natie saamgegroeide Gereformeerde of Hervormde Kerk. En we zullen het niet toelaten, dat die Kerk verzwakt wordt door die laffe, onedele, oneerlijke, ongeoorloofde pogingen, om haar van haar belijdenis te berooven.

Daarom zullen we ons vereenigen en we zullen vereenigd strijden, zoolang tot de Hervormde Kerk zich gereorganiseerd heeft op den onbewegelijken grondslag, van God Zelf gelegd en ons in Zijn Woord geopenbaard ; op het historisch fundament harer belijdenis — óf dat zij, bezweken voor overmacht, geweld en onrecht, zich ontdaan heeft van vormen, die bedriegelijk zijn, om dan als een kleurloos en karakterloos ding te verdwijnen als Kerk.

Eén van beide moet gebeuren. En gereorganiseerd zijnde op de Schriftuurlijke basis .vreezen we voor haar toekomst als Kerk van Nederiand niet. Dan zullen alle ware belijders van den Christus, hetzij ze nu binnen of buiten hare grenzen leven, zich in haar midden vergaderen en zij zal als de Kerk van Christus, levend onder haar verheeriijkt Hoofd, in dezen lande zijn als een brandende kaars, als een schijnend licht en als een zoutend zout ; zij zal de banier der Waarheid opwerpen en haar arbeid uitzetten en niet rusten voordat in heel dezen lande het Woord des Levens wordt verkondigd ; ja, zij zal uitgaan tot buiten onze grenzen, om in gemeenschap te leven met andere Kerken die Gods Woord liefhebben ; om ook heiden en Mohammedaan den eenigen Naam, die onder den hemel is gegeven tot zaligheid, bekend te maken.

Dan heeft onze Hervormde Kerk in dezen lande toekomst.

Maar vallend in de handen dergenen, die den Christus Gods loochenen als het Lam Gods ; Hem loochenen, als gestorven voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking, zal zij haar ondergang tegemoet snellen. Dan zullen die loochenaars van den Christus der Schriften, die een ander evangelie verkondigen, dan het evangelie des Kruises dat Paulus verkondigde, straks veriegen zitten met de Kerk, die geen Kerk meer is. Ze zullen verlegen staan in de steden en in de dorpen — gelijk we nu reeds zien, dat er nog wel moderne dominé's zijn, maar moderne gemeenten zijn er niet meer.

Dan maakt men alles dood en ook de Kerk zelve zal dood gaan, gelijk zij dan ook niet waard is, dat ze in het leven blijft.

Dan zal de Hervormde Kerk vervallen, uitsterven, verdwijnen ; waarbij 'n stuk der historie wordt afgesloten om der zonde wil.

Verdwenen dan. Waarbij de Heere andere wegen openen zal, andere middelen zal geven. Dan zal een ander de plaats innemen van de Kerk, die lange werd gespaard, maar die dan — wat God verhoede — welbewust en gewaarschuwd tegen God, tegen Christus, tegen Gods Woord kiezen zou.

Moet deze laatste weg des oordeels over onze Hervormde Kerk komen, het zij zoo. God is niet onrechtvaardig ; wij hebben het ook verdiend, verdiend door al dat hinken op twee gedachten, dat scharrelen met de heiligste beginselen, dat krammen en lijmen, dat verwerpen en tegenspreken van hetgeen de Heere ons in Zijn Woord openbaarde en ons in de belijdenisschriften der Kerk gaf. Ja — wij hebben gezondigd ; wij en onze vaderen.

Doch — we willen dien weg niet afbidden. We willen het komen van dat oordeel ook niet lijdelijk en werkeloos afwachten.

We willen den Heere smeeken, dat zulk een vreeselijk oordeel onze Hervormde Kerk mag worden bespaard. En we willen alles, alles doen wat recht en plicht, wat eerlijk en goed is, om het oordeel af te wenden door de Hervormde Kerk op te roepen, aan te sporen, te vermanen en te noodigen, om toch af te laten van alle zondige wegen en weder te keeren tot den Heere, Die vanouds heeft gezegd : keer weder tot Mij, gij afkeerige kinderen en Ik zal uwe afkeeringen genezen en gij zult Mij eeren.

Niets onzedelijker is er, dan bestendig het geloof der Kerk te laten bestrijden.

De Kerk zelf moet weer opwaken en zelf weer aan het woord komen, om te zeggen, dat zij niet doodgedrukt wenscht te worden door een allerongelukkigste bestuursinrichting, die geheel met het wezen der Kerk in strijd is ; en dat zij niet duldt, om langer gedwongen te worden, temidden van kwade, verachtelijke practijken, ja en neen Iegelijk te moeten zeggen.

Om de eere Gods, om de wille der Waarheid, om oorzake van een waardige positie der Kerk in het midden des volks moet het anders worden.

En hier is periculum in mora ; hier ligt gevaar, groot gevaar in het talmen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's