Allerlei.
Cleyne Sonden.
Stofregen acht men niet: maer die der lang' in treden.
Die dringt se tot de huyt en op de naeckte leden :
De sonden diemen cleyn en lioht te wesen acht,
Die hebben menicih om syn salicheyt gebracht.
Kleyne Gave
De weduwe, die wierp twee stucxkens in de kiste ;
Geprezen is van Hem, die haren voorraet wiste ;
Elcks gaef is aengenaem, die deelt nadat hij heeft.
God rekent niet hoeveel, maar van noeveel men geeft.
J. Revius 1586—1658.
Open vensters naar Jeruzalem.
Daniël in de ballingschap had zich het gebed van Salomo bij de inwijding des tempels herinnerd ; hij bad dagelijks met het gezicht gericht naar Jeruzalem, naar de plaats der aanbidding, al was die wegens de zonde des volks verwoest.
Zijn open vensters naar Jeruzalem zijn een lieflijk beeld daarvan, dat wij in ongebroken gemeenschap met God kunnen verkeeren, welke ook de omstandigheden van ons leven zijn. Al was Daniël een voornaam staatsman aan het hof van den Heidenschen koning Darius, toch hield hij met heilige energie vast aan zijn gewoonte, om driemaal daags zijn knieën te buigen voor God, en tot Hem te bidden en belijdenis te doen van zijn geloof. Die gewoonte was voor hem geen ijdele vorm, maar een behoefte des harten.
Ach, wisten we allen meer bij ervaring, welk een heihgende macht de dagelijksche omgang met God op onze ziel uitoefent. Is er bij ons inderdaad een leven des gebeds ! Of zijn onze „vensters naar Jeruzalem" gesloten ? Openen we ze enkel, wanneer het ons bang te moede is geworden door den nood ? Laten we de lucht des hemels slechts nu en dan door de geopende vensters binnen, of zijn wij, gelijk Daniël, gewoon te leven in hemelsche lucht ? Met gesloten vensters gaat het onze ziel niet goed; ons geestelijk leven kan niet groeien en tieren, zoo wij geen dagelijksche gemeenschap met God hebbpn.
Ik loop, niet als op het onzekere.
„Wanneer gij heden sterft, waar zult gij dan van avond zijn ? In de hel ? O foei, neen zegt gij, dat zou al te vreeselijk zijn ! In den hemel dan ? Neen, zegt gij, dat kan men zoo maar niet zeggen !
En zoo staat het er bij velen bij, dat ze niet weten , waar zij heengaan na den dood. Het is, alsof ze voortgaan op een groot heideveld in een dikken mist."
Met deze woorden hoorde ik eens een ouden predikant zijn preek beginnen. En had hij geen gelijk ? Verkeeren niet tallooze men schen in het onzekere, als men hun vraagt, Vv'aar ze heen gaan ?
Ze zijn gelijk een man, die met vlugge schreden langs een weg voortstapt, den eenen Kilometerpaal na den anderen voorbij, en als ge hem staande houdt en hem vraagt : „Waar gaat gij heen ? " dan antwoordt hij : „Dat weet ik niet ; ik ga maar voort en voort, en ik zal wel ergens terecht komen."
Ze zijn gelijk een mensch, die in den trein zit, en als ge hem vraagt, aan welk station hij uitstappen zal, dan antwoordt hij : „Ik weet niet, waar deze trein heengaat."
God zij gedankt, dat Hij ons niet in het onzekere wil laten. Wie zich tot Hem bekeert, weet wél waar hij heen gaat. Wie tot God gekomen is door Jezus Christus, weet wel dat hij naar den hemel gaat. Jezus is de weg ten hemel ; wie op dezen weg is, komt zeker tot het doel, maar die ook alleen.
Daarom is 't voor ieder mensch zulk een ernstige vraag, of hij wel op den rechten weg is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's