Uit het kerkelijk leven.
De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.
XII.
Zoo is het scheppingswerk voltooid in zes dagen. En alles eindigde in den rustdag, om voor Gods aangezicht geheiligd en gezegend te worden. Zoo moet alles oprijzen tot Zijn eer en glorie. Zoo moet alles dienen om Hem groot te maken.
Daartoe moest vóór alles meewerken de mensch, het pronkjuweel der schepping, beeld en kind van den eeuwigen God.
De eerste bladzijde des Bijbels is onze brief van adeldom:
„Laat ons menschen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis", sprak de drieëenige God. „En God schiep den mensch naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hem ; man en vrouw schiep Hij ze."
Al is de mensch dus uit de aarde genomen, daarin verwant aan de dieren des velds en daardoor niet los van de lagere schepping, héél de schepping van den mensch is toch op zoo geheel éénige wijze toegegaan, dat het aanstonds in 't oog springt, dat de mensch van meet af een eigen wortel en stam krijgt, wat de Apostel uitdrukt met deze woorden : „wij zijn van Gods geslacht" ; een woord, ook zelfs bij de oude heidenen bekend.
Door dit alles staat de Schriftuuriijke, christelijke beschouwing aangaande den oorsprong des menschen principieel tegenover die van de wijsbegeerte der evolutie. Deze veronderstelt op grond van den bouw van het menschelijk lichaam niet slechts een nauwen samenhang tusschen mensch en dier, maar verwerpt elke voorstelling, die gewaagt van een afzonderiijke wording des menschen. De mensch is volgens de evolutieleer saamgeknoopt aan en ten nauwste verbonden met dat deel der natuur, waartoe de mensch volgens den bouw van zijn lichaam behoort: hij is wezenlijk van hetzelfde soort als het dier. En de D a r w i n i s t wijst de aap aan als de moeder van den mensch.
Mensch en aap behooren tot de elkander nabestaande bloedverwanten en er is een tijd geweest, zegt men, dat zij bij elkaar hoorden en uit elkaar zijn voortgekomen, waarna de mensch een ander ontwikkelingsproces heeft doorgemaakt dan de aap. Een dierlijke afstamming des menschen dus.
Velen waren deze opvatting reeds vóór het optreden van Charles Darwin (1809—1882) toegedaan. Diens roem is het echter geweest, dat hij een zeer groote menigte van waarnemingen deed, die betrekking hadden op het leven van mensch en dier en die moesten bewijzen, dat er nauwe verwantschap bestaat tusschen beiden. Hij wees een weg aan, waarin de afstamming des menschen van 't dier mogelijk gemaakt werd en een gansche schaar van geleerden volgden hem gaarne in dezen weg : de mensch was uit een lager soort wezens voort gekomen en had zich langzaam ontwikkeld uit een uitgestorven apengeslacht !
Zoo leert de wetenschap ; die den mensch óf te vondeling legt, door te zeggen : we weten niet waar de mensch vandaan komt ; óf hem een aap tot stamvader geeft! • Gelukkig hebben wij de schoone bladzijde van Gods Woord nog, waar ons zoo eenvoudig, maar zoo heerlijk, de oorsprong, van den mensch wordt beschreven : zijnde van Gods geslacht!
Door God is de mensch geschapen ; door het woord van Zijn almacht, om uit te voeren Zijn eeuwig voornemen, dat werkelijkheid wordt als de Drieëenige zegt : „laat ons menschen maken, naar ons beeld en onze gelijkenis."
Door het inblazen van Gods Geest werd de mensch tot een levende ziel, voor een eeuwigheid geschapen, dragende het beeld Gods in kennis, gerechtigheid en heiligheid.
Elk schepsel is op zijne wijze en in zijne mate belichaming van eene goddelijke gedachte; Maar onder alle schepselen is alleen de mensch beeld Gods, de hoogste en rijkste openbaring Gods en tegelijk het hoofd der geheele schepping.
De Heilige Schrift stelt deze leer van den mensch als evenbeeld Gods in 't ware, volle licht en voor ons, die dat Woord erkennen als Gods Woord is er geen twijfel aan, of de Heere heeft na opzettelijke beraadslaging den mensch naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis geschapen, hem stellend tot een heer van het geschapene.
Dat is heel wat anders, dan van een aap af te stammen I En dat is óók heel wat anders, dan hem oorspronkelijk als een onbeholpen natuurproduct te denken, waarvan door allerlei invloed langzamerhand nog iets gemaakt kan worden.
Neen ! de Heere heeft den mensch, Adam en Eva, geschapen met een rijk leven ; een verstandelijk leven met ingeschapen wijsheid ; een z e d e 1 ij k leven met ingeschapen heiligheid ; een godsdienstig leven met ingeschapen gerechtigheid.
De mensch dus oorspronkelijk geen onnoozel kind, dat van niets weet.
Want gelijk hij van stonde aan naar het lichaam volwassen was, is hij van stonde aan een volwassen, welbewust, vrij handelend mensch, door God op het heerlijkst toegerust met de beste gaven, om den Heere met hart en mond te loven hier op aarde en daarna eeuwig met Hem te leven in den hemel. Om hier in alles Zijn Naam te belijden, in Zijne wegen te wandelen en Hem lief te hebben met alle krachten — na dit leven ingaande in de eeuwige heerlijkheid, die bij God is.
Geen kinderlijke onnoozelheid dus bij den eersten mensch.
- Maar de staat der rechtheid was nog geen staat der heerlijkheid.
In het paradijs op aarde lag het eindpunt niet.
De hof van Eden was slechts het voorportaal van de eeuwige heerlijkheid. Wat n u was zou voorbijgaan en dan zou de eeuwigheid aanbreken. Het was het voorportaal van het huis, dat de Heere eeuwig hierboven den mensch had toegezegd.
En nu moest de mensch die in ziel en lichaam naar het beeld Gods geschapen was, en in verstand en wil en hart, ja, in al zijn genegenheden de gelijkenis Gods droeg, door twee boomen, in den hof geplant, dag aan dag herinnerd worden aan zijn hooge en heerlijke roeping : om God lief te hebben met geheel het hart, met geheel het verstand en met alle krachten ; om den Heere aan te hangen en Hem te dienen met geheel de ziel. Deed hij dat, dan zou hij aangedaan worden met eeuwig-onverliesbare zaligheid. Deed hij dat niet, dan zou hij vallen in eeuwig-onherstelbare rampzaligheid.
Dat wist de mensch. Zonder alwetend te zijn, had de mensch — man en vrouw, zooals ze door God goed geschapen waren — een helder, onbeneveld, klaar inzicht in den wil Gods, wetende van dood en kven, van vloek en zegen, van rouw en zaligheid, 't eene door ervaring, 't andere door onderwijzing en bizondere openbaring Gods.
En nu stond de mensch vrij als bondeling tegenover God, zijn Maker en Onderhouder ; en hij stond vrij in het midden van de wereld, door den Heere aan zijne zorgen toebetrouwd, om, tusschen de twee groote boomen van leven en dood geplaatst, vrij en ongedwongen een keuze van hartelijke liefde voor God of een keuze van wantrouwen en ongehoorzaamheid t e g e n God te doen.
Aan dat proefgebod moest het uitkomen, of (de mensch God God wilde laten ; of hij het aan zijn Schepper wilde overlaten, om te bepalen wat goed en wat nietgoed is ; of hij aan den Heere toebetrouwde het beschikken over zijn weg en zijn lot; of hij zich in God gelukkig voelde — óf dat hij zelf iliever de teugels in handen wilde nemen en een ander wilde gehoorzamen dan Hem, Die hem gemaakt had.
En dat wilde de Heere weten van den enkelen mensch niet alleen, maar van demenschheidin haar geheel. Daarom schiep de Heere man en vrouw, saam door het huwelijk verbonden, opdat in dat menschenpaar, met heel de menschheid in hunne lendenen, zou uitkomen wat het menschengeslacht wilde.
Alzoo had de Heere alles geschapen en geordineerd, wandelende met den mensch, Zijn kind, in een weg des verbonds.
Maar vóór dat het eerste menschen paar hun eerstgeborene aanschouwt, hebben zij zich van de hooge plaats der eere, waarop hun het vérgezicht op het eeuwigzalig leven was geschonken, neergestort in den afgrond van diepe ellende, dood en verdoemenis — en dat door moedwililige ongehoorzaamheid, verleid zijnde door de slang, het instrument van satan.
(Wordt voortgezet).
Gelijkstelling verkregen.
Met 1 Januari 1922 is de financiëele gelijkstelling tusschen bijzonder en openbaar onderwijs een feit geworden, als vrucht van de wet-de Visser.
Men fluistert, en hier en daar zegt men het ook hardop, dat de nieuwe lageronderwijswet niet in alle opzichten is toe te juiohen. Iemand wist al te spreken van 32 eischen waaraan 't bijzonder onderwijs moet voldoen volgens de wet, van welk groot getal banden er zijn die niet weinig hinderlijk zijn, zelfs zóó hinderlijk en schadelijk, dat ze, hoe eer hoe liever, moeten worden weggenomen.
Wij gelooven ook, dat er wel bezwaren zijn in te brengen.
Dat men van de regeling van l.o. en u.l.o. op de wijze als de wet die voorschrijft en eischt heel veel pleizier zal beleven, betwijfelen we. Onze 9-klassige M.U.L.O.-scholen, waar we onze leerlingen zoo echt prettig konden onderwijzen van het 1ste jaar tot en met de 9de klasse, zijn weg. Of gaan weg. Daarvoor hebben we in de plaats gekregen, de 7-klassige lagere school, waarvan de 6de klasse moet aansluiten aan de 3-jange kop-school voor u.Lo. Alleen wanneer men een lagere school met een 3-jarig u.lo.-afdeelimg wil verbinden en deze twee afdeelingen saam (l.o. en u.l.o.) niet meer dan 220 leerlingen tellen, is dat toelaatbaar. Dan mag het in één gebouw, onder één hoofd, saamgebracht worden en kan aan de ilagere school ook één onderwijzer boven het getal benoemd worden.
Voor deze regeling is een overgangstijd tot 1925 of 1926.
Wat óns betreft, we hopen dat hier de wet spoedig radicaal gewijzigd mag. worden en dat wat hier verslechterd is mag worden verbeterd en hersteld.
Ook meenen we, dat de beperking van het getal kinderen voor de lagere school tot een maximum van 400 kinderen, (treedt 1 Jan. 1924 in werking) niet gelukkig is te noemen.
En het systeem van de z.g.n. eenheidsschool schijnt ons een z.g.n. democratische liefhebberij, waarvan men niets dan ellende zal beleven.
Nu zijn dat betrekkelijk geen beginselkwesties, in den zin waarvan we op het terrein van het bijzonder onderwijs tot nu toe gewoon waren te spreken ; 't raakt althans niet onze godsdienstige overtuiging. Toch zijn het geen onbelangrijke dingen. Waarbij gemakkelijk nog allerlei andere zaken waren op te noemen. Maar daar willen we het nu niet over hebben. Een commissie van vertrouwensmannen op onderwijsgebied moet zich maar eens ernstig met de heele aangelegenheid der schoolwetgeving gaan bemoeien, om straks een zakelijk voorstel tot wetswijziging (verbetering) te doen.
Wat we nu in herinnering willen brengen, is, dat met 1 Januari j.l. de gelijkstelling op onderwijsgebied is verkregen. Het bijzonder onderwijs, dat steeds als minderwaardig werd beschouwd in vergelijking van het Overheids (openbaar) onderwijs, heeft nu een gelijkberechtigde plaats verkregen, en overal heeft men vrijheid, binnen de perken van de wet, een bijzondere school te bouwen. Dat is de groote gebeurtenis, door de nieuwe wet tot stand gebracht, waarvoor we den Heere niet genoeg kunnen danken.
Wel zal men, mee door de kritieke omstandigheden waarin de Rijksschatkist verkeert en de gemeentefinanciën zich bevinden, wellicht hier en daar groote moeilijkheden ondervinden bij de aanvrage tot schoolbouw. Ook kan het voorkomen, dat gemeente-autoriteiten — of autoriteitjes — alles doen wat mogelijk is om schoolbouw te verhinderen of op de lange baan te schuiven. Maar naar luid van de wet i s er volkomen gelijkstelling en daar moeten we gebruik van maken en ons telkens aan vasthouden, tot uitbreiding en verbetering van onze scholen met den Bijbel.
Hier even voor de giftige splijtzwammen te waarschuwen, die in het donker bij voorkeur groeien, willen we niet verzuimen. Die giftige, lompe giftplanten, soms zoo mooi gekleurd van buiten, moeten, overal waar ze 't hoofd omhoog steken, maar stuk getrapt worden. Ze zijn tot geen ding nut.
Hoe zeer ons de Heere in de financiëele gelijkstelling gezegend heeft, springt nu des te duidelijker in 't oog, als we nog eens even in onze herinnering terugroepen, dat er bij de behandeling van artikel 205 in de Tweede Kamer een amendement van socialistische zijde kwam, waarin werd voorgesteld, dat het rijk al de terreinen en gebouwen met de daarop rustende schulden van openbare en bijzondere scholen zou overnemen.
Onteigening dus zonder schadevergoeding !
Dan zouden we dus nu geen jaariijksche vergoeding naar de geschatte waarde van de gemeente ontvangen.
Dan zouden we zelfs geen scholen meer in eigendom hebben I
Zal deze poging der socialisten voor ons volk, bizonder voor ons christenvolk, een baken in zee zijn ? Een waarschuwende stem, om toch te waken, dat we uit de macht der socialisten mogen blijven ? Ook b.v. wat betreft de financiëele verhouding van Kerk en Staat?
Doordat het socialistisch amendement verworpen is — en ook b.v. een amendement van de vrijz. democrattische Kamerieden die de uitkeering a 6 % te hoog vonden — krijgen onze Schoolbesturen nu een jaariijksche vergoeding van 6.214 % der geschatte waar de uit de gemeentekas, zoolang als de school bestaat ; wat waariijk geen onbeteekenende zaak is.
Er kan nu van de oude schuld worden afgelost ; de rentebetaling aan de obligatiehouders enz. wordt dan jaarlijks minder en de jaariijksche vergoeding uit de gemeentekas blijft onafgebroken 6.214 % van de nu geschatte waarde van school en terrein en meubileering. (Zie art. 205 van de Wet).
Zien we nu voorts hoe de financiëele positie der Bijzondere Scholen is ten opzichte van de publieke kassen, zoowel wat het Rijk als wat de Gemeente betreft, dan krijgen we dit : het Rijk betaalt de jaarwedden van de onderwijzers, zoowel van de operabare als van de bijzondere scholen. De Rijkssubsidie voor de schoollokalen vervalt. Daarvoor komt nu de Gemeentekas aansprakelijk te staan. Want de Gemeente moet zooveel voor de openbare als voor de bijzondere scholen zorgen voor : 1°. 't geld voor school bouw ; 2°. rentebetaling van de waarde der bestaande scholen en 3°. de exploitatiekosten van de schoolinrichting en het onderwijs, waaronder dan volgens art. 55 begrepen is : a. geringe en dagelijksche reparatiën van de schoolgebouwen (als bedoeld in art. 169 van het Burgert. Wetboek), b. onderhoud van de schoolmeubelen en aanschaffen van schoolboeken, leermiddelen, schoolbehoeften ; c. veriichting en verwarming en schoonhouden van de schoolgebouwen ; d. onderhoud schoolbibliotheken en e. andere uitgaven ter verzekering van den goeden gang van het onderwijs.
Dit alles wordt elk jaar door de gemeenten aan de schoolbesturen vergoed. En nu kan (in Januari) het bestuur van een bijzondere school bij de gemeente aankloppen om een voorschot op de exploitatiekosten van ten hoogste 80% ; waardoor dus het bestuur bij de gemeente in rekening-courant komt, gelijk het dit reeds is bij het Rijk ten opzichte van de rijksvergoeding inzake de salarissen.
De financiëele betrekkingen tusschen het schoolbestuur en de gemeente zullen dus nog al ingewikkeld worden. Want allereerst krijgen we de kwestie van de schoolgelden. Die zijn vanaf 1 Januari j.l. niet meer voor het schoolbestuur, maar voor het gemeentebestuur, dat zelve een verordening en een regeling voor de schoolgeldheffing gemaakt heeft, door alle ouders van schoolgaande kinderen, naar hun inkomen, te taxeeren voor het schoolgeld dat te betalen is. Of dus het schoolbestuur of het gemeentebestuur voortaan het schoolgeld doet innen, het moet toch steeds naar de vastgestelde regeling der gemeente geschieden (voor de openbare en voor de bijzondere scholen gelijk) en het bedrag dat aan schoolgelden inkomt is niet meer voor de school-, maar voor de gemeentekas.
Natuuriijk zal dit grootere veranderingen geven. Soms was het schoolgeld voor de openbare school bespottelijk laag, terwijl 't schoolgeld voor .kinderen der bijzondere school in dezelfde stad of 't zelfde dorp nog al hoog moest worden opgevoerd. Dat is nu uit. En natuuriijk ook het omgekeerde, dat het aan de bijzondere school veel lager zou kunnen zijn dan op de openbare. Het gemeentebestuur heeft het geregeld voor alle scholen en alle kinderen ; en de wet is uitgegaan van het beginsel dat de ouders hebben bij te dragen naar evenredigheid van hun inkomen. In klassen zijn alle ouders ingedeeld en in de verordening staat bij welke inkomens men van schoolgeld betalen vrij is. Het laagste schoolgeld bedraagt 5 cent per leerling en per week, de vacantiën inbegrepen (art. 64 L.O.-wet), het hoogste is de kostende prijs per leerling.
Men heeft gevraagd of b.v. in groote gemeenten geen z.g.n. klasse-scholen mogen worden ingericht, waarbij dan de kinderen, die hoog schoolgeld betalen bij elkaar op dezelfde school kunnen gaan en de kinderen die laag of geen schoolgeld betalen óók in één school kunnen worden ondergebracht. Zoo zou men dus z.g.n. standen-scholen krijgen. Maar de Minister heeft verklaard, dat art. 63 zich daartegen verzet, omdat daar is voorgeschreven, dat op alle lagere scholen in een gemeente het schoolgeld gelijk nioct zijn. Op elke (openbare) school moet dus elk kind uit elk gezin een plaatsje kunnen krijgen, zoowel de kinderen die het hoogste als die het laagste schoolgeld betalen ; rijken en armen samen op één school dus.
Voor het bijzonder onderwijs geldt alleen de bepaling, dat het schoolgeld vastgesteld wordt door het gemeentebestuur en dus niet door het schoolbestuur, maar het schoolbestuur blijft vrij om bij het bijzonder onderwijs dus allerlei scholen in te richten voor kinderen van één en 't zelfde soort.
De hyper-democratische regeling voor het openbaar onderwijs, waar de openbare scholen o.i. veel last van zullen krijgen en groote schade door zullen lijden, geldt dus niet voor onze christelijke scholen.
We zeiden reeds, dat de schoolgelden, ook van de bijzondere scholen, in de gemeentekas vloeien.
Hel schoolbestuur kan wel zelf de schoolgelden innen — en we hopen, dat verreweg de meeste bijzondere scholen dat zullen doen — maar het moet dan toch de schoolgelden afdragen aan de gemeente. Innen de schoolbesturen zelf, dan krijgen ze ook kasgeld.
In elk geval , of het schoolbestuur de inning aan zichzelf houdt of het door de gemeente laat geschieden, blijft het schoolbestuur aansprakelijk voor wanbetalers (onwil, ziekte, werkloosheid, enz.) Zij zullen hetgeen tekort komt moeten bijpassen. Niet de gemeente, maar het schoolbestuur lijdt dus schade, als er wanbetalers zijn.
Of we dan nog suppletiefondsen kunnen gebruiken ?
Ons dunkt van wèl. Want onvermogende en minvermogende ouders zijn wel vrijgesteld nu bij het openbaar én het bijzonder onderwijs. Daarvoor is een suppletiefonds niet meer noodig dus. waar in tijden van ziekte, werkloosheid, enz. zou een suppletiefonds onmachtigen te hulp kunnen komen ; dan is de schoolkas gedekt. Maar men zal dan vanwege het suppletiefonds, los van de schoolvereeniging, aan de ouders zelf 't geld ter hand moeten stellen waar het noodig en eerlijk is. De schoolvereeniging mag dat : niet doen, die moet schoolgeld eischen, ontvangen en afdragen. Doch het suppletiefonds kan natuurlijk aan de betrokken ouders geld ter hulpe bij de schoolgeldbetaling ter hand stellen. Wat de gemeente tekort komen zou op den post schoolgelden van de bijzondere school, kort zij eenvoudig op de subsidie welke aan de school is te betalen. Zij is dus altijd gedekt. De schoolbesturen zouden eventueel door middel van suppletiefondsen zéér gebaat zijn, als dat tenminste aan de ouders hulp wilde verleenen, waardoor het schoolgeld dan betaald kan worden.
Uit alles blijkt, dat de verhouding van de bijzondere scholen tot de Rijks-en Gemeenteschatkist een héél andere is geworden nu; en dat de lasten der schoolbesturen grootelijks zijn weggenomen. Want wat een leerling der openbare school aan de gemeente kost, wordt door het gemeentebestuur óók betaald aan de bijzondere school.
Natuurlijk zal door het schoolbestuur van alles en alles voortaan nauwkeurig moeten worden boekgehouden, want alles moet worden verantwoord en voorgelegd aan de autoriteiten. Daarbij zal er door den penningmeester onderscheid in zijn boeken moeten worden gemaakt tusschen de uitgaven, die door het Rijk en de uitgaven die door de gemeente volgens de wet moeten worden vergoed.
Het zal nu de vraag zijn, of hetgeen ons bijzonder onderwijs nu genieten mag na een zoo langen en bangen strijd van meer dan 80 jaar, voor onze scholen met den Bijbel tot zegen of tot schade zal zijn.
We wezen al op die giftplant, die zoo spoedig mogelijk, hoe schoon oo'k gekleurd, moet worden onder den voet geloopen.
En voorts worde in de besturen, in de schoolvereenigingen, ook door de onderwijzers en onderwijzeressen verstaan, dat het bij ons christelijk onderwijs gaat, om de kinderen in aanraking te brengen met den Heiland en hen te vormen en te onderwijzen, opdat ze straks in het midden van het leven Gods deugden mogen verkondigen naar Zijn Woord.
Om dien Christus en om dat Woord en om die verkondiging van 's Heeren deugden moet het dan ook bij de besturen en bij de onderwijzers gaan. En gelukkig de school, waar men in de vreeze des Heeren mag wan delen en handelen — dan zal de Heere' nooit beschamen en dan zal de school ook groeien en 'bloeien tot eere van 's Heeren Naam en tot zegen voor het opkomend geslacht, de toekomst van ons volk, de toekomst ook voor de Kerk des Heeren onder ons.
Een protest tegen een protest.
Een nieuwe tijd brengt nieuwe dingen, waarvan vele dingen slechter zijn dan de oude. Dat dachten we, toen we het volgend bericht in de „N.R. Cour." lazen :
Een protest.
De Ned. Hervormde ring Bergum (classis Leeuwarden) heeft besloten de volfende motie te zenden aan ds. B. G. C. Steenbeek te Waddinxveen, die Zondag 15 Januari 1922 te Suawoude—Tietjerk als predikant zijn intrede zal doen :
„De ring Bergum, overwegende, dat volgens besluit van de ringvergadering van 12 September 1921 aan U verzocht is geworden het beroep naar Suawoude— Tietjerk niet aan te nemen, tenzij de Gemeente schriftelijk 'beloofd had zich te zullen onderwerpen aan het Reglement op de predikantstracteme; „overwegende, dat het beroep door U is aangenomen, zonder dat de Gemeente een dergelijke verklaring heeft gegeven ;
„overwegende dat U daardoor getoond hebt meer voor eigenbelang dan voor dat van de Kerk en den predikantenstand te gevoelen ;
„meent daarom metterdaad tegen Uw handeling te moeten protesteeren door bij Uw intrede afwezig te blijven."
Ds. Steenbeek is dus geboycot door den ring ; hij is in den ban gedaan, net als in de wereld van de Vakbeweging door de organisatie besloten wordt te posten, te pesten, bij het werk te hinderen, desnoods dood te slaan, wanneer er zijn, die niet willen meestaken en die niet willen mee-ageeren tegen over getroffen maatregelen of vastgesteld loon.
Waar gaan we toch heen ? Moeten we nu heelemaal den weg van de „Vakvereeniging" op met onzen predlkantenstand ?
Moeten we nu heelemaal dansen naar de pijpen van den Bond van Predikanten, die al lang in deze richting stuurt, dat als een gemeente niet precies wil als een zekere strooming onder de dominé's, die gemeente zal worden uitgesloten en een beroep naar zoo'n gemeente zal worden genegeerd ?
Hoe moest ds. Israël het ontgelden, toen hij een beroep naar Finsterwolde dorst aannemen, terwijl toch de secretaris van den Bond van Predikanten, ds. Boer, besloten had, dat die gemeente herderloos zou blijven
En nu die zelfde zotte potsenmakerij van den ring Bergum tegenover collega Steenbeek, die van Waddinxveen naar Suawoude is gegaan.
Wij hopen, dat ds. Steenbeek kloek en waardig een protest tegenover dat protest zal stellen en den ring Bergum zal antwoorden , dat hij zélf zal uitmaken, of hij een beroep zal aannemen of niet en dat hij volstrekt niet van plan is om op bootwerkersmanier zich te laten behandelen en voor bedreigingen van boycot allerminst van plan is uit den weg te gaan.
En we willen deze gelegenheid nog eens waarnemen, om in bescheidenheid te waarschuwen voor dien geest, die hoe langs hoe meer uit den Bond van Predikanten spreekt en dien wij in onze Hervormde Kerk niet moeten hebben.
Wil men in die richting gaan leven, Iaat men dan bootwerker worden, dan kan men het tenslotte met de gespierde knuisten uitvechten. Maar onder ons, predikanten, moet een andere geest blijven heerschen.
We zijn niet gerust op deze dingen. Vooral niet waar de Bond van Predikanten nu een vrijgestelden secretaris heeft gekregen. Want een „vrijgestelde" moet toch wat te doen hebben, moet toch ijverig zijn, moet toch reclame maken en moet toch succes kunnen boeken, anders is z'n baantje spoedig aan 't eind En daar zijn we nu juist niet erg gerust op, nu het in de predikantenwereld den weg van een „vrijgestelde" op gaat.
Dat loopt met dien „Vakbond" onder de predikanten verkeerd.
En als we dan lezen, dat de ring Leeuwarden ongeveer ƒ900.— beschikbaar gesteld heeft voor „den vrijgestelde" van den Predikantenbond, dan protesteeren wij tegen den protesteerenden ring Bergum en we betreuren, dat de ring Leeuwarden zoo machtig royaal is geweest juist in deze zaak
Wij, Gereformeerde dominé's, moeten ons verre houden van dien Predikantenbond ; ook den vinger moeten we niet geven, waar het hoe langs hoe meer den materialistischen kant uitgaat.
En onze Gereformeerde gemeenten moeten intusschen alles doen wat naar Gods Woord roeping en plicht is, ook in het onderhouden van de dienaren des Woords, die om Gods wil en om huns werks wil er recht op hebben, dat zij met hun gezin naar behooren kunnen leven en die er op moeten kunnen rekenen, dat zij straks, bij ziekte of ouderdom, niet onverzorgd worden losgelaten, door de gemeenten welke zij hebben gediend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's