Een huurhuys.
2 Cor. 5 vers 1. Het vleesch dat ons het lichaam deckt, En al de leden overtreckt.
Noem dat een huurhuys, lieve vrient. Vermits het ons maer weynigh dient. Een huurhuys is gemeenlijk slecht, Als licht en vaerdigh opgerecht.
En schoon men al het slecht gebou Tot beter wesen brengen wou.
De huysheer wil het dickmael niet, Hoewel hij schoon de feylen slet ; Hij wil niet dat men kosten doe.
Hij is misschien den huurder moe. Het blijven of het henen gaen Plach aen den huurder niet te staen. 't Lijf is maer huur, geen eygen goet, Soo dat men haest verhuysen moet.
Indien uw huurtijt is volent, (Dat aen den huysheer is bekent). Eylaes ! daer is geen bidden aen.
De huurlingh moet daer henengaen. Welaen, mijn ziele ! tot besluyt: Slet ons naer vaster woningh uyt.
Slet dat je tot het huys genaekt, Dat met geen handen is gemaeckt. O God ! als ghy my seggen suit: Verhuyst, uw' huurtijt is vervult.
Geeft, dat lck dan magh zijn bereyt Als een, die uyt een huurhuys scheyt. Om soo te gaen, met blijden geest, Daer geen verhuysen wort gevreest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's