Uit de Pers.
Het Vfouwenstemrecht
Ook ds. Van Eyck van Heslinga te Berlikum (Fr.) heeft in het „Hervormd Zondagsblad" zijn meening gezegd aangaande het vrouwenstemrecht. Hij schrijft :
„Principieel gelooven wij niet, dat het •vrouwenkiesrecht op schriftuurlijken grond, te handhaven is. Met de aanhaling van een paar teksten en de verwijzing naar uitzonderingen als Debora, is dit vraagstuk niet opgelost.
Om daartoe te komen, dient men o.i. in acht te nemen de bestemming en de roeping van de vrouw, zooals ze doorloopend in de Heilige Schrift wordt aangegeven — beide hoog genoeg, maar naar het ons voorkomt, de vrouw op een ander terrein plaatsende, dan waar het stemrecht haar brengt.
Voor zoover wij zien kunnen, ontkomt men daaraan ook niet met „nog niet", als zou de schriftuurlijke lijn toen nog niet ver genoeg doorgetrokken zijn, maar nu terecht naar het politiek terrein doorgetrokken worden.
Doortrekken is mogelijk, maar niet zonder de lijn krom te trekken.
De geschiedenis mag hier ook een woord meespreken, en indertijd gaf mr. Verkouteren op dit gebied een zoo goed gedocumenteerde voorlichting, dat zij o.i. moeilijk te evenaren is.
Stelt men hiertegenover, dat het vrouwenstemrecht niet anders is dan een eisch des tijds, dan is dat zeer betrekkelijk waar.
Het is , n.l. een eisch van de revolutionairen die ook hiermede bedoelen de revolutie nader te brengen en, als zij dien eisch niet gesteld hadden, zou, naar alle waarschijnlijkheid, geen mensch er aan hebben gedacht het vrouwenstemrecht naar den voorgrond te brengen.
Door het toegeven aan de eischen van die zijde is de tijd zoodanig geworden, dat men in hetzelfde spoor voortgaande, nu aan dit station komt.
Men dient dan ook dit vraagstuk niet in het afgetrokkene, maar in dit licht te zien. En dan mag met zeker recht beweerd worden van de zijde der revolutionaire partijen, dat men hiermede een zeer verheven doel heeft en dat zelfs wil trachten te bereiken, al lijdt men zelfs schade, omdat door het vrouwenstemrecht, bij de a.s. verkiezingen, hun tegenpartij zal worden versterkt, — men vergete met, dat men door de invoering een schrede verder deed op den weg, dien men van die zijde voorstelt als leidende naar een soort van aardsch paradijs. Want om dit paradijs te bereiken moet de vrouw van hare plaats.
Zij moet individu worden op zichzelven staande, gelijkberechtigd met den man en die rechten uitoefenende, want, naar het heet is het niet mogelijk, dat mannen zorgen voor de rechten der vrouw en kunnen ook de mannen de vrouwen niet raadplegen, als het over dingen gaat, waarin de vrouw thuis is of waarin zij verondersteld mag worden het beste inzicht te hebben.
Het h u i s g e z i n, de grondslag der maatschappij, moet, naar men van die zijde wil, de wereld uit. Men wil menschen, personen, geen vaders, moeders, kinderen van een gezin, maar kudde-dieren, in den trant van het tegenwoordige Russische paradijs, waar een soldaat van het roode leger het recht heeft lederen dag uit alle vrouwen te kiezen.
Maakt de vrouw los van, de banden, die haar thans binden en die haar man en kinderen binden aan haar, brengt haar van den warmen haard naar de kale vlakte van het publieke leven en met hare gewaande heerschers-rechten is zij een stap nader aan het heerlijke ideaal — der slavernij.
Bij de beoordeeling van het vrouwenstemrecht, op zichzelf .genomen, dient men niet te vergeten, in welk kader van beginselen het thuis behoort.
Een andere vraag is of men dan, allerminst die beginselen willende, nu het vrouwenstemrecht er eenmaal is, dit ook moet uitoefenen, m.a.w. of ook onze vrouwen straks naar de stembus moeten — een vraag die wij toestemmend beantwoorden.
De reden is de volgende : Ons geheele politieke leven staat, wat ide inrichting daarvan betreft, op den grondslag der revolutie. Omdat het beginsel van regeer niet in het instituut „Overheid" vast ligt, heeft het stemrecht der massa ook daarover zeggingschap en wordt ons volk, gewoonlijk om de vier jaar, naar een ander beginsel geregeerd. Als bij het spelen der kinderen wordt ieder op zijn beurt eens officier. Wie het worden zal, hangt af van de gunst der massa, die haar gunst geeft aan wie het meest belooft.
Want het gaat niet om bet heil van den Staat, maar om dat der partijen en de massa vraagt het liefst naar het grootste brok uit den algemeenen pot.
Wij voor ons zien wel hoe dit anders worden kon, maar niet, hoe dit anders worden zal.
Er is geen stilstand, getuige ook het vrouwenstemrecht, en natuurlijk leidt een bepaalde koers naar een bepaalde haven — die wij niet wenschen te bereiken.
Van het stemrecht dient daarom gebruik gemaakt, ook door de vrouw, om te keeren wat te keeren is. Doet zij dit niet, dan bevordert zij hetgeen zij niet wil.
Maar, bij dit gebruik maken worde niet vergeten, dat men dit doet ondanks zichzelve, noodgedwongen, zooals men zooveel gedwongen is te doen wat men liever nalaten zou. Niemand loopt graag door den winternacht met een brandemmer, maar de omstandigheden kunnen er naar zijn, dat men het moet doen.
En voorts — wat de toekomst van ons volk in haar schoot verbergt, weten we niet, maar de God, die haar in Zijne hand houdt, weet het wèl."
B.
V. E.
In het „Hervormd Zondagsblad voor Fries land" èn in „Oude Paden" lazen we een artikel van de hand van G. I. v. d. P. te B. of, wat hetzelfde blijkt te zijn : I d s a r d i. (Idsardi, de schrijver, is dus de heer van der Ploeg, godsdienstonderwijzer te Bolsward ?
We brengen hem gaarne hier een eeresaluut voor de uitnemende lectuur welke hij ons reeds verschafte, in de hoop, dat er meer nog volgen mag). Het artikel, dat we bedoelen, draagt tot opschrift Roode Hulsten luidt als volgt:
Bij gelegenheid van het jongste Kerstfeest is door de S.D.A.P. een Kerstkrant verspreid Eigenlijk meteen een verkiezingskrant, omdat in dit blad door de vooraanstaande personen in de partij de ontwapeningsleus wordt aangeheven als inzet van den politieken strijd, die inzonderheid dit jaar ons volk wacht, en waarmee men onder de mannen en ook onder de vrouwen van ons volk, stemming zoekt te maken. Teneinde door het uitmeten van de oorlogsgruwelen en de voordeden van den wereldvrede, de a 1 g e-heel e ontwapenings idéé er te zien in te krijgen, en een duurzaam vrederijk op aarde te stichten.
Opvallend is het, hoe daarin vooral ook gehengeld wordt, om de Roomsch Katholieke arbeiders in het Socialistisch net te krijgen , teneinde bij de komende verkiezing met deze machtige Staatspartij, in ééne richting te kunnen samenwerken.
't Is te begrijpen, dat dit laatste door de Roomsche pers heel goed wordt doorzien, en — afgeslagen, doch niettemin blijft het teekenend dat de roode partij thans van daar vooral hare sterkte zoekt te krijgen.
Toch zou 't ons niet verwonderen wanneer er ook onder ons Christenvolk gevonden worden, die bekoord door de hooge vredesideé, en de prachtige voorstellen van socialisatie in eene nieuwe maatschappij waar alleen de samenwerking en geen concurrentie de grondslag van de productie vormt, bij zichzelf de gedachte voelden opkomen, dat dit toch het ware is, en in déze lijn het heil van het volk gezocht moet worden.
Wat zou het volgens sommigen heerlij.k zijn, als er b.v. , geen .kapitaal meer was. Als allen hadden te beschikken over de productiemiddelen en over den grond en over de voortbrengselen van landbouw en bedrijf. Dan was er met één slag een einde gemaakt aan de armoede, en aan alleriei misstanden in het leven, en dan zou het hier nog eens een wereld worden, waarin iets van de paradijsheerlijkheid terug kwam, die volgens zeker oud Boek, eenmaal op deze aarde geweest moet zijn.
Maar daarom moet dan ooik het kapitaal eerst weg, en dan natuuriijk volle bezit, en dan zal het vrede zijn ! Zoo droomt men, althans, zoo wordt het de menigte vóór gesteld, en om dit doel te bereiken is het noodig zich te werpen in de armen van de S.D.A.P. en zich te scharen onder de roode vlag.
Dit is in het kort de inhoud van „Roode hulst", en ongetwijfeld zal in de eerste maanden op dit stramien wel verder worden voortgeborduurd, om zoo bij de verkiezingen zoo mogelijk een goeden slag te slaan.
't Spreekt vanzelf, dat de behandeling van het ontwapeningsideé ook onze meer dan gewone aandacht trok, niet het minst, omdat wij persoonlijk over dit punt reeds vroeger een artikel schreven, in verband met de conferentie te Washington. Doch wat ons bij het lezen van deze Kerstkrant aanstonds opviel, het is weer het groote verschil in beschouwing tusschen de mannen der Socialistische partij en ons. Vooreerst, omdat er verschil is ten opzichte der beoordeeling van wat met een enkel woord het „bezit" genoemd kan worden. Volgens de volbloed S.D.A.P.-er i s en b 1 ij f t alle eigendom diefstal. Het kapitaal moet de wereld uit, of dit nu bestaat in een hoop geld of in onroerend goed, doch tot hiertoe is ons nog niet recht duidelijk geweest waar het kapitaal begint. Tenzij men zeggen gaat „bij de eerste cent, die men zijn eigendom noemt." Miaar geldt dit dan ook niet van de betrekking of de positie, die in het maatschappelijk leven ingenomen wordt, met voorbijgang, of vooruit streven, of opzij zetten van anderen ? .Betreft dat dan ook niet de salarissen, die b.v. door vele ambtenaren worden genoten, en waarbij ook de Socialisten niet nélaten te trachten de hoogste te krijgen ? Zouden er onder hen niet velen gevonden worden, die een inkomen genieten, waardoor zij zélf in de oogen van arme tobbers, tot wie zij spreken, kapitalisten genoemd moeten worden ?
Het verwondert ons, dat de Socialistisohe arbeiders, die dag uit, dag in gevoed worden met eene spijze, welke hen in verbittering doet opstaan tegen alle bezitters, daar nooit op vallen, en zij tegen eigen voormannen nimmer gaan zeggen, dat zij door daden hebben te toonen, dat hun theorie in eigen levenspractijk openbaar moet worden. Of zouden de heeren dan misschien antwoorden, dat zij daartoe aanstonds zullen over gaan, zoodra de geheele maatschappij in déze richting vervormd is? Maar dan zal het zeker nog even duren, voor en aleer de hemel, waarvan men zoo gaarne de goegemeente droomen laat, op aarde komt, en als de zaak niet zoo ernstig was, en men ook van zijn tegenstanders het beste moest denken, zouden we haast geneigd zijn te vragen, of dit geen opzettelijke volksverleugening is, waarin men zélf niet geloofd, en — in den grond ook niets van hebben moet !
Bovendien, men zou denken dat Rusland hier aan elk een afdoend, waarschuwend voorbeeld gaf.
Daar is evenwel nog een veel grooter verschilpunt tusschen de Socialistische en de Christelijke levensbeschouwing, dan het reeds genoemde. Want de allergrootste fout waaraan de Kerstkrant der .S.D.A.P. zich schuldig maakt, is deze, dat zij „het stuk der zonde" wegdoezelt. Dat zij geen rekening houdt met het natuurlijk hartsbestaan van den mensch, en vergeet, dat dit bij allen die niet door den Geest Gods worden wedergeboren, openbaar wordt in haat en nijd tegen allen en alles. Tegen God en den naaste, omdat .de natuurlijke mensch een liefhebber is van zichzelven. O, als alle menschen waren zooals zij wezcn moesten en het eenmaal zijn zal, als de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komt, die het geloof verwacht en waarop gerechtigheid wonen zal, —dan was geen leger noodig, en kon alle militairisme zeker worden afgeschaft.
Maar dan is óók geen politie en justitie noodig, omdat God dan alles in allen is en niemand meer verderven zal. Dan komt het vrederijk, maar — dan zal éérst volgens het Woord, de mensch der zonde moeten zijn teniet gedaan en Christus over allen Koning zijn. Dan is geen zwaard meer noodig en óók geen kapitaal, en dan, maar ook niet eerder, wordt het hooge idealisme van een algemeenen wereldvrede, werkelijkheid. Om dat het dan vrede wordt door .den Vredevorst. Doch hier zien wij een onoverkomelijke klove tusschen óns en de S.D.A.P., die van dit alles niet weten wil. Omdat hen dit voor het heden niet bevredigt.
B.
G. I. V. d. P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's