De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat én Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat én Maatschappij.

8 minuten leestijd

Tenslotte toch geen verschil.

Onlangs schreef de Eindredacteur van „De Gereformeerde Kerk", dat het hem verdroot, dat wij ten aanzien van hetgeen de voormannen der beweging inzake artikel 36 der Belijdenis bedoelen, in het duister zitten. Die duisternis moest worden weggevaagd, opdat het zoowel voor ons als voor ieder ander klaar komt te staan, wat de voorstanders van het onverzwakt handhaven van het genoemde artikel uit de Belijdenis in het opfeomen voor dat artikel ook op Staatkundig terrein voor oogen hebben.

Wij verheugen er ons over, dat wij destijds onze onbekwaamheid over ide .beteekenis der woorden uit het artikel der Belijdenis : „Van het ambt der Overheid", zooals deze door de nieuw opgerichte Hervorm de (Gereformeerde) Staatspartij worden verstaan, hebben te kennen (gegeven, want daaraan danken wij thans, dat in de „Gereformeerde Kerk" van 26 Januari van de hand van een bekend deskundige op dit terrein over dit onderwerp een uitnemend artikel wordt gegeven, dat tot opschrift draagt: „Om t e w e r e n e n uit te roeien alle afgoderij en valschen g o d s d i e n s t."

In dit artikel wordt de vraag onder de oogen gezien, wat de werkelijke zin is van de bewuste woorden uit onze Belijdenis.

Het antwoord daarop luidt: dat, waar in artikel 36 gesproken wordt: over het „zwaard der Overheid tot straf der boozen en bescherming der vromen" en dan eenige regels verder : van het „uitroeien van alle afgoderij en valschen godsdienst, " daar duidelijk sprake is van tweeërlei taak van de Overheid.

Ten eerste van een taak, die de belijdenis „de politie" noemt; of de bestraffing der boosdoeners en de bescherming der vromen (vroom heeft hier de beteekenis van „braven" ; „pour maintenir les gens de bien" staat er in den oorspronkelijken tekst).

Voor deze taak geeft de belijdenis aan de Overheid het zwaard in de hand.

Staan wij bij deze eerste taak, gelijk ze in de „Gereformeerde Kerk" wordt omschreven, even stil, dan is er in dit gedeelte der Overheidstaak een wonderlijke overeenkomst — en dit wisten we wel — tusschen hetgeen de voorstanders van de handhaving van artikel 36 voor het Staatkundig leven willen en de beginselen, welke op dit punt de Anti Revolutionairen voorstaan. Immers het heet in artikel 13 van het program der Anti Revolutionaire partij : dat tot herstel van de geschonden gerechtigheid desnoods de doodstraf kan voltrokken worden, waartoe het recht in beginsel aan de Overheid toekomt. Zelfs doet het ontwerpprogram van actie van de Anti Revolutionaire partij een stap verder door te vragen : „Herstel van het recht der Overheid om den moordenaar aan het leven te straffen."

En nu wat de tweede taak der Overheid betreft, daarover schrijft de „Gereformeerde Kerk":

Vervolgens spreekt de belijdenis nog van een tweede taak der Overheid, die zij duidelijk aanwijst als rakende den heiligen K e r k edi e n s t, en die dus ook niet verder moet worden uitgestrekt. Die taak is dan om in den Kerkedienst de ketterij uit te roeien en het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het Evangelie te doen prediken, enz.

Hoe deze taak intusschen behoort te worden uitgevoerd en welke maatregelen dienen genomen te worden om b.v. in den Kerkedienst de ketterij uit te roeien, daarvan vernemen wij niets naders. Wel wordt aan het adres van ons blad opgemerkt, dat het zeker niet zo gemakkelijk is  om er nu niet meer één publieke Kerk bestaat, uit te maken, welke precies de toepassing is van het beginsel in de tweede taak der Overheid neergelegd voor onze dagen. Nu, dit laatste onderschrijven wij ten volle, maar dan is er ook geen reden — zoo zouden wij willen zeggen — om met een breed gebaar te verwijzen naar artikel 36 der Geloofsbelijdenis, en het te doen voorkomen, alsof de voorstanders der Hervormd (Gereformeerde) Staatspartij zooveel zuiverder ten aanzien van het artikel staan dan de Anti Revolutionairen.

Natuurlijk heeft hiermede niets te maken met wat in het stuk uit de „Gereformeerde Kerk" in het slot wordt opgemerkt:

Maar dat de Overheid nu in het geheel geen roeping meer zou hebben tegenover de Kerk des Heeren, den arbeid tot haar herstel en de prediking van het Evangelie, dat is al een wondere gevolgtrekking, die men uit de gedeeldheid der Kerk meent te mogen trekken.

Waar ook deze opmerking aan ons adres gedaan wordt, daar meenen wij de vrijheid te mogen nemen om er op te wijzen, dat nimmer door ons eene gevolgtrekking gemaakt werd, als de schrijver uit „D e Gereformeerde Kerk" hier op onze rekening stelt Zeker, ook wij zijn van oordeel, dat de Overheid eene roeping jegens de Kerk heeft te vervullen ; en zij die daaraan twijfelen doen het beste om op dit punt maar eens „Ons Program" na te slaan.

Vatten wij nu alles te saam wat als eerste en tweede taak naar het oordeel van de voorstanders van handhaving van artikel 36 der Belijdenis uit dat artikel voortvloeit, dan zien wij geen verschil tusschen hunne zienswijze en de onze. Beide inzichten over den inhoud van het artikel gaan parallel.

Gemoedsbezwaren.

De Anti Revolutionaire Kamerclub heeft goed gedaan door een initiatief voorstel bij de Staten Generaal in te dienen teneinde door wijziging der „Lager Onderwijswet 1920" tegemoet te komen aan ibestaande gcmoedsbezwaren betreffende de regeling der verzekering van schoolgebouwen.

Zooals bekend is, zijn er onder hen, die ons in de beginselen zeer nabij staan, niet weinigen, die, omdat zij overwegende gemoedsbezwaren hebben tegen het verzekeren van gebouwen, door de wet zijn uitgesloten om tot stichting van eigen scholen over te gaan.

Om nu aan die bezwaren tegemoet te komen, hebben de h.h, Rutgers en Van der Molen een wetswijziging voorgesteld.

De toelichting op het voorstel laten wij hieronder volgen :

„Gelijk reeds bij de uitvoering der Invaliditeitswet is gebleken, zijn er groepen in het Nederlandsche volk, bij wie tegen het sluiten van een verzekering overwegende gemoedsbezwaren bestaan. Ten aanzien van de toepassing der Invaliditeitswet is aan die gemoedsbezwaren door een wijziging dier wet tegemoet gekomen. Ook bij de toepassing der Lager Onderwijswet komen de genoemde bezwaren aan het licht. De bedoelde groepen kunnen door die bezwaren geen gebruik maken van de bepalingen van artt. 72—86 der wet, noch ook van de bepaling van art. 205>

Aan die bezwaren kan op de eenvoudigste wijze worden tegemoet gekomen door schrapping van de verplichting tot verzekering der gebouwen der bijzondere scholen.

Tegen die schrapping zou als bezwaar kunnen worden aangevoerd, dat de schade, door brand aan die gebouwen toegebracht, krachtens de wet de gemeente zal treffen, daar deze de voor herstel der schade noodige gelden zal moeten verstrekken. Het is dus de gemeente, welke bij onverzekerd blij ven der gebouwen het risico draagt. Deze opmerking is inderdaad juist, maar noodzaakt in geenen deele om de verplichting der schoolbesturen tot verzekering te behouden. Zelfs bewijst deze opmerking, dat de thans bestaande regeling ook op andere gronden moet worden gewijzigd, daar de bepalingen van de artikelen 250 en 253 van het Wetboek van Koophandel de geldigheid der door een schoolbestuur gesloten verzekering twijfelachtig doen zijn. Het schoolbestuur heeft geen belang bij de verzekering, maar de gemeente is de belanghebbende. En nu bevat de Lager Onderwijswet geen bepaling (in iden geest van art. 297 van het Wetboek van Koophandel) omtrent uitkeering der verzekerde som aan het gemeentebestuur. Wanneer nu de thans bestaande verplichting van het schoolbestuur vervalt, zal het op den weg der gemeente liggen, zelf een verzekering te sluiten, waar toe ongetwijfeld bij aanneming van 't thans ingediende voorstel de meeste gemeentebesturen zullen overgaan, al zullen er eenige zijn, welke het risico voor brandschade aan gebouwen voor bijzondere scholen zelf willen dragen, gelijk zij het risico voor brandschade aan gemeente-eigendommen zelf dragen.

Door het vervallen van de verplichting van verzekering worden de schoolbesturen ontheven van een uitgave, welke voor het vervolg ten laste van de gemeente zal komen. De vraag rijst, of er niet aanleiding is deswege voor te schrijven, dat de schoolbesturen aan de gemeente de gedane uitgaven vergoeden, resp. da-t het bedrag dier uitgaven op de uitkeeringen krachtens art. 101 der Lager Onderwijswet wordt ingehouden. Zulk een voorschrift zoude echter tot gevolg hebben dat de verzekering toch ten laste van het schoolbestuur kwam, en de gemoedsbezwaren zouden dan blijven bestaan. Bovendien verdient in dit verband opmerking, dat de uitgaven voor verzekering van openbare scholen niet medetellen bij "de berekening van het bedrag, hetwelk per leerling door de gemeente krachtens art. 101 der wet aan de bijzondere scholen wordt uitgekeerd, ofschoon volgens de bewoordingen van art. 83 de verzekering wel in het onderhoud begrepen is. Voor eene vergoeding vanwege de bijzondere school aan de gemeente is dus geen plaats.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat én Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's