De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.

XIV.

De duivel stelt' zich verdekt op. Hij bedient zich van een beest, hetwelk om zijn schranderheid het meest geschikte instrument was en den mensch in het geheel niet vreemd voorkwam. Dat beest richt zich sluw tot Eva, de zwakkere, die gansch niet schuw naar de leugen van'het beest luistert en zich wel toegankelijk toont voor de fijn gesponnen redeneermg des bedriegers. Na eenig tegenspreken, waaruit al aanstonds meer haar twijfelen en hinken op twee gedachten uitkomt, dan een kloek getuigen en beslist afwijzen, bewijst zij^ met de daad, dat zij God voor den voortgang van haar leven niet genoegzaam vertrouwt. Zij twijfelt, of bij God wel het beste bedoelen voorzit ten opzichte van de geschapen wereld , en het woord van den duivel aannemelijker achtend dan het bedoelen van haar Schepper, grijpt zij naar de verboden vrucht en eet. En de vrouw eenmaal gevallen zijnde, wordt door den satan dan gebruikt als het middel om den man te verlokken tot het kwade. Dan kan de duivel de slang missen. Dan heeft hij in Eva, die Adam tot hulpe gegeven was, béter instrument nog dan in de slang. En ook Adam werpt satan met z'n leugens en met z'n lastertaal niet achterwaarts, stelt zich niet kloek tegenover zijn vrouw, die zich tusschen Ihem en God stelt — en daardoor valt de mensch met al zijn nakomelingen uit de zalige gemeenschap met God uit en stort in den dood.

Wij kunnen ons het leven niet eens voorstellen zonder de zonde, zonder smart en jammer. Wij kunnen ons niet indenken een wereld zonder ellende ; een natuur zonder rampen, een menschheid zonder verdriet. De macht van het kwaad, de zonde, de ellende zit overal en is er altijd. En toch is het niet altijd zoo geweest. In den beginne, toen alles was, zooals God het had geschapen, was alles zéér goed. Toen was alles in z'n begin. De geschiedenis moest toen volgen en het zou er om gaan, wat de mensch doen zou.

Het heeft niet lang geduurd dat de wereld in haar oorspronkelijk goed-zijn bestond. Nauwelijks was zij geschapen, nauwelijks had God met den mensch een begin gemaakt, of de zonde drong er in door en de val had plaats. Bijna op hetzelfde oogenblik, dat de schepselen rein en heerlijk voortkomen uit de hand van hun Maker, worden zij van al hun glans beroofd en staan zij bedorven en onrein voor Zijn heilig aangezicht. De zonde heeft de gansene schepping verwoest, haar gerechtigheid in schuld, haar heiligheid in onreinheid, haar heeriijkheid in schande, haar zaligheid in ellende, haar harmonie in wanorde, haar leven in dood, haar licht in duisternis verkeerd.

Daar staat de beelddrager Gods, die den duivel is toegevallen met bange vreeze voor God in het hart. Hij voelt dat de vloek zijn deel is geworden. De schoonheid is gebroken. De blijde vreugd is bange vrees geworden en met een eigen gemaakt schortekleed om de lendenen versteekt de mensch zich in het paradijswoud, vreezende den Heere onder de oogen te komen.

De vraag doet zich voor : vanwaar het kwaad en wat is de oorsprong der zonde ? We weten, dat de Catechismus hiervan zegt : „de mensch heeft zichzelven en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd". (Zondagsafd. 4, antwoord 9).

'Daarmee belijdt de christ-geloovige, dat de schuld niet ligt bij God ; gelijk dan ook de Bijbel één doorloopende rechtvaardiging van God geeft, als hij uitspreekt, dat God verre is van goddeloosheid, een licht zonder duisternis, niemand verzoekende tot het kwade, een overvloedige fontein van al wat goed en rein en zuiver is.

God verbiedt dan ook altijd de zonde. Hij komt er in Zijn wet tegen op, dat de mensch het kwade zou doen en ïn het geweten heeft Hij ingeschreven, dat het niet goed is de zonde lief te hebben.

Niet God is dan ook de werker der zonde. Voor den oorsprong der zonde wijst de Bijbel — en ook onze belijdenisschriften doen desgelijks — naar het schepsel.

Daarbij weten we — en bespraken dat reeds — dat de Heere den mensch zóó schiep, dat hij vallen kon en door het planten van den boom der kennis des goeds en des kwaads stelde de Heere in het proefgebod den mensch voor de zedelijke keuze, welker beslissing voor hem en voor zijn geslacht de grootste beteekenis had voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid.

Dat was naar Gods Raad. Dat geschiedt niet incidenteel, niet op 't onverwachts ; neen, alzoo was het welbehagen des Heeren, Wien al Zijne werken van eeuwigheid bekend zijn.

Het was Gods wil, om met den mensch den weg der vrijheid te bewandelen, liever dan om hem ineens door een machtsdaad boven de mogelijkheid van zonde en dood te verheffen.

Vanouds is wel geleerd — en de Mormonen zeggen iets dergelijks — dat de val 't gelukkigste moment in des menschen leven is geweest, dewijl de mensch toen tot zelfbewustzijn kwam. 't Was de aanvang van het zedelijke leven, de oorsprong der cultuur, zegt men dan. Zoo leerden oudtijds de Ophieten (ophis = slang), die dan ook de slang vereerden als de leidsvrouw van den vooruitgang.

Maar ieder voelt dat dit vierkant in strijd is met de bedoeling van het verhaal uit Genesis 3.

God heeft den mensch niet geschapen in een toestand van kinderlijke — men stelt 't zelfs voor als ware het een d i e r 1 ij k e —• onnoozelheid ; waaruit de mensch zich dan „gelukkig" zou ontworsteld hebben, door te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads !

De Bijbel leert het ons wel anders. Man en vrouw schiep God den mensch ; in het huwelijk zijn zij door den Heere vereenigd ; zij denken en spreken en kennen de dingen, die zich om hen heen bevinden, zooals uit de naamgeving aan de dieren blijkt. Zij hebben ook een zedelijk bewustzijn en weten door het ontvangen van het proefgebod, dat gehoorzaamheid aan God het goede is en loon medebrengt en dat het kwade bestaat in overtreding van Gods wet en door straf wordt gevolgd. Ze zijn naar Gods beeld geschapen, in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Zóó heeft God den mensch gemaakt, man en vrouw.

En de val, de ongehoorzaamheid, is geen vooruitgang, maar een achteruitgang.

De mensch wil zich emancipeeren, zich gelijk maken aan God. Hij wil los komen van God, om even als God zelf dat doet, voortaan zelf uit te maken, wat hij doen zal of laten.

Dat denkt hij in den greep naar den verboden boom te bereiken. En de woorden door God gesproken in Genesis 3 : 22 „ziet, de mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad" — wil niets anders zeggen dan „de mensch heeft zichzelf god gemaakt, om zelf voortaan te zeggen wat goed en wat kwaad is en in eigen wegen te wandelen, zich zelf god wanend."

Zoo heeft Adam welbewust gekozen tegen het gehoorzamen van God, zijn Schepper en Maker. In zijn hart was ingeschreven als zedewet, Gode gehoorzaam te zijn en Hem van harte lief te hebben. Het volbrengen van die wet was voor Adam een vanzelfsheid. Het was hem door God ingeschapen : En levend naar het „goeddunken zijns harten" leefde hij in gehoorzaamheid aan God. Toen kwam toij die zedewet een stellige wet, bij de geboden kwam een verbod. Doch het was voor Adam gemakkelijk in deze Gode gehooorzaam te zijn. Evenwel kwam de verzoeking en de gedachte aan ongehoorzaamheid werd geboren. Dat plaatste hem bewust op een tweesprong van wegen. En de gelegenheid werd hem geboden om klaar bewust en vrijwillig, door opzettelijke en bedoelde gehoorzaamheid te kiezen voor trouw aan God. 't Ging nu om : God of de mensch ; Gods gezag of eigen inzicht; onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan den Heere of eigen bepaling na zelfonderzoek ook van 't door God verbodene. En het was een proef, die den weg opende tot een eeuwige zaligheid of tot een eeuwig verderf.

Eva bewees, dat zij wist en voelde, dat haar het gebod Gods als een scherpe grens en als eene beperkende bepaling tot het bewustzijn gekomen was. En toch overtrad zij. Begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches, grootschheid des levens maak ten de verzoeking ten slotte onweerstaanbaar. En moed-en vrijwillig nam zij en at zij ; en zij gaf ook haren man met haar en hij at.

(Wordt voortgezet).

Het Reglement op de predikantstractementen.

We hadden verleden week geen gelegenheid meer om te gaan op het „ingezonden" van den ouderling-kerkvoogd. (We vinden het prijzenswaard om zich „ouderling-kerkvoogd" te noemen en n i e t „kerkvoogdouderling", want hoewel we van „heeren" kerkvoogden en „broeders" ouderlingen spreken, stellen we het „ambt" van ouderling toch hooger dan de „betrekking" van kerkvoogd, hoewel „broeders" ouderlingen •soms liever in het „heeren-gestoelte" der kerkvoogden plaats nemen dan in de ouderlingen „bank", als ze dn beide een plaats hebben krachtens hun „betrekking" en hun „ambt." De natuur is dan blijkbaar sterker dan de leer).

We vonden het schrijven bovengenoemd buitengewoon sympathiek, omdat het weer eens probeerde de beginselen van het gereformeerd Kerkrecht naar voren te brengen, met bedoelen om die toe te passen in het midden van ons huidig kerkelijk lieven en het bestaande reglement op de predikantstractementen naar die beginselen te vervormen, of liever te verbeteren. •

Dat is ons buitengewoon sympathiek. En gaarne willen we er nu nog wat van zeggen ; of liever een paar opmerkingen maken.

We mogen niet over 't hoofd zien, hoe op 't oogenblik — en niet van vandaag of gisteren — onder ons de toestanden zijn op kerkelijk gebied.

Om maar dadelijk iets te noemen. Art. 11 van de Dordtsche Kerkorde geeft als beginsel aan, dat de plaatselijke gemeente gehouden is haar Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen ; en er wordt dan bij gezegd, dat de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, daartoe gehouden is.

De Kerkeraad moet dan ook een wel omschreven beroepsbrief voorleggen aan den dienaar des Woords, waarin zijn tractement nader gestipuleerd is.

En art. 13 bepaalt, dat de plaatselijke Kerk ook heeft te zorgen voor het onderhoud van den emeritus-predikant, met zijn gezin ; en eventueel ook van de weduwe en hare kinderen.

Nu is dit in onze Herv. Kerk geen gewoonte ; geen wet; geen verplichting.

De Kerkeraad staat hier feitelijk geheel bulten.

Het gaat geheel buiten iden Kerkeraad om. Want de Kerkeraad mag den beroepsbrief schrijven en verzenden, waarbij het tractement en de emolumenten omschreven en gewaarborgd worden, maar van emeritaats-pensioen is geen sprake en de Kerkvoogden zijn hier de menschen bij 't geen waarvan wèl sprake is. Van de Kerkvoogden (èn de Notabelen) hangt hier alles af.

De gereformeerde lijn is dus : „de Kerkeraad, als represénteerende d e g e m e e n te, zal gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen" (art. 11 D. K. O.) en „de Dienaars, 'die door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden t, ot uitoefening huns Dienstes eerlijk in hunne nooddruft (gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren in 't gemeente onderhouden" (art. 13. D.K.O.)

Maar onder ons is de lijn : de Kerkvoogden zorgen voor het tractement en de emeritus predikanten (gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren) worden vergeten ; die bestaan voor de Kerk niet.

In de gereformeerde lijn ligt dus : de Kerkvoogden (en Notabelen) wèg !

Lees art. 11 en art. 13 van de Dordtsche Kerkorde maar.

En dan moet het, als de Kerkvoogden en Notabelen wèg zijn iin deze richting : dat de plaatselijke gemeente voor het onderhoud van haar dienaren des Woords zorgt, en ook „dat de Kerk de rustende predikanten die haar gediend hebben (gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren in 't gemeen) verzorgen."

Nu mogen we, met 'de geschiedenis achter ons en rondom ons, niet doen, alsof we maar even hebben aan te geven wat „gereformeerd" is en alsof dan alles ook „klaar" is.

Want in onze Herv. Kerk zijn we met te zeggen wat „gereformeerd" is, maar weer niet in eens in een „gereformeerde" Kerk. In eens zijn de kerkvoogden en notabelen dan maar niet weg ; in eens staat de kerkeraad dan maar weer niet, waar hij, naar gereformeerd Kerkrecht, in deze staan moest.

Waarbij bovendien, door alle tijden heen de practische bezwaren, ook bij een , , gereformeerde" regeling in de „gereformeerde" Kerken zóó groot zijn geweest, — gelijk we vroeger breed hebben besproken — dat men zuchtende z'n weg ging en nog zuchtende z'n weg gaat, oogluikend ook zeifs nu toelatend als de regelinig tot verzorging van dienstdoende predikanten en emeriti, met weduwen en weezen, een beetje minder „gereformeerd" toegaat.

Practisch toch kan het zooveel verschil maken hoe de plaatselijke Kerk gesteld is, wat de financiëele positie harer leden betreft. Want we moeten bij een gereformeerde Kerkinrichting wegdenken die ongereformeerde toestanden, dat de eene plaatselijke Kerk zooveel „kerkelijke goederen" bezit, terwijl de andere plaatselijke Kerk, geen „fondsen eii bezittingen" heeft.

Die onbijbelsche én ongereformeerde toestanden van fondsen en bezittingen — een vloek voor het kerkelijk leven — moeten we wegdenken.

Dan houden we dus over, dat de plaatselijke Kerken leven uiit Gods hand en dat de plaatselijke Kerk zorgt voor haar dienaar des Woords met zijn gezin en straks, als haar dienaar des Woords emeritus wordt, zorgt zij voor hem en zijn gezin (ook voor zijn weduwe en kinderen als het moet) om tegelijk natuurlijk een ander dienaar des Woords te beroepen en te oniderhouden.

Dat is gereformeerd ! Geen „fondsen en bezittingen." Geen „kerkvoogden en notabelen." En „de kerkeraad, als representeerende de gemeente, is gehouden hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen" (art. 11 D.K.O.) en „zoo het geschiedt, dat eenige Dienaars door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden tot uitoefeniing huns Dienstes, zoo zullen zij nochtans desniettemin de eere ep den naam eens Dienaars behouden en van de Kerk, die z ij gediend hebben e e r 1 ij k in hunne nooddruft (g e 1 ij k o o k d e weduwen en weezen der Dienaren in 't gemeen) verzorgd worden" (art. 13 D.K.O.).

Dat is gereformeerd. Maar het laat zich aanvoelen, dat in het verleden en in 't heden velerlei moeilijkheden zich hebben voorgedaan en zich nog voordoen. Waarom déze gereformeerde regeling ook in de Gereformeerde Kerken, vooral wat de emeriti predikanten en weduwen en weezen betreft, een zeer moeilijk probleem is en blijft, waarbij men ook al van ouden en nieuwen koers spreekt.

Maar dat alles nu voor 't oogenblik daar gelaten. (Hoewel we natuurlijk met de practijk rekening moeten houden, daar anders natuurlijk vooral de emeriti en de weduwen de dupe worden). Wij gelooven, dat de geachte inzender van verleden week, dlie waarschijnlijk aan veel waaraan we onder ons moeten denken niet gedacht heeft (kerkvoogden-kwestie en richtingskwestie vooral) toch uitnemend werk verricht heeft, door te wijzen lin deze richting : de Synode moet niet verder gaan dan adviseerend optreden ; . de gemeenten moeten verantwoordelijk zijn en bijven; de saamhoorigheid moet niet verloren gaan ; tractements-en pensioenregeling moet flink worden aangepakt.

In deze richting zou men in elke classis de zaak ter hand kunnen nemen. In elke classis zouden drie of vijf deputaten kunnen worden benoemd. Provinciaal zou 't eveneens door deputaten kunnen worden ter hand genomen, wat in deze noodig is.

Een Raad van Beheer — had men nóg onmogelijker naam kunnen kiezen ? —• hebwen we niet noodig. Een „directeur" kunnen we missen.

Alles kan veel meer „kerkelijk" geregeld — naar de lijnen door onze Gereformeerde vaderen 300 jaar geleden reeds aangegeven !

Dat maakt ook alles veel goedkooper. Als nu de gemeenten zelve maar opwaken en de Geest Gods door de raderen mag gaan.

Want dét hebben we noodig. De stoffelijke malaise wijst op een geestelijke verkoeling en verstijving en versterving.

En die riohtingskwestie? Dat vermoordt ons kerkelijk leven. Dat maakt alles wat gemeenschappelijk moet worden gedaan weer onmogelijk; neemt er althans de pit, de kracht, de energie, het leven uit. En dat plaatst ons bij vernieuwing en nu bizonder voor het groote kerkelijk probleem.

We kunnen hier niet met kleine dingen volstaan. Daar hebben we niets aan. Dat helpt niet.

Groote dingen zijiï noodig. Het kerkelijk vraagstuk moet vaif z'n grooten kant en niet van den kleinen kant worden aangepakt. Dan, dan is er misschien hulp en raad. Als — God ons genadig is, om onze Hervormde Kerk in het leven te sparen en haar weer nieuwen groei en Woel te geven, fleur en geur, om te zijn een getrouwe getuige van Jezus Christus en een boodschapster van goede en blijde tijding in het midden van een door de zonde diep ongelukkig menschengeslacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's