Stichtelijke overdenking.
Want zij zeide in zichzelve : Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zoo za! ik gezond worden. Matth. 9 : 21.
De zoom Zijns kleeds.
• Een groot geloof had deze vrouw. De geringste aanraking met den Heiland zou haar genezen. Dat wist zij. En door die wetenschap liet zij zich voeren. Al zou zij slechts met den top van haren vinger het uiterste van 's Heeren gewaad aanroeren, het zou genoeg zijn. Haar kwaal zou van haar wijken. Zij zou de lang gezochte genezing ontvangen. Welk een geloof ! Da1 wilde wat zeggen voor demand die het al bij vele medicijnmeesters 'beproefd had. Het zou meer te begrijpen zijn, als zij in zichzelve gezegd had : , , ik kan het bij den Heere ook wel eens probeeren ! Baat het niet, het schaadt ook niet."' Neen, zij gaat niet op weg met een „misschien." Is zij keer op keer teleurgesteld, nu zal het niet zoo zijn. En daar gaat zij heen, de zwakke vrouw, maar gedreven door een sterk geloof. De arme vrouw. Maar zij is veel rijker dan zij weet. Alles wat zij bezat, heeft zij verdokterd. Zij heeft niets meer. Maar zij heeft een rijk geloof. En dat geloof zal haar behouden Zij dringt zich door de menschen heen. Zoo goed en kwaad als het ging, sleépt zij haar afgematte lichaam voort. Haar Zedigheid liet haar niet toe openlijk van haar kwaal te spreken. Dat durf de zij niet. Maar het zou evenwel gaan; O, wat was de ingeving van den Geest des geloofs sterk. Zij weet dat de Heere zulk een overvloeiende kracht van genezing bezit, dat de aanraking van Zijn kleed haar die kracht zal geven. Hoe kwam zij toch eigenlijk op die gedachte ? Den zoom van 's Heeren kleed aan te roeren ?
Zij had toch geen voorbeeld van iemand die ook zoo gedaan had? De Geest des Heeren werkt een kinderlijk geloof en ook een vindingrijk geloof. Maar die Geest voert toch nooit tot een grillige 'handeling, die zonder oorzaak, zoo maar bedacht wordt. Da Costa zegt dat deze vrouw, in haar groot geloof, echt Israëlietisch dacht. In de Synagoge werd de rol der wet onder een kleed met franje rondgedragen. En dan raakte ieder den zoom, de franje van dat kleed aan, om daardoor te zeggen : „ook voor mij ; ook ik heb daar deel aan". Nu zou deze vrouw niet het kleed der wet, maar het kleed van den levenden Christus aanroeren. Om daardoor te zeggen : „ook ik heb deel aan Zijn macht en liefde"
Zij deed zooals zij geloofde. En zij is niet teleurgesteld. De Heiland heeft van haar kwaal niet gesproken. In Zijne liefde heeft Hij de zedigheid dezer vrouw niet gekwetst. Teeder leeft de Heere mee met hen die in het verborgene op Hem vertrouwen. Maar haar geloof maakt Hij wel openbaar. Ten aanhooren van allen die Hem omringen spreekt Hij er van : „Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden". En de vrouw werd gezond van-dezelve ure af.
Een wonder des Heeren is hare genezing. Maar een even groot wonder is het geloof dat haar bezielde. En als'het ons gaat om de genezing der ziel, God geve dat dan ook dat wondervolle geloof ons deel mag zijn.
In de eerste plaats moeten wij onze krankheid kennen. De ziekte onzer ziel. Die gezond zijn hebben den Medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. Als de deelen van ons lichaam niét hun normale werking hebben zijn wij ziek. Maar wat nu te zeggen van de werking onzer ziel ? Is het hiermede in ofde ? De vraag te stelten is tegelijkertijd haar ontkennend te beantwoorden. Een ongeneeslijke kwaal dragen wij met ons. Ongeneeslijk door eigen kracht. De zonde heeft heel het menschelijk bestaan aangetast, zoodat het zieleleven zijn normale werking geheel mist. Het zou in orde zijn als wij ons altijd gewillig overgaven aan God en aan Zijn dienst ; als wij met ons verstand ons altijd verdiepten in de kennis des Heeren, met heilig vermaak ; als onze begeerten zich altijd naar Zijn gemeenschap uitstrekten Van deze heerlijke zielewerking is er niets in ons natuurlijk bestaan. Wij hebben de bron des eeuwigen levens verlaten. En in het volharden in dien weg ligt onze doodelijke kwaal. Een kwaal waar van wij alleen door de reddende liefde van den Zaligmaker kunnen worden bevrijd. Ziek te zijn en toch te wanen dat dit de normale toestand is. Dit maakthet juist zoo noodlottig. Wij zijn niet maar twaalf jaren krank, maar wij zijn' met onze zielsziekte geboren en wij missen van het prilste leven af de normale werking van ons innerlijk bestaan. Als hiervoor onze oogen open gaan, beginnen wij ons krank te gevoelen. .Het wordt ons pijnlijk aan alle kanten. De smart der zonde is de smart der zielsziekte. Het recht Gods eischt de normale werking van al onze vermogens. Het recht Gods vraagt een kern-gezond zieleleven. Want zóó alleen beantwoorden wij aan onze roeping tegenover Hem Die ons geschapen heeft. Als dit recht 'Gods voor ons levendig wordt, is de zonde ons een smart. Wij zouden haar wel ver weg willen werpen uit ons hart. Maar 't gaat niet. Zij is in ons bestaan verbonden. Wij gevoelen ons krank, doodelijk krank. Waar vind ik hulp ? Waar vind ik genezing ?
Vóórdat de vrouw haar toevlucht nam tot den Heere had zij veel geleden van vele medicijnmeesters ; zij had al het hare daaraan ten koste gelegd ; baat had zij echter niet gevonden, maar het was veeleer erger met haar geworden. Zie hier ons de weg vertolkt, die tenslotte de vrouw naar den Heere Jezus voerde. Het was een weg van teleurstelling, een weg, waarin het nog hoe langer hoe erger met haar werd.
, Wanneer de mensch zijn zonde leert kennen en zich krank gevoelt, dienen zich bij hem ook vele medicijnmeesters aan, en hij laat zich maar al te vaak, nu eens door den een dan weer door den ander bedienen. Hei gebeurt wel dat de mensch eerst door de wet gerechtvaardigd wil worden. Daarom verdubbelt hij zijn krachten om haar zoo stipt mogelijk te houden. Elk gebod is hem dan een medicijnmeester. Tien staan er dan voor hem, als op een rij. Nauwkeurig tracht hij den dag des Heeren te heiligen, en hij heeft den vierde al dadelijk gekozen tot zijn medicijnmeester. Soms zoekt hij hulp bij alle tien tegelijk. Ach, arme zondaar! Als gij door de wet gerechtvaardigd wilt worden, het wordt dan hoe langer hoe erger met u.
Gij kunt er geen baat bij vinden. Nooit! Omdat die wet, in haar geestelijken zin, dal is in haar waren zin, u altijd veroordeelt. Gij wordt, als gij het van dien kant verwacht, hoe langer hoe ellendiger 01 wilt gij het dan misschien eens een poosje wagen met de geboden van het Evangelie. Kortheidshalve zeggen w'i] dit zoo maar. De geboden van het Evangelie. Daar-staan dan weer vele medicijnmeesters. Een lange rij ! „Onderzoekt de Schriften 1" Is dit dan niet noodzakelijk ? ja zeker. Als ge u dit maar niet tot een doel stelt, om er beter door te worden, heiliger of vromer ! Immers kan de meest zuivere kennis van de gewijde bladen geen enkele zonde wegnemen. Ja, het wordt erger met u, als ge het ware onderzoek van de Schrift betracht. Dan ruischt de sprake uwer zonde van 'elk blad u tegen ! Gij onderzoekt dan wel de Schrift-, maar ook omgekeerd. De Schrift onderzoekt u. En ach, wat blijft er dan van u over ? Die medicijnmeester kan u ook al niet helpen. Geen baat gevonden ! Het is veeleer erger met u geworden Gij zoekt de gemeenschap van Gods kinderen. Is dit verkeerd; ? Neen, beter gezelschap bestaat er niet. Maar als het nu alleen geschiedt om daardoor een meer godsdienstigen kring om u heen te hebben, waardoor gij zelf een hooger waarde krijgt dan hebt ge, zoovele geloovigen als gij kent, evenzovele medicijnmeesters tot uw redding verkoren, die u geen van allen helpen kunnen. Integendeel. Als gij de taal en het leven der geloovigen recht beluistert en gadeslaat, roept het een zoowel als het ander u toe : wij maken onze eigene schuld nog .dagelijks grooter; hoe zouden'wij een ander dan kunnen helpen ? "
Vele médicijnmeesters ! Maar zij kunnen u niet van uwe "zonde verlossen, uw ziekte niet wegnemen. Gij oogst teleurstelling, zoo wel bij den een als bij den ander De vrouw had al het hare aan de medicijnmeesters ten koste gelegd. Het komt er op aan al het onze te verliezen. Ons eigen leven te verliezen. Dat is de voortgaande werking des Heiligen Geestes. Teleurgesteld in ons zelf uit te komen. Teleurgesteld aan alle zijden. Doodarm te worden. Reddeloos arm. Zoodat de overtuiging ingegroeid is in onze ziel : Zij zeide in zich zelve niets en niemand anders kan mij redden dan de genade van Jezus Christus.
Dat is het keerpunt waartoe deze vrouw kwam. „Laat ik er alles aan geven waarbij ik het tot hiertoe gezocht heb ; ik ben aan dien kant ook aan het einde. Medicijnmeesters die betaald willen worden, kunnen een arme vrouw niet meer dienen."
Zij zeide in zich zelve : „indien ik Zijn kleed aanraak, zoo zal ik gezond worden."
Zoo is het bij een ieder die ophoudt door de wet gerechtvaardigd te willen worden ; die er van afziet door het houden van wettische of evangelische geboden gered te worden.
Een vastberaden besluit! Een geloofsbesluit! Zoo wordt dan de mensch niet gerechtvaardigd uit de werken der wet, maat door het geloof.
Zij zeide in zich zelve Als dit in het geestelijke leven bij ons geschiedt, is het minste van de genade van Christus ons dierbaar. Wij hielden met onze beide handen vast de gerechtigheid die uit de wet is. Krampachtig omknelden wij haar. Maar nu, door het machtige geloofsbesluit, werpen wij haar weg. Zij kan ons niet baten. Staan wij nu met leege handen ? Ja, maar wij zeggen tegelijkertijd : als ik maaï het kleed van Christus zal aanraken, zoo zal ik behouden zijn ! En dit geloofsbesluit heeft nog nooit iemand teleurgesteld. Wat geen mensch heeft kunnen doen, heeft Christus gedaan. Hij leefde altijd met God. Zijn wil was altijd in overeenstemming met Gods wil. Zijn verstand was altijd bezig in de kennis Gods. Hij was de alleen reine, heilige mensch. Met een gezonden levensinhoud ! Hij was de eenige mensch, die tot eere Gods leefde. Wat wilt gij nog meer, o, arme zondaar, dan in Hem aangezien te worden? Zou er dan een beter heil zijn dan de genade van Jezus Christus ? Immers neen. Daarheen strekke zich uw ziel uit! Daarnaar moge uw begeerte zijn ! Geve God, dat dit de overpeinzing uws harten zij ! Daar ligt de genezing voor een doodelijk kranke. Alleen in Christus ! Alle andere medicijnmeesters stellen teleur. Zij maken de pijn nog maar grooter en de kwaal nog erger. Maar Christus alleen ontheft van alle pijn. Hij neemt de kwaal voor goed, voor eeuwig weg. Daarop komt het aan, u zelf te verliezen en Hem alleen over te houden, Die gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
Zij zeide in zich zelve Dat besluit zij.ook het onze. De verborgen omzetting; waarom wij zeggen : Indien ik alleen Zijn kleed aanraak, , , zoo zal ik'gezond worden."
En dat geloof kan niet verborgen blijven. Het blijft niet in de binnenkamer. Het moet zich naar buiten openbaren. Het heeft openbaringsdrang in zich. De Heere Zelf maakt het openbaar. En Hij vraagt: wie heeft Mij aangeraakt ? Wie ? Gij ook, mijn lezer? Hebt gij den Heere aangeraakt?
Zonder die aanraking zult gij uw doodelijke kwaal behouden Hebt gij Hem aangeraakt ? Zoo ja. Dan zegt de Heere ook tot u : „Wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's