Uit het kerkelijk leven.
Gereformeerde Kerkregeering,
I.
Telkens blijkt, ook in kringen waar men 't nu niet zou verwachten te hooren, dat onze Geref. vaderen toch ook nog wel goede en practische dingen wisten te doen en te regelen. Dit beteekent dan niet, dat er geen gebreken waren aan 't geen zij deden en hebben vastgesteld. Want volmaakt was hun werk natuurlijk niet. En 't wil ook volstrekt niet zeggen, dat we nu wel weer over kunnen nemen en onder ons importeeren, wat zij hebben gezegd en gedaan en vastgesteld. Want veel wat zij toen nog niet weten konden, weten wij. Driehonderd jaren hebben ons veel kunnen leeren, waarbij ook de toestanden zoo buitengewoon veranderd zijn.
Toch zal het goed zijn als de gereformeerde beginselen weer worden opgediept en in 't licht gesteld. Er valt dan zeer zeker voor ons, ook voor ons kerkelijk leven inzake Kerkregeering, Kerkrecht enz. nog wel wat te leeren, om 't misschien ook weer in practijk te gaan brengen op de erve onzer Hervormde Kerk, die in deze, van gereformeerd karakter zijnde, zoo schrikkelijk is gehavend door handen die alleszins ruw zijn te werk gegaan en veel ellende daardoor hebben veroorzaakt voor Kerk en volksleven.
De Kerk heeft een eigen sfeer, een eigen leven. Dat hebben onze Geref. Vaderen gevoeld en daarom waren zij van oordeel, dat aan de plaatselijke Kerken niet van boven af door een hiërarchische macht allerlei reglementen moesten worden opgelegd waarin 'n hoogste Bestuur jaar op jaar bezig is alles in reglementsvorm vast te stellen en voor te schrijven. Er werd gevoeld, idat God in de Kerken een bijzondere levenswet heeft gelegd, die een verwaarloosd kerkelijk leven en slordige kerkregeering veroordeelt en de Kerken dringt tot een zelfstandig komen tot allerlei verordeningen, die passen bij de belijdenis der leden en overeenstemmen met de eisohen door den Heere in Zijn Woord aan het leven van Zijn gemeente op aarde gesteld.
Een boek met reglementen kenden onze Geref. Kerken dan ook niet, maar wel verordeningen der Kerken („Kerkenordening"), die dienen moesten om kerkelijk in goede orde saam te leven, naar den eisch van Gods Woord ; die nader moesten uitstippelen, hoe op kerkelijk gebied Gods Woord 't best ikon worden in toepassing gebracht; geloovende, dat daarin de eere Gods zou worden bevorderd en het kerkelijk leven gezegend. Ook hier geldt toch : „Wie Mij eeren, zal Ik eeren, spreekt de Heere" én „gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natie".
Een verwaarloosde kerkregeering — zoo redeneerden onze Geref. "Vaderen — oefent een bedervenden invloed uit op belijdenis en wandel van de leden der Kerk en het staat de openbaring der Kerk als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden van een zondige wereld in den weg. En zoo is men er langzamerhand — niet in eens — toe gekomen, om, naar den drang van den levenswet, welke God Zijn Gemeente heeft ingeschapen, na de Reformatie in kerkelijke vergaderingen saam te komen en daar allerlei besluiten te nemen. Welke besluiten niet dadelijk „verordeningen" genoemd werden ; maar toch werd van die besluiten spoedig verklaard, dat er bepalingen („artikelen" ook wel genoemd) bij waren, die nuttig, maar ook die noodzakelijk waren voor den dienst der Nederlandsche Kerk ; en die dus moesten worden nageleefd. Zoo sprak men b.v. reeds in 1568 op het Convent te Wezel, ('t welk niet een samenkomst van „de Kerken", maar van de voornaamste leiders en woordvoerders der Geref. Kerken in Nederland was).
De Synode te Middelburg, in den jare 1581 gehouden, heeft voor het eerst den naam „Kerken-ordening" gebezigd, waar gevoeld werd, dat noodig was : een kort samenstel van bepalingen voor het kerkelijk léven vast te stellen. Zoo kwam er een „Corpus disciplinae ofte Kerckenordeninghe" (Ecclesiastici ordinis articuli). De Synode van 's_Gravenhage van 1586 bevestigde dat*
Kerkenordening is düs niet van boven opgelegd, maar als van zelve gegroeid, naar den eisch van het leven der Kerk.
Er is dikwijls gevraagd — en het is goed om 't hier even te bespreken — : is „kerken", in het woord „Kerkenordening", te nemen als een m e e r v o u d s vorm, zoodat de beteekenis zou wezen „ordening voor de gezamenlijke Kerken, die met elkaar overeengekomen zijn er naar te leven, óf is het een zwakke 2de naamval enkelvoud van > het woord „Kercke", in welk geval zou bedoeld zijn : een ordening voor de gansche Kerk (de plaatselijke Kerken dus als één geheel genomen, zijnde d e Nederlandsche Gereformeerde K e r k).
Hier schijnt een beslissing moeilijk te zijn, althans mannen van naam verschillen hier ; de een neemt het als een meervoudsvorm in en de ander zegt : 't is enkelvoud. Wij blijven gelooven, dat het een enkelvoudsvorm is en dat „Kerken-ordening" beteekent, gelijk art. 69 van de Kerkenordening van Middelburg (1581) zegt : „Deze artyckelen' de wettelicke ordeninghe der Kercke aengaende"'; Men zie ook het opschrift boven de Wezelsche artikelen van 1568 „eenige bepaalde punten of artikelen, welke de Dienaren der Nederlandsche Kerk voor den dienst dezer Kerk deels noodzakelijk, deels nuttig hebben geoordeeld".
Ook de Fransche vertaling heeft hier een enkelvoud : ordre de l'eglise.
Kerk is dan hier genomen in den zin van aanduidende de gezamenlijke Kerken in één Kerkverband levend ; een unitas ecclesiarum.
Niet, dat hier een collegialistische beteekenis in zitten zou. Want dat is geenszins het geval. Het enkelvoud Kerk bedoelt hier n i e t de gezamenlijke Kerken als een soont van „genootschap", waarvan op onderschei dene plaatsen „afdeelingen" zijn. Neen, als wij hier in gereformeerden zin spreken van „Kerken-ordening", dan bedoelen wij, dat* we hier hebben een ordre d e l'e g 1 i s e, een o r d o e c c l e s i a s t i c u s dat letterlijk.beteekent „voorschrift van kerkelijke orde", en dus : ordening waarnaar de Kerk zich heeft te gedragen en waarnaar zij heeft te leven; daarbij dan 't oog hebbend op de gezamenlijke Kerken, die gemeenschappelijk één leven, éen taak, éen optreden hebben in het midden van een bepaald volk en in een bepaald land ; in dit geval dus : de Nederlandsche Gereformeerde Kerk, welke de Heere hier in dezen lande tot openbaring wil brengen, om saam te leven naar Zijn Woord en inzettingen.
Zoo kunnen we het ook verstaan en prijzen, dat onze Vaderen oorspronkelijk niet spraken van kerkelijke w e t t e of r e g I e-m e n t e n. Later, sinds de 18de eeuw, heeft men dat wèl gedaan. B.v. „Wetten der Classicale Vergadering in Walcheren" en — gelijk méér bekend onder ons — „Algemeen Reglement voor de Ned. Herv. Kerk."
Wij voelen waarom onze Geref. Vaderen oorspronkelijk de voorkeur gaven aan het woord „ordening" boven 'het woord „wet" of „reglement". Het woord „wet" heeft een zoo gebiedende en bindende kracht. Eene wet moet gehoorzaamd, enkel omdat het er staat, onverschillig of men 't er mee eens is of niet. In den hoogsten zin ds God dan ook de Eenige Wetgever, die verplichten kan tot absolute gehoorzaamheid.
' Daarom spreken ; we in ons huisgezin b.v. ook 't liefst van huis-orde en niet van „wet" of „reglement". En waar de Kerken samen komen in vergadering, daar gaat men voor en met elkaar, Gods Woord als wet en regel erkennend, „verordeningen" maken, om het kerkelijk leven in te richten tot Gods eer en de Kerk tot zegen.
't Gaat er dus om, om een goede orde van samenleving te krijgen op het terrein der Kerk. En zoo kan men ook wel spreken van „reglement", omdat daarin duidelijk het begrip zit van „regelen". Maar in de practijk weten we, dat reglementen zoo gaarne alles „regelen" en men in en door reglementen zoo gaarne dwingt en ringeloort, wat op het terrein van Gods Kerk, welke Gods Woord tot wet en regel heeft, niet moet gebeuren. Daarom is het beter op kerkelijk gebied van „ordening" te spreken, om naar luid van Gods Woord „laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden" (1 Cor. 14 vers 40) te bevorderen de openbaring van het leven der Kerk, naar de wet Gods, tot Gods eer en tot heil der natie.
We voelen, dat het nu een voorname zaak is, dat de plaatselijke Kerken saam komen in vergadering en saam besluiten wat als" „orde voor het kerkelijk leven" gelden zal. Want Christus Zelf is het Hoofd der Kerk. Ook van de Nederlandsche Hervormde, Gereformeerde Kerk. Dat moeten we vasthouden. Want als we dat loslaten zijn we alles kwijt en staat alles op losse schroeven ; zal het óok uitloopen op één groote mislukking en teleurstelling. Christus dus 't Hoofd der Kerk. Hij dus ook de Wetgever, die Zijn gemeente bindt aan Zijn Woord en ordening.
Maar juist omdat de verhoogde Heiland miiddellijk werkt, zijn de plaatselijke Kerken van Amsterdam, Hilversum, Haarlem, alsook van Leeuwarden, Harlingen, Sneek, gelijk ook van Arnhem, Nijmegen, Wageningen, enz. enz., gehouden om in classicale vergadering, in provinciale Synode en in algemeene Synode-vergadering saam te komen, en daar, Christus erkennend en Zijn Woord eerend, •er naar te staan, om te komen tot een gemeenschappelijke orde van k e r k e 1 ij k leven in dezen lande.
Van ónderen op, uit het midden van de gemeenten moet naar zoo'n saamkomen in kerkelijke vergaderingen gestaan worden. Want elke plaatselijke gemeente heeft haar eigen zelfstandigheid en haar eigen taak en roeping, haar eigen huishouding ook met al den aankleve van dien — maar er zijn zóó veel dingen in belijdenis en leven, die de Kerken gezamenlijk aangaan, dat tot saamvergaderen in classis, in provincie en in het geheele land, als vanzelf de drang en de begeerte uitgaat, gelijk ze ook leden zijn van één lichaam, waarvan Christus het Hoofd is.
Naar de inzetting van Christus is elke plaatselijke Kerk, hoe klein en hoe arm zij ook moge wezen, een zelfstandige openbaring van het lichaam van Christus. Hij vergaart zijn gemeente te Amsterdam, te Arnemuiden, te Onstwedde, enz. enz. door Zijn Geest en Woord en regeert ze Zélf door het ambt der ouderlingen, dat Hij als regeerambt voor elke plaatselijke Kerk verordend heeft.
Natuurlijk moeten de ambtsdragers, de dienaren des Woords en de regeer-ouderlingen, daartoe één college, één vergadering vormen. Ze staan niet los naast elkaar, maar zijn door het ambt saamgebonden en komen dan ook als kerkeraad saam.
Zoo is het nu ook met de Kerken onderling, die saam iiggen in één ressort. Die mogen maar niet los van elkaar leven, handelen en wandelen, maar zijn met behoud van eigen zelfstandigheid, gehouden saam regel en orde te stellen voor het kerkelijk leven ; gelijk de Kerken uit dezelfde classis weer gemeenschap moeten zoeken met de Kerken uit het provinciaal ressort en in provinciale Synode of kerkvergadering moeten saamkomen, om het terrein te overzien, dat men saam in de provincie beslaat en heeft in te nemen. Gelijk eindelijk al de plaatselijke Kerken hebben te vergaderen in een landsvergadering of nationale Synode, waar bij ook de betrekkingen met buitenlandsche Kerken niet mogen worden vergeten of veronachtzaamd.
Waar alles staat onder Christus, moet ook ailes wat de Kerk verordonneert en regelt een dienend karakter hebben. Dienaren van Christus, zooals de ambtsdragers zijn, hebben niet te heerschen, maar in alles te d i e n e n. Bovendien heeft men te bedenken, dat alleen Gods Woord consciëntie-bindend is. Dat is dan ook 't grondrecht, dat met gezag bekleed is om Godswil. Naar dat recht moet alle verordening gemaakt worden. Dat is dan ook, wat men noemt, het jus constituendum ; voor alle tijden zijnde het recht, dat zegt : alle ordening die gemaakt wordt, 't zij in 1600 of 1900, moet naar dit grondbeginsel gemaakt en saamgesteld worden.
Waaruit volgt, dat een kerkelijke ordening nooit anders dan als afgeleid-recht mag worden beschouwd en geschat ; vvat men noemt : jus constitutum ; welke ordening van kerkregeering dus afgeleid is uit het door God gegeven recht en dan ook aan het Woord van God altijd onderschikt en revisabel (herzienbaar) moet zijn en blijven.
Zoo is b.v. een grond-recht, een goddelijk recht, een onveranderlijk en de consciëntie bindend recht in het kerkelijk leven, dat men — niemand •— de onderlinge bijeenkomst niet mag nalaten, Hebr. 10 : 25 ; dat de Avondmaalsviering in het midden der gemeente moet plaats hebben en onderhouden worden.
Dat kan men in en voor het kerkelijk leven maar niet eens gaan bespreken, of het in het midden van Gods Kerk wel goed en nuttig en noodzakelijk is, dat de gemeente samenkomt op Gods dag in Gods huis ; dat de gemeente Avondmaal vieren zal. Want dat is een goddelijk recht, dat vastgelegd is in Gods Woord, geldend voor de Kerk van alle tijden.
Maar dat grondrecht vraagt nu om allerlei bepalingen, voorschriften, verordeningen die naar uitwijzen van Gods Woord gemeenschappelijk moeten worden gemaakt en vastgesteld, waarbij men heeft te bedenken, dat déze verordeningen uit het grondrecht zijn afgeleid. Wanneer men dus aangaande de inrichting der samenkomsten ordeningen gaat stellen, wat noodig is, zijn dat geen bepalingen die rechtstreeks aan de Schrift ontleend zijn. Moet met tweeof driemaal des Zondags ter kerk gaan ; moet men vveekbeurten houden ; moet men 's morgens vrije stof en 's middags of des avonds catechismus behandelen ; moet men vier of zes maal per jaar des Heeren Heilig Avondmaal houden ; moet 's morgens de wet en 's avonds de Apostolische geloofsbelijdenis gelezen worden, enz. enz. ? Daaromtrent zijn bepalingen en m o e t e n bepalingen gemaakt worden voor een goede orde van kerkelijk leven, maar die ordeningen behooren niet tot het jus constituendum het grondrecht, dat vaststaat en de consciëntie bindt, — maar deze bepalingen en voorschriften, zoo ze gemaakt worden en in een Kerkorde voorkomen, behooren tot de afgeleide dingen, die niet rechtstreeks uit de Schrift zijn te nemen.
Een Kerken-orde mag dan ook de consciëntie niet binden, wijl zij geen goddelijke, maar een kerkelijke en mitsdien een' menschelijke wet is.
Natuurlijk kan zij wel menigmaal consciëntie-bindende bepalingen van geloof en leven bevatten, maar dan zijn het bepalingen die de Kerkorde genomen heeft uit Gods Woord, rechtstreeks aan dat Woord ontleend. Maar aangezien de Kerken Gods Woord hebben en saam de gemeenschappelijke belijdenisschriften, waarin de eenigheid in, het gelooven wordt uitgesproken, behoeft de Kerkorde niet allerlei voor te schrijven, wat in de Schrift en , , wat in de belijdenis staat. Daar is de Kerkenorde niet voor. Deze heeft er naar te staan, dat in de afgeleide dingen zooveel mogelijk éénheid is of kome en het kerkelijk leven in hare openbaring naar buiten en naar binnen zooveel mogelijk is ingericht, dat alles met eerlijkheid en met orde ; met goede en eerlijke bedoeling, zooveel mogelijk naar regel en orde zal geschieden. (1 Cor. 14:40). Natuurlijk kan en mag zulk een Kerkorde dan niet van boven af opgelegd worden, maar moet uit het leven der Kerk' als vanzelf opkomen, wat ook geschiedt krachtens de wet welke de Heere Zijn Kerk op aarde heeft ingeschapen en waartoe Hij den bijstand en leiding des Heiligen Geestes heeft toegezegd en ook geven wil.
(Wordt voortgezet).
De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons. XV.
Sober, eenvoudig wordt ons in de Heilige Schrift de geschiedenis van den val des menschen en nóg soberder en eenvoudiger de geschiedenis van den val der engelen verhaald. Hier wordt slechts verhaald en niet verklaard. En het verhaal is zoo eenvoudig, zoo kort, zoo sober, niet omdat het eene gebeurtenis van zoo weinig beteekenis is, want het tegendeel is waar ; maar omdat het in werkelijkheid zoo eenvoudig en zoo in een korte spanne tijds is gebeurd. Daarom die korte mededeeling, om ons dan in heel de Schrift niet telkens die geschiedenis te verhalen of op die geschiedenis terug te komen als geschiedenis — want dat gebeurt nergens in de Schrift — maar om ons overal te teekenen, te laten zien de vreeselijke gevolgen van den val, die alles komen vervullen met ellende, schuld, vloek en dood.
Heel de macht der zonde hier op aarde staat in verband met een rijk der duisternis in de wereld der geesten. Ook daar heeft een val plaats gehad en déar allereerst. Uit de gegevens der Schrift is op te maken, dat vele engelen niet tevreden waren met den staat, waarin zij door God waren geplaatst. Hoogmoed heeft zich van hen meester gemaakt, om te streven naar een anderen, hoogeren stand dan hun door den Heere in den hemel der heerlijkheid voor Zijn troon was aangewezen. Geen dienende, heerschende geesten wilden zij zijn. (2 Petr. 2:4; Judas vers 6). En ze hebben het aangedurfd om tegen God te rebelleeren, wat hun val ten gevolge had, tot eeuwige ellende gedoemd, waarvan geen verlossing is, voor niet één van de ontrouwe troongeesten, die nu duivelen in de hel zijn.
Zoo leert de Schrift duidelijk, dat de zonde niet eerst op aarde, maar in den hemel is aangevangen. Daarmede treedt in de zedelijke schepping desorganisatie, de zondige ongebondenheid en wanorde, binnen, die niet beperkt blijft tot de wereld der engelen, waarom de Heere den mensch ook bizonder de roeping voorhield den hof te bewaken en niet te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. De Schrift zwijgt er over, of er verband bestaat tusschen dien val der engelen en de schepping van den mensch ; maar zij zegt wel, dat de Heere den mensch voor de zonde waarschuwde en dat het doen van de zonde een uitstooten uit het licht in de duisternis, een uitstooten uit het leven in den dood ten gevolge zal hebben. En om wat reden ook, maar de satan valt den mensch aan, listig, heimelijk, zich verdekt opstellend, met het gevolg, dat ook de mensch tegen God positie inneemt en aan de zijde van de gevallen engelen komt staan.
De zonde, het kwade wil zioh voortplanten. Als de olievlek, die steeds om grooter plaats vraagt en daartoe zich uitzet in steeds grooter cirkel, zoo is de zonde nooit voldaan en vraagt steeds om meer. En de zonde is op verovering uitgegaan, komende uit de hel tot de aarde, tot den mensch, het pronkjuweel van Gods schepping. Dat satan niet zelf rechtstreeks en persoonlijk tot den eersten mensch kwam, maar zich bediende van eene slang, laat zich wel begrijpen. Hij hoopt zoo beter te slagen, wanneer de verleiding geschiedde door een wezen, dat aan den mensch goed bekend was ; dat de mensch kende als een voorzichtig, schrander, scherpzinnig beest, waaraan hij zelf een naam gegeven had.
Zonder twijfel moet het spreken der slang aan de vrouw vreemd zijn voorgekomen. Want dat had zij nog niet gehoord, hoewel de geluiden van vogels en dieren, viervoetig en kruipend gedierte in velerlei toonaard en met onderscheidene klanken werden gehoord, telkens nieuw in toon en telkens schoon in de nieuwe, pas ontloken schepping, waarbij de mensch, man en vrouw, als koning en koningin wandelde om op alles acht te geven, te gebruiken, te verzorgen en te bewaren. Toen het spreken van de slang ! Wat aan de vrouw vreemd, nieuw, moest voorkomen en juist door dit vreemde en nieuwe aantrok.
Hoe 't mogelijk is, dat een dier spreken gaat ? Wel, kunnen booze, onreine geesten onder Gods toelating, geen wondere, boven natuurlijke dingen doen ? Kunnen zij zich niet tijdelijk van allerlei gebruiken, om hun listen en aanslagen tegen het menschelijke geslacht ondernomen, aannemelijker te maken en kracht bij te zetten, tot verderving ? Daarom hebben we, ook in onze dagen, wel te bedenken, dat de wondere en geheimzinnige dingen, die zich hier en daar — denk aan het spiritisme — voordoen, niets anders zijn dan — behalve grof bedrog van menschen — een openbaring van duivelsche geesten, die onder de toelating Gods, tot vele dingen — maar verderfelijke dingen — in staat zijn.
Door Satans kracht en inwerking van booze geesten sprak de slang. Zelfs een dier, Gods bevel verwerpende, kwam tot hoogere volmaaktheid, maar zou vernederd worden en heel de schepping mee trekken onder de vervloeking Gods.
Helaas ! dat de vrouw, nieuwsgierig luisterend naar de stam van de slang willig zich betoont, om de schoone leugentaal te gelooven en willig is om, tegen Gods bevel en gebod en dreiging ingaande, van den boom de vrucht te plukken en die, ongehoorzaam zijnde, te eten.
Op deze eenvoudige wijze verhaalt de Bijbel die vreeselijke geschiedenis van de zonde van den eersten mensch. De oorsprong van de zonde wordt door Gods Woord eenvoudig gelegd in den wil van het redelijk schepsel. Wat zoo goed te verstaan is, omdat de werking van het booze nog altijd op dezelfde wijze geschiedt. Wanneer de zonde komt werkt dit verduistering des verstands ; men begint de juiste onderscheiding der dingen kwijt te raken, waarbij de zonde zich voortzet in de prikkeling der verbeelding, waardoor de zonde hoe langs hoe schooner gedaante krijgt en de lust om de zonde te doen grooter wordt. Zoo wordt de begeerlijkheid in het harte opgewekt en dat voleindigd zijnde in de wilsdaad, wordt de zonde bedreven en wordt het een voldongen feit.
Overigens doet de Bijbel geen enkele poging, om de zonde te verklaren ; om duidelijk te maken, uit welke bestaande factoren de zonde is ontstaan. Daar spreekt de Schrift niet over. Doch leert ons, dat de Heere den mensch goed en naar Zijn beeld geschapen heeft; met de mogelijkheid om te kunnen zondigen, levend in een paradijs en staande onder een proefgebod, waarbij nu de zonde van buiten af aanvait en waarbij de mensch moed-en vrijwillig tegen God en voor den duivel kiest. En die zonde blijft dus zonde tegen God; ze blijft altijd, voor heel het wereldbestaan, ja, tot in eeuwigheid in strijd met Gods wet en getuigenis, den mensch aan allerhande ellende en leed, ja, aan de verdoemenis zelve, onderwerpend.
Een betere verklaring van den oorsprong van de zonde, van het kwade, van de ellende, dan de Schrift ons zoo eenvoudig geeft, heeft de wetenschap nog nooit kunnen geven. De Schrift zegt het ons, zooals we het zien in de gevolgen en zooals we het voelen in eigen ziel, dat het waar is. Zonder een val is deze tegenwoordige wereld niet te verklaren. En alle denkers, alle mythen en legenden, die zich met deze zaak bezig houden, bevestigen steeds min of meer — natuurlijk tegen eigen bedoelen in — dat er een gouden eeuw geweest is, dat er een breuke is gekomen tusschen het schepsel en den Schepper, waarbij alle godsdiensten spreken van een klove, die overbrugd moet worden, zal het leven worden hersteld en de vreugd terugkeeren.
Vol zonden is het leven nu. Volstrekt niet altijd zonden met een zinnelijk, vleeschelijk karakter, hoewel die er vele zijn. Maar er zijn ook geestelijke zonden, zonden met daemonisch karakter, zooals hoogmoed, nijd, haat, vijandschap tegen God. Waren het enkel vleeschelijke, zinnelijke zonden, dan zou de zonde niet in de engelenwereld zijn geweest. Dan zou ook bij den mensch door de heerschappij van den geest over het vleesch de zonde kunnen worden besnoeid, onderdrukt en uitgeroeid. Dan zouden ook in de eerste levensjaren de zonden meer zijn dan op lateren leeftijd. Maar de ervaring leert gansch anders I En de geest helpt niet zelden de zonden om op meer verfijnde wijze te worden bedreven. Zoo is dan ook, krachtens den aard van de zonde, de verlossing niet te zoeken in de onderdrukking van 't vleesch en de zinnen, gelijk de geschiedenis van de ascese of onthouding wel in staat is, om de meening, dat de zonde op die wijze kan overwonnen worden, als een dwaling openbaar te maken. Uit het hart komen allerlei zonden, die de uitgangen des levens sturen en richten, waarvan de ascese, waarvan de onthouding, waarvan zelfs het klooster niet verlost.
Dat men bij den oorsprong der zonde dikwijls toch min of meer wil teruggaan tot God en Hem het verwijt komt doen, dat Hij oorzaak is van het kwade of dat de oorsprong van de zonde in Zijn werk iigt, is te verklaren, daar het een zoo zwaar en moeilijk vraagstuk is en de mensch God zoo gaarne de schuld geeft bij hetgeen hij zelf niet wil nemen voor zijn verantwoording. En zoo is b.v. het heidendom er toe gekomen, om te spreken van twee persoonlijke goddelijke wezens, die eeuwig, als goden van licht en duisternis, van het goede en het kwade tegenover elkaar hebben gestaan. En zoo zouden we dan aan die twee goden de tegenwoordige, bestaande wereld hebben te danken.
We voelen, dat deze verklaring niet aannemelijk is. Twee goden, twee eeuwige wezens, en dan twee goden, waarvan de een de drager is van het licht en de ander van de duisternis ; de een van het goede en de ander van het kwade, dat bevredigt toch niet. Maar het bewijst, dat men het kwade, de zonde, zóó ernstig voelt — hoewel verkeerd —dat men wil uitdrukken — zij het dan ook op gebrekkige en onaannemelijke manier — dat de zonde, de oorsprong van het kwade, niet „toevallig" buiten Gods Raad en wil ontstaan kan. En in zooverre kan ook de heidensche voorstelling nog dienen om tenslotte het Bijbelsch verhaal kracht bij te zetten. Want buiten Gods Raad gaan de dingen niet, gaan zulke dingen zéker niét. De zonde is niet toevallig ; is niet willekeurig, is niet een spel van het noodlot, is ook niet uit God. Maar in Gods Raad opgenomen is zij nu saamgeweven met héél ons bestaan, waarbij de vrije wil en daad des menschen, zooals ook onze Catechismus zegt, voor ons zóó in het licht komt te staan, dat wij moeten bekennen : verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht .
De zonde was niet noodig voor den mensch tot zijn volmaking. Om tot zijn eeuwige bestemming te komen, had hij niet noodig het kwade óók te kennen en te doen. Nog minder was de zonde voor God Zelf noodig tot Zijn volmaking. Het goede heeft niet het kwade noodig, God heeft niet den satan noodig. Daarom is de zonde voor rekening van satan en voor rekening van den mensch, met wie de Heere naar Zijn vrijmachtig welbehagen onderscheidene wegen bewandelt, vol van gerechtigheid en waarheid en voor den mensch zoo vol van genade in Christus.
De zonde is er tegen Gods wil, tegen Gods wet, tegen Gods gebod.
Maar zij is er niet buiten Gods Raad. Het is God niet „uit de hand gevallen", dat de zonde er is.
En de zonde kan ook Gods Raad en Gods werk niet vernietigen.
Want waar de Heere verre van goddeloosheid is, weet Hij, de Almachtige, boven satan en boven de zonde uitgaande, ook het kwade en de zonde nog te gebruiken en te sturen, dat uit het kwade het goede voortkomt en ten slotte alles zal moeten medewerken, om de deugden Gods te doen uitschitteren tot in eeuwigheid. Waarbij straks een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, zal worden geopenbaand, waar Gods volk in Jezus Christus van zonden vrij, zonder zonde eeuwig zal leven ; En, God zal dan zijn alles in allen. (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's