Witter dan sneeuw.
't Sneeuwkleed, neergespreid op aard. Dat mij waar het oog ook staart. Alles, alles om mij henen, Doet aanschouwen, onbevlekt, Wijl daar alles is bedekt. All' onreinheid is verdwenen,
Doet mij denken aan het woord. Uit des Heeren mond gehoord : Uwe zonden, als scharlaken, Rooder nog dan karmozijn. Neem Ik weg, 'k zal vlek'loos rein, Witter nog dan sneeuw u maken.
Doch wanneer ik dan den blik Op mijzelf richt, zie 'k dat ik Zwart ben door mijn schuld en zonden, Gansch bezoedeld en onrein Door het kwade, waar steeds mijn Hoogst vermaak in werd gevonden.
Enkel zonden, enkel schuld. Daarmee is het hart vervuld. Dat toch is mijn grootst begeeren. Dat mijn lust, dat waar 'k naar vraag. Dat 't verlangen, dat gestaag 't Een'ge waar 'k in wil verkeeren.
Zou, o zou 't dan kunnen zijn. Dat mijn ziele, zóó onrein. Nog mag hopen en vertrouwen. Dat zij eind'loos, vlek'loos rein. Bij den Heere straks mag zijn. Om Zijn grootheid te aanschouwen ?
Zou dat kunnen ? klinkt mijn klacht. Maar weer op de wond're pracht Blikkend, van het vlek'loos reine Sneeuwkleed, over d' aard gespreid. Durf ik hopen, straks verblijd Hem t' ontmoeten als de Zijne.
Want de sneeuw, die d' aard bedekt 't Al doet zien gansch onbevlekt. Is m' een beeld van Christus' lijden. Waardoor Hij de zwarte ziel. Die in 't kwaad in zonden viel, Vlek'looz' reinheid komt bereiden.
Want hoe groot de zonden zijn, Hoe bezoedeld, hoe onrein. Zijn verdiensten toch bedekken Alle zonden, al het kwaad. Waardoor zij gansch rein straks staat Voor den Heere, zonder vlekken.
En daarom wijst mij de pracht Van het sneeuwkleed, als mijn klacht Over 't kwade wordt vernomen, Op den Christus, Die bedekt All' onreinheid, onbevlekt 't Schepsel weer tot Hem doet komen.
Ja, de sneeuw, die nederviel Op het aardrijk, zegt mijn ziel. Dat z' in Christus voor den Heere Kan verschijnen, vlek'loos rein. Witter dan de sneeuw nog zijn, In Zijn Huis, Zijn Naam ter eere.
COR.
Niets.
Niets kunnen dan maar stil en kleen Op Jezus te vertrouwen ; Dat is de weg, de weg alléén Om op een rots te bouwen.
Niets weten dan : bij H e m is kracht! Hoe zwak ik ook moog' wezen. Het Godslam is voor mij geslacht, Dies heb ik niets te vreezen.
Niets zien dan Jezus en Zijn hand ; Geen afgrond, geen gevaren ; Dat brengt mijn scheepje naar het strand, Door de opgeruide baren.
Niets willen idan wat Hij begeert. Zóó komt er rijke vrede. Zóó deelt Hij, die 't heelal regeert. Ook mij Zijn blijdschap mede.
Niets hopen van deez' nietige aard. Wat zij ook moog' bevatten ; Slechts Jezus is mijn liefde waard. Niets is bij Hem te schatten. Niets kennen, weten, willen, zien, Niets van onszelven hopen Wie dat geleerd heeft, o, voor dien Staan a1 Gods heem'len open !
Dr. J. H. GUNNING J.Hzn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's