Uit het kerkelijk leven.
De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.
XVI.
God is niet de auteur, niet de werker, van de zonde. Dat kan niet. Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht. Maar de zonde is niet buiten Zijn voorkennis omgegaan ; de val is voor Hem geen verrassing geweest. Met Zijn Almacht had Hij het kunnen verhinderen, maar Hij heeft het niet willen verhinderen, juist omdat Hij den mensch geheel vrij wilde laten, die dan ook geheel aansprakelijk staat voor het doen van de zonde met al den aankleve van die.
't Is zooals het nóg dagelijks gebeurt; zij 't dan ook onder geheel andere omstandigheden. God kan verhinderen, dat iemand steelt, dat iemand een moord begaat. Maar 't gebeurt, dat God het niet verhindert en dus niet wi1 verhinderen dat het kwade gebeurt.
Maar dan is de diefstal geen daad Gods. Dan is God niet de moordenaar. De daad, die geschiedt, geschiedt door den mensch.
God brengt de zonde niet voort, maar de mensch, die zondigt, stelt zich onder de macht van de zonde ; is een dienstknecht der zonde en gaat tegen Gods wet en wil in.
Nu is God de Almachtige, die de zonde weet te gebruiken tot eere Zijns Naams en tot verlossing Zijns volks. Judas verraadt den Heiland en het was Gode bekend, dat hij het doen zal. Maar terwijl Judas de boosheid van zijn hart daarin toonde, weet de Heere het te gebruiken tot verlossing Zijns volks. Nu moet men Judas niet de verlossing van zondaren danken, want dat zou ' ongerijmd zijn ; maar even ongerijmd zou het wezen God te wijten, dat Judas Jezus ging verraden.
God gebruikt de zonde, maar doet de zonde niet.
Ware God geen Almachtig, Heilig God, zoo zou Hij de zonde niet hebben toegelaten Bij zoo'n God, die niet Almachtig is, zou de zonde immers alles hebben gemaakt tot verwarring en mislukking. Zoo'n God zou het dan ook niet tot een goed einde kunnen brengen in een wereld, waarin de zonde haar intree had gedaan. Maar nu is de Heere Heilig, Die de zonde niet doet en Hij is de Machtige, die ook over de zonde heerschappij voert en tenslotte alles weet te richten tot Zijn eer en tot zegen voor de Zijnen.
Hij komt tegenover de zonde Zijn deugden groot maken.
En in den weg der vrijheid regeert Hij altijd over de zonde ; Hij blijft Koning en laat haar toch vrij spel in Zijn rijk. En als de zonde haar toppunt zal bereikt hebben, wanneer Christus aan het kruis hangt, dan is de zonde tegelijk in haar machteloosheid in het openbaar tentoongesteld, waar Christus roept : het is volbracht ! (Col. 2 : 15).
Niet in God heeft de zonde haar oorsprong, maar in den wil van het redelijk schepsel. En de Heere weet dan in de regeering der zonde Zijn deugden luisterrijk te openbaren. De rijkdom van Gods genade, de diepte van Zijn ontfermen, de onveranderlijkheid van Zijn trouw, de onkreukbaarheid van Zijn rechtvaardigheid, de heerlijkheid Zijner wijsheid en van Zijn macht, schitteren heerlijker uit tegen den donkeren achtergrond der zonde. En het is Goddelijke grootheid de zonde zelf niet te werken en niet te willen, ja, te verbieden en te oordeelen — en tegelijk dan, wanneer de zonde toch is gekomen, met al den nasleep vair namelooze ellende, die zonde toch zóó te kunnen regeeren, dat ze nog, tegen haar natuur en streven in, dienstbaar, in alles dienstbaar wordt, aan de eere Gods en tot zegening van Gods volk.
En daarom kan de zonde, die in de wereld is, ons, welbeschouwd, zóó weinig het geloof in God, in Zijn liefde en macht, ontnemen, dat ze veeleer in dat geloof ons bevestigt en versterkt.
We blijven dus belijden, dat God niet de oorsprong van de zonde is.
Maar de Heere heeft in Zijn schepping de mogelijkheid van de zonde opengelaten en gegeven. Dat heeft satan niet gedaan, dat heeft de mensch niet gedaan, maar dat heeft God gedaan. Die heeft de schepping zóó daargesteld, die heeft de engelen zóó geschapen en die heeft den mensch zóó ge^ maakt, niet dat zij zondigen moesten maar dat ze zondigen konden.
Wanneer God de mogelijkheid van de zonde niet had gewild, zou Hij de schepping anders hebben gesteld. Maar een uitgroeien van het geschapene zonder de mogelijkheid van de zonde, wilde Hij niet.
Niet satan is dus 't eerst op de gedachte van de zonde, van het kwade, van het tegen overgestelde van hetgeen God wilde, gekomen. En niet Adam en Eva hebben de zonde uitgedacht.
God Zelf gaf de mogelijkheid van zondigen. Zei ook, dat die mogelijkheid er was. Liet het aan Adam en Eva in den boom der kennisse des goeds en des kwaads zien, dat er een mogelijkheid van zondigen, een fnogelijkheid van ongehoorzaam te worden, was.
En God heeft ongetwijfeld engelen en menschen, omdat Hij de mogelijkheid van zondigen in Zijn schepping wilde, zóó geschapen, dat zij tot die zonde konden overgaan. Niet moesten komen, maar konden komen.
Dat is geen gebrek in de schepping van engelen en menschen. Maar dat is Gods wil geweest, om hen goed en recht te maken, zéér goed, maar zóó, dat ze nu zelf in een weg van vrije keuze zich zouden moeten ontwikkelen tot hooger heerlijkneid, om dan niet meer te kunnen zondigen en eeuwig in heerlijkheid te leven bij God.
God wilde niet met geweld de zonde keeren en die er buiten houden. Hij vreesde niet voor haar macht. Hij schiep ook engelen en menschen niet, dat zij absoluut onschendbaar zouden zijn door de zonde. Neen, Hij "schiep engelen en menschen zóó, dat ze konden staande blijven en dat ze konden zondigen. In het goede zette de Heere den mensch, maar de mogelijkheid van het kwade lag er naast. Hij was goed, maar kon zijwaarts afdwalen ; de mensch was V e r a n d e r 1 ij k goed. God alleen is de zijnde, de onveranderlijke, die eeuwig Dezelfde is. De mensch is' de wordende en kon ook ver worden. Een schepsel, dat zóó geschapen wordt, dat tiet met zondigen kan, is een tegenstrijdigheid.
De eerste mensch was aardsch uit de aarde en door de schepping geworden tot een levende ziel. Zoo staat hij op een heel andere plaats dan Jezus, de tweede Adam, de Heere uit den hemel, die geworden is tot een levendmakenden Geest. En zoo staat hij ook bloot aan de verzoeking en verleiding van satan, die door zijn eigen denken ontevreden is geworden en een systeem van leugen tegenover de waarheid Gods heeft gesteld en den mensch, die uit de aarde aardsch is, daarmee voorkomt als de menschenmoorder van den beginne. Hij nadert hem van buiten af; hij wekt in hem de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches en de grootschheld des levens door een fijn gesponnen leugen met waarheid gemengd. En de mensch zondigt, niet als een duivel, maar als een mensch. Waarbij de duivel zijn eigen straf ontvangt en de mensch ook eigen oordeel dragen moet.
De mogelijkheid van zondigen was er dus bij de geschapen engelen en den geschapen mensch.
Hoe nu die m o g e 1 ij k h e i d tot w e r-k e 1 ij k h e i d geworden is, bij de duivelen alsook bij de menschen, is en blijft een diep ' geheimnis. De gedachte van de zonde heeft eeuwig in Gods verstand bestaan ; de mogelijkheid tot zondigen is in de schepping van engelen en menschen opgenomen ; in het proefgebod stelt de Heere den mensch voor oogen, dat er ook een weg is om te zondigen en wordt de gedachte der zonde den mensch voor oogen gesteld ; behalve kennis van het goede droeg deze dus ook kennis van een verboden kwaad - maar hoe nu, bij de verleiding door satan, de zonde bij den mensch w e r k e 1 ij k h e i d is geworden en in een daad is overgegaan, kunnen wij niet verklaren. Hier betreden we het geheimzinnig gebied der zedelijke vrijheid en komen we - 't mag ons volstrekt niet verwonderen - voor een verschijnsel te staan, dat uit den aard der zaak in zijn oorsprong aan eene verklaring ontsnapt.
Hier hebben wij niet een resultaat van denken, ook niet een resultaat op natuurkundig of scheikundig gebied. Hier zit, wat we zouden moeten weten, dieper. En het zit zóó diep, dat we hier van verklaring moeten afzien. Uit een heilige, naar Gods beeld geschapen natuur, kan de zonde niet voortkomen. De zondige daad heeft tot oorzaak den zondigen wil, maar wie wijst de oorzaak van dezen zondigen wil ? Augustinus zei, dat wie de oorzaak der zonde wil ontdekken gelijk is aan iemand, die de duisternis wil zien of de stilte wil hooren.
Dit is niet op te vatten als een uitvlucht, als een toevluchtsoord der onkunde. Veel eer is ze openlijk en duidelijk uit te spreken : wij staan hier aan de grenzen-onzer kennis. Wat ons geopenbaard is, weten we. Moeten we weten, kunnen we weten. Maar hier gaat het over de grenzen van ons weten heen. De zonde Is er, maar nooit zal zij haar bestaan kunnen rechtvaardigen. De zonde is er, maar de zonde is onwettig, onredelijk. De zonde is ongehoorzaamheid, is slecht, is God onteerend en den mensch rampzalig makend.
Maar zij is een macht, die niet tot het wezen der schepping behoort. Oorspronkelijk was zij er niet. Ze is er wederrechtelijk. Zoo blijft ze ook iets tegen-natuurlijks, niets dan tegen-natuurlijke dingen na zich sleepend.
En nu is de troost voor allen die in Christus door genade hun Heiland en Zaligmaker mogen kennen, dat een nieuwe hemel en een nieuwe aarde wacht, waarop gerechtigheid zal wonen. Dan geen zonde meer. Dan de echte schepping. Dan het rechtvaardig volk, dat God zal liefhebben met héél het hart en héél de ziel en alle krachten. En dan zal God zijn alles in allen. Terwijl in de hel de uiterste en schrikkelijkste gevolgen van de zonde zullen worden gezien, tot eeuwige ellende, los van God en vol van rampzaligheid.
(Wordt voortgezet).
Gereformeerde Kerkregeering.
II.
God heeft Zijn Woord gegeven, waarvan de Gereformeerde Kerk belijdt „dat dit Woord Gods niet is gezonden noch is voort gebracht door menschelijken wil, maar de heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven door den Heiligen Geest. God heeft, door eene zonderlinge zorg (bizondere zorg), die Hij voor ons en onze zaligheid draagt. Zijnen knechten, den profeten en apostelen geboden. Zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen" (art. 3 Ned. Geloofsbelijdenis), waarom vervolgens gezegd wordt (in art. 5) „al deze boeken ontvangen wij voor heilig en canoniek om ons geloof naar dezelve te reguleeren, daarop te gronden en daarop te bevestigen."
De Gereformeerden kunnen zich dan ook geen kerkelijk leven en geen kerkelijke vergaderingen denken, of Gods Woord, de Heilige Schrift, de Bijbel moet daar gezag hebben, om te zijn wet en regel voor leer en leven.
De Moderne wil van dat „uitwendig en opgelegd gezag" niets weten. Die wil den Bijbel wel, evenals andere boeken, gebruiken, om, zoo er iets goeds in is, daarvan te profiteeren, maar hij houdt zich ten allen tijde het recht voor te eerbiedigen en aan te nemen naar eigen inzicht, gelijk ook te veroordeelen en te verwerpen naar eigen keus. De rede heeft tenslotte het hoogste woord ; eigen inzicht moet tenslotte beslissen — waardoor de mensch, in welken vorm dan ook verder alles gegoten wordt, zichzelf tot een heer en rechter, zichzelf tot een god is geworden !
De Ethische verschilt hier in den grond der zaak niet veel van, al hecht deze, door opvoeding, omgeving, enz., gewoonlijk nog wat meer dan de Moderne aan de oude stukken des geloofs en aan de bijbelsche waarheden. Critisch, vrij, onafhankelijk wil de Ethische naderen tot den Bijbel, en van een „papieren paus" wil hij niet weten. Waarbij, zooals bekend is, het critische standpunt vele Ethischen niet slechts tot critici, maar tot sceptici heeft gemaakt, die in den Bijbel absoluut geen vastigheid meer vinden, daar ze zelfs zeggen, dat van geen enkel woord van Jezus voor ons vaststaat, of Hij het gesproken heeft of niet; om zich dan ook liefst maar niet uit te laten over de heilsfeiten en intusschen de historie van Oud-en Nieuw Testament op allerlei manier telkens eenvoudig op losse schroeven te zetten.
Bij den Gereformeerde is het zoo anders gesteld als het gaat om den Bijbel. Die nadert niet sceptisch, ook niet om hier eens alles „recht te zetten" naar „wetenschappelijk" model, en naar luid van de „nieuwste resultaten der wetenschap", maar om den Bijbel als Gods Heilig en onfeilbaar Woord te beschouwen en dat Boek, die Heilige Schrift, te aanvaarden als wet en regel, voor leer en leven. Het getuigenis der Schrift is voor den Gereformeerde afdoende, omdat in die Schrift God spreekt en de Heilige Geest in de harten van de geloovigen mede getuigenis geeft, dat Gods Woord waarheid is tot in eeuwigheid.
We hebben dan ook den Bijbel niet aan óns, maar óns aan den Bijbel te onderwerpen, ooik voor de huishouding der Kerk.
Waar nu Gods Woord, Gods Waarheid, Gods rechten en inzettingen voor ons bindende kracht hebben, daar ligt de zaak niet zóó, dat in den Bijbel staat, wat In 1922 onder bepaalde omstandigheden in het midden van het kerkelijk leven van Nederland moet gedaan of verordonneerd worden. Het gaat hier veelszins om 't afgeleide-recht, dat afgeleid is uit het grond-en goddelijk recht, in Gods Woord ons wèl omschreven voor alle tijden.
Voetius heeft hier dan ook reeds tot voorzichtigheid gemaand ten opzichte van het opstellen van kerkelijke verordeningen. „Ze moeten" ook zegt hy, „Ook zo weinig mogelijk in getal zijn. Het voorbeeld der Roomsche Kerk leert, hoe eene KerK door veelheid van bepalingen gevaar loopt haar geestelijk karakter te verliezen. En die er zijn, moeten eenerzijds kort, maar anderzijds toch duidelijk en doorzichtig zijn. Terwijl eindelijk de onderhouding der Kerkenordening niet zóó streng moet worden voorgeschreven, alsof hare bepalingen met goddelijke voorschriften gelijk staan." (Voetius Politica Ecclesiastica I, blz. 255, enz.).
Waar een Kerken-ordening dus nooit als een stel, tot in allerlei onderdeden omschreven reglementen van bovenaf op de Kerk mag worden opgelegd door een of andere caesaropapistische of pauselijke macht, maar door de Kerken zelve, in een weg van wettige afvaardiging en vertegenwoordiging op hare meerdere vergaderingen, opgesteld moet worden, — waarbij het recht der algemeene Synode is eene generale Kerken-ordening vast te stellen en geldig te verklaren voor alle Kerken, — daar moet zoo'n Kerken-ordening op Gods Woord gegrond zijn, maar niet vallen in de fout om vast te stellen en zonder pardon bindend te verklaren datgene, dat volstrekt niet bindend in Gods Woord is voorgeschreven of aangegeven.
Wel kan de Kerken-ordening — we merk ten het tevoren reeds op — consciëntiebindende bepalingen van geloof en leven bevatten, maar deze binden dan het geweten n i e t, omdat zij in de K e r k e n o r-d e n i n g staan, doch omdat zij aan Gods Woord zijn ontleend en daaruit genomen zijn.
De Kerken-ordening moet het, juist om den welstand der Kerk, liefst laten bij algemeene regeling en slechts weinig moet bepaald en omschreven worden.
Er moet een Kerken-ordening zijn. Want Christus wil Zijn Gemeente op aarde geregeerd hebben door de regeerders, die Hij Zélf heeft aangesteld. De ambtsdragers, daartoe van Christus verordend, hebben dus de regeermacht; en die regeenmacht brengt mee, dat er verordeningen voor 't kerkelijk leven gesteld worden naar den eisch der tijden en omstandigheden.
De regeering der Kerk, de kerkeraad in kleinen kring en de vertegenwoordiging der Kerken in grooteren kring, hebben dus, naar luid ook van 1 Cor. 14 : 40, er voor te zorgen, dat er verordeningen, bepalingen voor 't kerkelijk leven komen. Hun potestas directionis (gubernationis), hun recht om te regeeren, sluit dat in en brengt dat mee. Hier is dus sprake van goddelijk recht, aan de regeerders der Kerk door Christus geschonken. (Voetius Pol. Eccl I, blz. 263, enz.) En bij dat recht om te regeeren, dat bij de ambtsdragers berust, hoort het gebod, dat aan de Gemeente is opgelegd, om te gehoorzamen.
Het recht om te regeeren en het gebod van onderworpenheid komt bij elkaar.
Evengoed als de ouders bekleed zijn met macht en de kinderen gehoorzaamheid verschuldigd zijn (Ef. 6 : 1—3 ; Col. 3 : 20) en de Overheid tot regeeren en de onderdanen tot gehoorzaamheid zijn geroepen (Rom. 13 vers 1—^7) zóó vordert God ook gehoorzaamheid en onderwerping aan de kerkelijke machten (Matth. 16 : 19 ; 18 : 18 ; Joh. 20 : 21, 23 ; Hand. 15 : 27—29 ; Filip. 2 : 29 ; 1 Thess. 5 : 12, 13 ; Hebr. 13 : 7, 17)
Dat hebben onze Gereformeerde Kerken van den beginne af aan gevoeld en tot uiting gebracht. Men voelde de roeping om te regeeren, men leefde bij de roeping om te gehoorzamen en zoo verklaarde dan ook de Synode van Embden (1571), waar voor 't eerst de Kerken van Nederlandsche natie bijeenvergaderd waren, in het laatste artikel van de daar vastgestelde Kerken-ordening : „Deze artikelen, de wettelijke orde der Kerken betreffende, zijn met gemeen accoord alzoo vastgesteld, dat zij, zoo het profijt der Kerken anders vereischte, veranderd, vermeerderd of verminderd mogen en moeten worden, nochtans zal het geene bijzondere Kerk vrijstaan zulks te doen, maar alle Kerken zullen arbeiden om deze te onderhouden, totdat door eene Synode anders wordt vastgesteld."
Hier was dus van stonde aan een streven om alles eerlijk en met orde te doen geschieden en alles wat verordonneerd werd zóó te beschouwen, dat de kerkelijke verordeningen dienen moesten om de wegen aan te geven, waarlangs de Kerken des Heeren Woord zouden kunnen gehoorzaam zijn en 's Heeren inzettingen recht betrachten.
Er was geen lust om te „heerschen", maar om te „dienen" ; om onder opperhoogheid van Christus elkander te helpen in het houden van Gods geboden, waarbij gepaste gebondenheid aan 't geen saam was vastgesteld en gepaste vrijheid in middelmatige, bijkomstige dingen werd gevonden ; gebondenheid zonder tyrannie ; vrijheid zonder bandeloosheid te worden.
Er was regelmaat zonder formalisme te worden ; er bleef ruimte, maar binnen zekere grenzen.
Natuurlijk hebben onze Gereformeerde Vaderen hierbij verdedigd, dat niet aan de Overheid, maar aan de Kerken zelve het recht toekwam eene Kerken-ordening te maken, in onderscheiding van de Politieken, Remonstranten en Erastianen, die van een tegenovergesteld gevoelen in deze waren. Volgens deze laatsten moest de Kerkenordening eene staatswet zijn, rustend op 't politiek gezag der Overheid. Een imperium van de Kerk in imperio van den Staat was volgens hen niet toelaatbaar; d.w.z. het kon niet geduld worden, dat de Kerk een eigen terrein met eigen wet eu gezag zou hebben binnen het gezagsterrein van den Staat. Maar tegen deze Remonstrantsche dwaling hebben onze Gereformeerde Vaderen 't kerkelijk gezag harer verordeningen steeds zooveel mogelijk verdedigd. (Voetius Pol. Eccl. I, blz. 266, 268). Maar in 1816 heeft dit heilloos pogen van den Remonstrant in de eigenmachtige daad van den eersten Oranjevorst, helaas ! gezegevierd, toen deze een kerkelijk reglement aan onze Hervormde Kerk oplegde, gemaakt door een Commissie, welke de Regeering benoemd had.
Sinds de Revolutie heeft de Gereformeerde Kerk haar karakter van publieke, door de Overheid erkende Kerk verloren en nu worden de bepalingen der Kerken-ordening door de burgerlijke regeering beschouwd als de bepalingen eener gewone vereeniging, bindend voor den kring, waarvoor zij gemaakt zijn. Elke Kerk moet nu maar voor haar eigen ordening zorgen. De Overheid vraagt er alleen naar bij kwesties van eigen domsrecht.
Onze Gereformeerde Kerk heeft, ook om de wille van eene goede wijze van kerkregeering en om een Kerken-ordening te verkrijgen, die bij het kerkelijk leven past, weer te staan als van ouds, naar een wettige vertegenwoordiging in de kerkelijke vergaderingen van de classis ; van de Provinciale Synode en van de Nationale Synode. Zóó kunnen degenen, die van Christus geroepen zijn om de Kerk te regeeren, op wettige wijze saam verordeningen voor het kerkelijk leven opstellen en uitvaardigen, — niet als een boekdeel van reglementen en eindeloos uitgeplozen artikelen voor dit en voor dat, wat naar de Roomsche, pauselijke machten riekt en doodend voor het kerkelijk leven is ; — maar om in de veelheid en verscheidenheid der gemeenten, naar de beginselen van Gods Woord, een Kerken-ordening op te stellen, waarin de wegen worden aangegeven, die het kerkelijk leven sturen kunnen in den weg van Gods inzettingen, Gode tot eere en der Kerken tot heil, tot bloei en tot vreugd. Om de gezonde openbaring van het lichaam van Christus in dezen lande te helpen bevorderen.
Hier hangt veel, héél veel er van af, hoe men het kerkelijk leven zich denkt en welke kerkelijke vergaderingen hier nooüig zijn. Want de Kerk heeft haar eigen aard en eigen levenssfeer. En naar dien eigen aard zal zij zich moeten openbaren, anders loopt het mis en groeit alles scheef.
Waarom art. 1 van de Dordtsche Kerkorde het daar ook aanstonds over heeft, om dat allereerst vast te leggen.
Want art. 1 luidt: „Om goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden, zijn daarin noodig : de diensten ; samenkomsten ; opzicht der leer ; sacramenten en ceremoniën, en christelijke straf; waarvan hierna ordelijk zal gehandeld worden."
Dat zijn, volgens onze Gereformeerde Vaderen van de 17e eeuw, de voorwaarden die, om een gezond kerkelijk leven en om goede orde in de gemeente van Christus te hebben en te houden, noodig zijn.
En over deze diensten (ambten), samenkomsten (kerkelijke vergaderingen) ; opzicht der leer (tuchtoefening): sacramenten en ceremoniën (of plechtigheden) en c h r 1 s t e 1 ij ke straf (christelijke ban of uitsluiting), wordt dan ook achtereenvolgens in de Kerk orde van Dordt (1619) gehandeld, waarvan we in het kort iets willen mededeelen.
(Wordt voortgezet).
Christus het Hoofd der Kerk.
Als Calvijn 't in zijn Institutie of onderwijzing in den christelijken godsdienst heeft over de kerkelijke vergaderingen (boek IV, hoofdst. 9) dan wijst hij er op, dat hij voor de Roomschen geenszins onder wil doen in eerbied voor de Kerk-vergaderingen of Conciliën. Maar hij maakt deze opmerking : dat aan Christus in de vergaderingen der Kerk niets onttrokken mag worden. Het recht van Christus is om op alle kerkelijke vergaderingen de Voorzittersplaats te bekleeden en mag In die waardigheid geen mensch tot ambtgenoot hebben.
Wanneer is Christus Voorzitter, zoo vraagt Calvijn verder?
En zijn antwoord is, dat Hij eerst Voorzitter is, wanneer Hij de gansene vergadering door Zijn Woord en Zijn Geest regeert.
Nu staat er: waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen Naam, daar ben Ik in het midden van hen" (Matth. 18 : 20). Maar de knoop der kwestie ligt nu in de bijgevoegde voorwaarde : dat Christus eerst dén in het midden wezen zal, wanneer de vergadering in Zijnen Naam gehouden wordt.
Dan, maar dan ook alleen, mag men de hand in geloove op Gods belofte leggen, dat de H. Geest zal leiden in alle waarheid.
Goddelooze en booze Bisschoppen — zoo zegt Calvijn — kunnen tegen Christus wel samenspannen, even goed als goeden en godvruchtigen in Zijn Naam vergaderen. Maar dan is er in Gods Woord geen belofte dan alleen aan hen die in den Naam van Christus vergaderen en zich wachten, naar eigen willekeur, van Gods Woord af te doen of daaraan toe te doen. Want, zoo gaat Calvijn verder, de Goddelijke uitspraken der Schriftuur hebben we boven alles te eerbiedigen, en we hebben ons te vergenoegen met den eenigen regel der volkomene wijsheid en niet uit ons eigen brein iets nieuws te verdichten. , , Waarlijk, naardien Christus niet beloofd heeft, dat Hij op alle Conciliën zal tegenwoordig zijn, maar een bijzonder kenteeken gesteld heeft, waardoor de ware en wettige Conciliën van de andere kunnen worden onderscheiden, zoo moeten wij deze onderscheiding geenszins over 't hoofd zien." „Die dit verbond schenden, acht God niet waardig, dat zij de eer van het Priesterschap of eenig gezag zouden bezitten." (Inst. Ill, 161—162),
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's