De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Toen zeide Jonathan tot David : „De Heere zij tusschen mij en tusschen u, en tusschen mijn zaad en tusschen uw zaad, tot in eeuwigheid". 1 Samuel 20 : 42.

David en Jonathan.

Banden tot den dood.

Banden bij den dood.

Banden na den dood.

Gilboa roept ons een droef tooneel vooi de aandacht. «Het slagveld, waarop een beslissende strijd is gestreden tusschen Israël en de Filistijnen.

Wat drongen die onbesnedenen aan, mei ongetèmde woede ! Wat weken de mannen van Israël al verder van hun plaats, al maat terug, naarmate de slagen harder neerkwamen.

Eindelijk de beslissing. Sauls zonen worden gedood. Drie vallen er tegelijk, Jonathan, Abinadaib en Malkisua, heldhaftige krijgers, onder doodelijk treffen. En toen ontzonk hun de moed ; Israels zonen vloden en vielen bij hoopen, voorzoover zij geen berging vonden in eerlooze vlucht.

Donker is het op Gilboa's hoogten.

En donker in het hart van den koning, den grijzen, ontrusten,  moedeloozen vorst.  In bijgeloof had hij troost gezocht, waar de trone des Satans was opgericht, maar het was al benauwder geworden ; zóó bang, dat te sterven hem beter was dan te leven.

Het zwaard zal uitkomst geven.

Saul valt bij zijn zonen, door eigen hand. En in het kamp van de vijanden laait de vreugdegloed hoog op over de verslagenen, duivelsche vreugde giert uit over straten en velden over den val der geslagenen, Israels kroost, Jehova's bondsvolk.

Voelt gij het pijnlijke bij zulk een nederlaag ? Het smartgevoel in het hart van een David, Gods kind en Israels dapperen zoon, innerlijk verbonden door banden der liefde aan hen, die daar doodelijk getroffen wentelen in hun bloed?

Hij moet zijn ziel uitweenen, en de tranen van smart en rouw haar onstuimigen loop laten ; zijn weeklage over Saul en Jonathan bij hun dood is een smartelied, uit het verbroken 'hart, uit het verslagen gemoed van dien, die ter aarde neergedrukt is.

O, telt die tranen niet, maar weegt ze, die vloeien op slagvelden en aan sterfbedden, op doodenakkers en sterfhuizen ; liederen der rouwe zijn het, omdat het zoo zwaar valt, zoo bitter is, zoo veel leed te dragen.

Het „iied van den boog" uit het boek der Spreuken is een smartelied, een klage, een echte weeklage, omdat gevoeld is, dat het zoo vreeselijk is, als helden smadelijk vallen onder beukende, moordende slagen van wreede beulshanden, omdat het zoo'n pijn doet als banden vaneen gereten worden, als dierbaren, levens-en zielsvrlenden ons ontvallen.

David weent het uit, hardop uit, hardop voor de ooren der dochters der Filistijnen tot op de straten van Askalon, dat zijn smart zoo groot is. Een smartelied omdat het een liefdelied

Staande bij den dood van zijn vriend bezingt hij nog eenmaal zijn liefae, zijn goddelijken liefdeband, dat snoer, dat zelfs door den dood niet verbroken wordt.

„Jonathan, ik 'ben benauwd om uwentwille ; mijn broeder Jonathan, gij waart mij zeer liefelijk, uwe liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen." Liefelijker liefde, teederder en inniger, ongeveinsd en zuiver als goud.

Liefdezang bij den dood. Maar daarom ook een lied der berusting.

„Hoe zijn ze gevallen !" God heeft het gedaan, en daarom, mijne ziel, zwijg Gode, van Hem is mijn verwachting !

En dan wordt Davids hart ingeleid in Gods weg, teruggeleid tot Gods beleid, gewezen op Gods oogmerk, en hoe smartvol ook die scheiding is voor het vleesch — omdat Hij het gedaan heeft, wenscht hij Gode te zwijgen.

Te weenen over onze dooden, is natuurlijk. Alleen het koude stoïcisme doodt het smartgevoel der ontroerde zielen, maar het geloof in den Almachtige doet berusten in goddelijk welbehagen en wondere wegen.

Hoe zijn de helden gevallen ! Hoe groot is het verlies voor vaderland en Kerk, gemeenschap en kring ! Onbeschrijfelijk groot, en toch — dat de onbesnedenen niet opspringen, en de goddeloozen niet vermetel het hoofd opsteken! Want de Heere is Rechter, God is het, die beslist.

En zoo droogt David zijn tranen. Berustend in Gods wil, overgevend het alles in-Gods hand, hopend op-Zijne genade.

En zij keeren terug van Gilboa's slagvelden gesterkt door Gods kracht.

Zonder Jonathan, met God, Israels God, die een God is der levenden en der dooden.

Banden bij den dood.

Banden na den dood.

Met rassche schreden is de tijd voortgesneld. Jaren van strijd en overwinning zijn voorbij gegaan. Veel is er al gebeurd. Met Sauls val stond Davids verhooging in onlosmakelijk verband. Veel ook veranderd. Met de tijden óók de menschen.

David iaat in een rustig oogenblik zijn gedachten dwalen in het verre verleden. Allerlei beelden treden voor den geest, figuren van onderscheidene sterkte gaan aan zijn oog voorbij.

Daarbij kan Jonathan niet worden gemist. Hoe zou het zijn geslacht toch vergaan zijn ? Is er nog één in leven van diegenen, die eertijds stonden in hun kracht ? Een vraag, die dringt naar voren en wacht op antwoord.

„Is er nog iemand overgebleven van den huize Sauls, dat ik hem weldadigheid doe om Jonathans wille 7'

De oude liefde vlamt op, het wordt een vuur, brandend in zijn gebeente, een onbetaalde rekening, oude herinnering, die roept om wedervergelding.

De liefde zoekt zichzelf niet. En als dan de bevende, kreupele Mephiboseth zich stelt voor het aangezicht van den machtigen Vorst, in luister gezeten op zijn vasten troon, dan klinkt het koninklijk bevel ; „Vrees niet, Mephiboseth, ik zal zekerlijk bij u weldadigheid doen om Jonathans wil."

En dat , , om Jonathans wil", dat vraagt weer de volle aandacht.

Neen, ook na den dood was David zijn vriend niet vergeten ; lief en leed, saam doorleefd, worden door wisselende omstandigheden als onder het stof verborgen, maar ze blijven spreken tot in vele jaren, en maken oude herinneringen telkens levend.

Wat een ure van blij geluk voor den kreupelen zoon van Jonathan ! Hoe zou hij deelen, om vaders liefdeband van weleer, in Davids rijke zegening! Erfgenaam en gast zal hij blijven al de dagen zijns levens. Om in bezit te nemen al wat zijns vaders was en om dagelijks brood te eten aan 's konings tafel.

Verbaast u de verwondering van den vergeten burger uit Lodebar, of meer de royaliteit van den beminnelijken koning, die een eereschuld betaalde in de vervulling zijner belofte aan den zoon van zijn vriend ?

Zij, die genade kennen voor eigen ziel, worden beurtelings bepaald zoo bij het een als bij het ander.

Eigen onwaardigheid en Gods weldaden wekken verschillende tonen van ootmoed en lof in het hart van Gods kinderen. En hoe rijker de gunst, hoe blijder de dank ; maar ook hoe dieper de verootmoediging.

Mephiboseth is er rijk mede, daarom klein onder de weldaden en blijde over de gaven.

Öm Jonathans wille ! Zooals Jacobs huis weldaden ontving om Jozefs wille. En zooals Gods kinderen het alles ontvangen, om Christus' wille.

Rijk leven, als het zoo mag verstaan worden ! Erfgenamen van Koninklijke goederen én gasten aan 's Konings tafel — wat zouden ze meer begeeren ?

Vredebetrekking en onverliesbaar goed. 't Leven, de vrijheid, en de overvloed, is het niet alles om Zijnentwil ?

En hoewel gestorven, ook na zijn dood blijven de zegeningen gewis, om al den dag des levens te genieten van onverdiende en toch geschonken, verloren gewaande en toch weer verworven schatten.

Om Jonathans wille !

Dat wil ook zeggen, om der wille van den eed aan Jonathan gezworen.

Nog een stap verder in de geschiedenis van Koning David, en gij vindt daarvan het duidelijke bewijs.

Bij al de beproevingen, doorgemaakt in de laatste jaren zijner regeering, (wie kan ze tellen ? ) kwam ook deze, dat er honger was, drie jaren.

En David zocht het aangezicht des Heeren.

Gelukkig, dat hij dat geleerd had. En wat was het goddelijk antwoord ? Er ligt nog een ban, die dient opgeheven te worden ; nog één strafgericht, dat dient voltrokken.

Saul had zich vergrepen aan de Gibeonieten, eenvoudige, trouwe dienaren ten huize des Heeren.

En wat wil Gibeon ? Zeven mannen uit Sauls huis, aan zeven kruisen opgehangen tot den regentijd !

Goed ! zegt David, maar niet ! Mephiboseth

Om Jonathans wil. Om der wille van den eed, hem eenmaal gezworen bij den steen Haëzel, en toen wij in het woud waren.

En „die eed-tot-bevestiging was hun beiden een einde van alle tegenspreking"

Zóó zal het dus geschieden. De liefde wankelt nooit. Als het er maar op aankomt I Zij is de meeste.

Rizpa's twee zonen en de anderen worden het slachtoffer, maar Jonathan's zoon zal vrij uitgaan !

Gelukkig volk, dat van harte kan meezingen :

„'k Heb eens gezworen bij mijn eigen heiligheid

, , Zijn zaad zal eeuwig zijn !"

Want in den eed van Gods trouw, en in de eedzwering der belofte van Christus ligt toch per slot van rekening de eenige vastigheid des geloofs voor al Gods kinderen.

O, als God het niet met een eed bevestigd had 1 Als we op Zijn Woord niet aankonden !

Maar zooals hier in 't beeld, zoo is het in de werkelijkheid van alle leven der genade. Daarom, daarom alleen zal het eeuwig waar zijn, vast en onverbroken..

Mephiboseth gespaard om den eed ! „Doode honden", duizend maal den dood verdiend, maar om Gods eeuwige trouwe waarheid, om Zijn vastgestaafd verbond, toch gespaard, toch in - het leven behouden, toch door den dood tenslotte tot het leven.

Wat ligt de heilstaat van Gods kinderen vast!

Wat zalig, als ze door het geloof uit die vastigheid geduriglijk mogen leven !

En zoo is het ook met de laatste weldadig heid van David na Jonathans dood, nog kostelijk geopenbaard, doordat hij de beenderen van Saul en Jonathan, die te Jabes in Gilead begraven waren, opbracht en liet begraven te Zela in het graf van zijn vader Kis, in het land van Benjamin. Dat was Davids laatste liefdedaad, na Jonathans dood.

Een eervölle 'begrafenis aan een geliefden doode ! De laatste eer, bewezen aan een gestorven vriend. Daad van piëteit jegens de dooden, ter navolging voor de levenden.

Als ten overvloede het bewijs, dat hiei van onvergankelijke trouw en onuitblusschelijke liefde mag gesproken worden.

Banden, die niet verbroken werden, zelfs niet na den dood.

Ach, hoe spoedig zijn wij onze dierbare overledenen soms vergeten ! Hoe bitter is de tegenstelling in de verhoudingen bij ihet leven en na het heengaan.

Om den eed, dien hij gezworen had. Om het verbond dat er zijn zou tusschen hen beiden en tusschen hun beider zaad.

Gelukkig, als menschen zóó in den Heere verbonden zijn ! Als zoo niets kan scheiden van de liefde Gods in Christus, noch hoogte noch diepte, noch leven noch dood.

En toch. Dit is alles slechts van menschelijke liefde En wat is de mensch ? Hatelijk zijnde en elkander hatende.

Hoever gaat de goddelijke liefde daarboven uit !

De liefde van Christus voor Zijn volk. Die ze ten einde toe liefgehad heeft, tot den dood toe, tot den dood des kruises toe.

Christus' liefde. Die Zichzelf gegeven heeft voor Zijn volk, die geen vrienden, maar vijanden zijn.

O, peilt ze, en meet ze, indien 'het in uw vermogen is. En zoo niet, bewondert, aanbidt en bezingt ze !

Die liefde gaat aller menschen begrip te boven. Maar die liefde dringt ook om de broeders lief te hebben, want, die de broeders niet liefheeft, heeft God niet lief. En God is liefde.

Leere David en Jonathan's voorbeeld ons om allen lief te hebben, die Christus kennen en op Zijn genade bouwen !

Een vriend en een metgezel te zijn van allen, die den Heere vreezen, dat leeren wij dan, als van ons is waar geworden, wat van zekere discipelen geschreven staat : „Zij gaven zich eerst den Heere en toen aan ons."

Dan zullen er hier liefdetranen geschreid worden in de wisseling der omstandigheden des levens, maar nochtans liefdebanden gevlochten worden, die reiken tot in de eeuwigheid.

En dan zal eenmaal dat blij ontmoeten ons deel zijn, dat de Heere zal geven, aan al Zijn vrienden en vriendinnen, die hier één weg en lot deelden in de gemeenschap van Zijn lieven Zoon, Jezus Christus.

Een ontmoeten, waarop geen scheiding zal volgen.

Een band, die nooit verbroken zal worden Want die met Christus vereenigd is in geloof en liefde, is voor eeuwig vereend

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's