De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

7 minuten leestijd

Van 's levenspad

door COR.

Dubbel behouden.

I.

De arbeid, welke Simons moest verrichten, was van dien aard, dat hij vaak in een klein bootje een groot meer moest oversteken, wat bij storm zeer gevaarlijk was, daar het bootje dan veel kans had om te slaan. Simons was echter niet spoedig bang, jaren lang was hij het meer reeds overgestoken zonder dat ooit een ongeval hem was overkomen, en dat maakte, dat hij nimmer bevreesd was ; zelfs als menigeen zich niet op het meer durfde wagen. Wanneer de wind was opgestoken en hem aangeraden werd zich niet op het meer te begeven, lachte hij daar om, antwoordende, dat hij altijd den storm doorstaan had en ook nu wel weer veilig zou overkomen, waarop hij dan steeds liet volgen : „Eenmaal moet ik toch sterven, dus geeft het niet of dit wat vroeger of later gebeurt." Dit zeggende, bedacht hij nimmer dat hij na den dood den Heere zou ontmoeten, verschijnen voor den Rechter van hemel en, aarde, om rekenschap te geven van al zijne daden. Wel was hij in zijn kinderjaren onderwezen in de vreeze des Heeren, was ; hem voorgehouden, dat hij niet kon sterven zonder Christus Jezus te kennen als zijn Borg en Middelaar, maar bij het opgroeien was hij langzamerhand afgedwaald, had hij den dienst des Heeren den rug toegekeerd en lange jaren leefde hij nu reeds voort in alles wat de wereld bood.

Op zekeren stormachtigen dag moest hij weer het meer oversteken en weer werd hij gewaarschuwd, dat dit zeer gevaarlijk was, doch als altijd lachte hij daar om, stapte in het bootje en begon den overtocht. Het door den storm bruisende water deed het kleine bootje geweldig schommelen, maar zonder eenige vrees ging hij voort, in zichzelf nog lachend dat men hem had willen weerhouden op het meer te gaan. Midden op de hei meer werd het bootje echter door een rukwind omgeslagen en Simons in het bruisende water geworpen. Hij klemde zich aan den rand van het nu omgekeerd drijvende bootje vast en trachtte daar op te klimmen, wat echter door de gladheid daarvan niet gelukte, zoodat hem niets anders overbleef, dan zich aan den rand te blijven vastklemmen. Langzamerhand verminderden echter zijne krachten, hij gevoelde niet lang meer in staat te zijn zich vast te houden, weldra het bootje te moeten loslaten, om dan te verdrinken ; en hij, die zoo menigmaal met den dood had gespot, zoo vaak had gezegd daarvoor niet bang te zijn, schrok nu terug voor de gedachte dat thans zijn stervensuur was aangebroken. Het scheen echter of hem niets anders overbleef dan den dood in het water te vinden, zijn kracht was bijna uitgeput, het was hem onmogelijk zich nog lang aan den rand van het bootje vast te klemmen en dan zou hij moeten sterven. Nu de dood hem zoo nabij was, zijn hand reeds naar hem uitstak, herinnerde hij zich ook alles weer wat heim vroeger was voorgehouden, hoorde hij de stem zijner ouders weer, die hem vermaanden den Heere in de dagen der jeugd te zoeken, ja, nu kwam de wensch naar boven naar dien raad geluisterd en dien opgevolgd te hebben, maar ach het scheen nu te laat, nu zou zijn leven worden afgesneden en thans, in het aangezicht van den dood, gevoelde hij dat daarmede alles niet was afgeloopen, doch dat hij gedaagd zou worden voor den rechterstoel des Heeren, Die hem naar zijne werken zou oordeelen.

Zijn laatste krachten spande hij in om zich vast te klemmen en dat doende ontglipte hem, die lange jaren 'had voortgeleefd zonder het oog tot den Heere op te heffen, de bede : „Ach Heere, red mij, laat mij niet verdrinken, neem mij nog niet weg door den dood, dan zal ik mijn verdere leven de wereld verlaten, dan zal ik niet meer in de zonden voortgaan, maar al mijne dagen besteden in Uwen dienst".

In doodsangst sprak hij die woorden uit en nauwelijks waren die van zijne lippen gekomen of zijn krachten waren uitgeput, hij kon zich niet langer vastklemmen en het bewustzijn verliezend liet hij den rand van het bootje los.

Op dit oogenblik werd hij echter juist bereikt door eenige menschen, die het ongeval gezien hadden en met een ander boot je waren gekomen om 'hem te redden* Wanneer zij slechts even later waren gekomen, was het te laat geweest, hadden zij Simons niet meer kunnen redden, maar nu konden zij hem nog juist vastgrijpen en in de boot trekken voor hij in de diepte verzonk. Na hem zoo goed mogelijk neergelegd te hebben, werd met den meesten spoed de terugtocht aangevangen, daar men vreesde, dat het anders toch te laat zou zijn. Met vreugde werden de redders bij hun terugkomst begroet, door hen, die de moeilijke redding gadesloegen en Simons naar zijn huisje gedragen, waar bleek dat het leven nog niet was geweken, zoodat nog hoop op behoud bestond.

Of Simons nog herstelde en of hij de belofte nakwam, in het aangezicht van den dood gedaan ? Daarover, zoo de Heere wil een volgende maal, nu alleen nog een vraag, neen , , de" vraag of gij reeds bereid zijt om te sterven. „De" vraag, want immers dit is de grootste, de voornaamste vraag, dit is de levensvraag, welke tot ieder komt. Wellicht spot en lacht gij thans nog met den dood, tracht gij uzelven wijs te maken dat dan alles afgeloopen is, maar eenmaal zal uw lachen ophouden, eenmaal uw spottende mond gesloten wordeii, ' als gij voor de poorten des doods staat en bemerkt dat daar achter de nimmer eindigende eeuwigheid ligt, welke aanvangt met het verschijnen voor 's Heeren rechterstoel om daar te worden geoordeeld naar uwe werken. Neen, de dood is niet het einde van alles, na den dood komt de eeuwigheid, waar het voor u wel of wee, met of zonder den Heere zal wezen. O bedenk dat toch eer het voor u te laat is, eer de dood uw levensdraad afsnijdt. Nog zijt gij thans in het heden der genade, den tijd waarin de weg is ontsloten om het eeuwig verderf te ontvlieden, de weg door Christus Jezus met Zijn eigen leven gebaand. Vlucht dan tot Hem nu Hij u nog toeroept : „Wend u tot Mij en word behouden", buig voor Hem als een onwaardige neder, die niets meer verdiend heeft dan voor eeuwig om te komen en Hij zal tot u spreken dat uwe schuld is betaald, dat uwe zonden zijn weggenomen, dat Hij niet wil dat gij in het verderf nederdaalt.

Hem te kennen, te weten dat Hij uw Borg en Middelaar is, uw Voorspraak wanneef gij straks den Heere ontmoet, geeft zoo'n vreugde en blijdschap, want dan behoeft gij den dood niet meer te vreezen, dan is die voor u geen koning der verschrikking meer, wanneer hij uw levensdraad af komt snijden, daar gij hem dan met vreugde kunt verwachten, wetende dat na den dood het Leven u is bereid.

Heden, niet morgen, klinkt het tot u, ' Niet morgen, maar heden, ach hoor dan nu, Sta op uw zondenpad heden stil. Haast u dan toch om uws levens wil.

Heden is het, waarin gij nog leeft, De tijd der genade, dien God u geeft, Bedenk dat dan toch voor hij vergaat, Heden, want morgen wellicht te laat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's