ingezonden.
Een wederwoord!
Geachte Redactie !
U zult mij zeker wel de gelegenheid willen geven, naar aanleiding uwer opmerkingen in uwe recensie mijner brochure over : „Het reglement op de predikantstractementen aan de Gereformeerde beginselen getoetst", een en ander in het midden te brengen !
Moge het leiden tot meerdere klaarheid in eene zoo gewichtige zaak.
Allereerst mag ik op de hoofdzaak wijzen en tot mijn blijdschap drie feiten con stateeren. U gaat accoord met de uiteengezette beginselen, dié bij de toeoordeeling van het reglement moeten ter sprake komen en waaraan het moet worden getoetst. 1) Vervolgens aanvaardt u de stellingen waarin de critiek op het reglement wordt samengevat. En ten derde spreekt u het uit, dat dit reglement zoo spoedig mogelijk moet verdwijnen in den ordelijken weg. Dat dit althans moet worden geprobeerd.
Hiermede is de grondslag gegeven voor eene gemeenschappelijke actie, die naar wij hopen, zoo spoedig mogelijk zal beginnen en ons aller oprechte en standvastige samenwerking vraagt.
Wat dienaangaande wordt overlegd tusschen Commissie van Advies en het Bestuur van den Gereformeerden Bond blijft hier na tuurlijk buiten bespreking.
Wanneer wij hiermede op de groote hoofdzaak hebben gewezen in uwe recensie, mogen wij zeker wel onze meening zeggen over de bezwaren die u hebt uitgesproiken tegen het tweede deel onzer brochure ; bezwaren die echter niet de stellingen raken, de conclusie dan daargelaten !
Vooraf echter wilde ik er de aandacht nog op vestigen, dat dit reglement niet ook daarom verkeerd is, onidat het niet een behoorlijk emeritaatspensioen verzekert, noch zorg draagt voor de weduwen en weezen. Dit toch meen ik te lezen in uwe zinsnede : „Want het beantwoordt niet aan het beginsel, dat de plaatselijke Kerk haar dienaren .bezoldigt en een behoorlijk emeritaatspensioen verzekert, noch zorg draagt voor de weduwen en weezen. De lijnen uit de D. K. O. ontbreken hier."
Immers emeritaatspensioen en de zorg voor weduwen en weezen is er niet in opgenomen en zou zeer goed afzonderlijk behandeld kunnen worden, evenals in art. 11 D. K. O., over de bezoldiging, niet is opgenomen art. 13b handelend over emeritaatspensioen enz.
Het is zelfs begrijpelijk waarom dit niet is geschied en eerst in art. 12 D. K. O. is vastgelegd, dat een Dienaar des Woords eens wettelijk, beroepen zijnde, zijn leven lang aan den Kerkendienst verbonden is enz.
Immers bij de predikantstractementen hebben wij met een beginsel te doen dat rechtstreeks in de H. S. is ineergelegd, terwijl wij toij de pensionneering enz. o.a. met een afgeleid principe te doen hebben en allerlei vragen aan de orde komen b.v. waar aan ontleent een emeritus zijn radicaal van Dienaar des Woords, waarom heeft hij recht op pensioen ©n ; is het niet een gunst en hoe staat het met weduwen en weezen ?
Wie met een praktisch voorstel komt zal hebben te zorgen, dat de principiëele onderbouw uit Gereformeerd kerkrechtelijk oogpunt in orde is, die zonder meer met de principia voor de tractementskwestie niet is gegeven.
Wanneer men dit in het oog houdt Is tevens de eisch ongegrond en onbillijk, om bij een beoordeeling van het reglement op de tractementen dat over de pensionneering enz. niet handelt, een positief voorstel voor de pr act ijk, te verwachten over deze zaak.
Het is overigens zeker een belangrijk punt dat om principiëele behandeling en practische toepassing vraagt ! *) Doch thans nog een en ander over de opmerkingen.
1) Ik zou verplicht zijn geweest de geschiedenis van dit Reglement meer in bijzonderheden mede te deelen en de wijzigingen, die er in zijn aangebracht Hierop is ons antwoord, dat dit had kunnen geschieden, doch dat het tot de ons gestelde taak niet behoorde en bo vendien de geschiedenis als vrij bekend mag worden verondersteld. Dit zou wel v e r-eischt worden, wanneer men de mate der schuld van vervaardigers en helpers en de hun toe te dienen straf voor hun misdaad jegens de Kerk, wilde bepalen. Doch het ging voor ons over de vraag, hoe wij uit beginseloogpunt tegenover dit reglement staan en er mee te handelen hebben ; wat niet bepaald wordt door de geschiedenis van het reglement, maar door de beginselen. En dit gold het reglement zooals het er was.
2) Er moest breeder bij het instituut „kerkvoogdij" zijn stilgestaan om het ongereformeerde daarvan duidelijk te maken. Wij erkennen, dat dit wenschelijk ware geweest, doch de beoordeeling van 't reglement uit beginseloogpunt was er in geen enkel opzicht anders door geworden, wat zeker geen nadere aanwijzing behoeft.
3. „Maar wat ons ook spijt, — aldus schrijft u — is, dat hier weinig of niet met de practijk van het leven gerekend wordt." Wij doen hier een vraag, aangezien het ons niet duidelijk is, wat de beteekenis en strekking dezer woorden is. Gaarne ontvingen wij hierover nadere verklaring !
Zooveel is echter zeker, dat een principiëele beoordeeling niet door de practijk wordt beheerscht.
4. „en de schrijver blijkbaar nooit iets gehoord heeft van de groote moeilijkheden van een regeling vooral van de emeritaatspensioenen en de verzorging van weduwen en weezen. (Voor ons verre het voornaamste en van veel grooter beteekenis dan de tractements-kwestie !) als er niet door de gezamenlijike Kerken hier maatregelen worden getroffen." ")
Eerlijk gezegd, wij begrijpen niet, waaruit deze beschuldiging wordt afgeleid. Zeker niet uit feiten. Over de regeling van het emeritaatspensioen enz., schreven wij niet, maar beoordeelden het reglement op de predikantstractementen, dat naar uw eigen woorden, „juist aan de orde is."
Doch gesteld al dat wij inderdaad nooit iets hoorden van de groote moeilijkheden inzake de regeling der emeritaatspensioenen, wat zou dit nu veranderen aan de principiëele beoordeeling van het reglement op de tractementen ? Immers niets ! Doch dit was in die brochure niet aan de orde. '^)
5. „Wij kunnen dan ook met de conclusie van ds. Kievit niet meegaan ; omdat hij eenvoudig weg adviseert : weigeren mee te doen aan dit reglement."
Drieërlei moet hierbij worden opgemerkt. Allereerst kunt u blijkbaar niet ontkennen dat onze conclusie met noodwendigheid geëischt wordt door de beginselen. Me dunkt, anders zoudt u toch gronden moeten aangeven en bewijzen aanvoeren dat die conclusie niet juist is.
Verder schijnt het, dat u om practische oorzaken met de conclusie niet meegaat. U schrijft toch „wij kunnen dan ook enz., niet meega a n." Er is in d e z e, uwe conclusie voor ons inderdaad veel duisters ! Wij zien niet in waaraan de woor den „d a n o o k" *) hun kracht ontleenen ; en zoo is er meer! Gaarne zouden wij, om op het gewichtige punt van de conclusie tot meerdere klaarheid, zoo mogelijk tot overeenstemming te komen, nadere inlichtingen ontvangen omtrent uw standpunt.
Vervolgens is het niet geheel juist dat wij eenvoudigweg adviseeren: „weigeren mee te doen aan dit .reglement." Immers bij de 8e stelling schreven wij ter nadere verklaring t we e di ngen. ") En wel aldus :
a. Er kome op grond van recht en beginsel een gemeenschappelijk, waardig en ernstig protest tegen het uitgevaardigde reglement, aan de Synode, waarin zij voor de gevolgen harer eigene daden wordt aansprakelijk gesteld.
b. De bestuurs-en beheerscolleges weigeren den aanslag te voldoen, of daartoe mede te werken, als in strijd met den eisch van Gods Woord en met het waarachtig toelang der Kerk en de heilige rechten der plaatselijke gemeente." (pag. 52).
6. „Liever hadden wij èn met 't oog op de predikantstractementen èn op de pensioenen, enz., een positief voorstel van ds. Kievit ontvangen, enz."
Dus u wilde liever geen i°) conclusie, maar positieve voorstellen voor een afdoende regeling van tractementen en pensioenen enz., die principieel juist en voor de practijk bruikbaar zijn.
Mag ik hierover iets zeggen ? Dan het volgende !
Een conclusie is eisch van het beginsel allereerst ; maar ook onmisbaar voor de practijk. Wanneer wij geen conclusie hadden gegeven, dan hadt u terecht kunnen zeggen : ge rekent niet met de practijk, wat moeten onze menschen nu doen? Hier mag ik bovendien wel herinneren aan het woord van den Apostel Jacobus : „toon mij uw geloof uit uwe werken." ")
Maar uw eisch, inplaats van een conclusie positieve voorstellen, is toch waarlijk niet billijk en deze zouden nooit de conclusie kunnen vervangen, i^)
Die blijft noodzakelijk, al zou er daarna gevolgd zijn wat u vraagt!
En dat was niet aan de orde in deze brochure ! ") Het is toovendien geen kleinigheid alsof men dat zoo maar eens even in een aanhangsel kan afdoen. Wat overigens de tractementen betreft, hebben wij toch in beginsel de lijnen, voor een practische regeling noodig, zoeken aan te wijzen ? Hier is toch zeker een gemeenschappelijke taak ? Niet voor één persoon, althans niet voor ons ! ")
Doch (en meer plaatsruimte wil ik thans niet van u vragen) hoe wilt u d i t reglement zoo spoedig mogelijk doen verdwijnen en toch niet adviseeren tot weigeren het uit te voeren, door niet te betalen ? Toelichting is ook hier niet overbodig en mogen onze menschen ook billijk eischen. Protesteeren en toch betalen ? Werkelijk, ik begrijp het niet en meen de conclusie te moeten handhaven : „niet b e t a ! e n" eisch en roeping ! Geloof en werk » Mogen wij ook hierover nadere verklaring? ^^)
De Heere ontferme zich nog over onze diep gezonken Kerk !
Met dank voor de plaatsing, heilbiddend
Uw dw.,
I. KIEVIT.
Lunteren, 27 Febr. 1922.
Onderschrift van de Redactie.
Gaarne geven wij hier plaats aan het schrijven van ds. Kievit, lid van de Commissie van Advies. En omdat hij dat vraagt, geven we enkele opmerkingen in den vorm van een paar korte aanteekeningen :
^) „De beginselen waaraan het Reglement moet worden getoetst." Jaar aan jaar hebben wij nu het on-gereformeerde van heel onze kerkelijke organisatie en daardoor het on-gereformeerde van heel ons kerkelijk samenleven in het licht gesteld en daarbii gewezen op de beteekenis van de plaatselijke gemeente als hoeksteen van het gezonde kerkelijk leven. Lang voor de brochure van ds. K. verscheen, hebben we dat ook gedaan in verband met de predikantstractementen, emeritaatspensioenen en de verzorgmg van weduwen en weezen.
-) Onze Gereformeerde Vaderen waren zoo verstandig dat ze art. 11 lieten voorafgaan aan art. 12 en art. 13 D.K.O. Maar toen ze art. 11 hadden lieten ze art. 12 en 13 volgen. Dat sprak voor onze Gereformeerde Vaderen als vanzelf, omdat de dienaar des Woords zich voor gansch zijn leven geeft. Daarom is de gemeente geroepen hare dienaren hun leven lang — ook weduwen en weezen eventueel — naar behooren te onderhouden. Dat is geen gunst aan den emeritus bewezen, maar goddelijke roeping voor de gemeente. En daarom mogen de •? ^f "'o'^'^ ^'°°'' ^^" Gereformeerd mensch uit de Schrift voortvloeien en overeenkomstig de Gereformeerde beginselen van Kerkrecht zijn, niet van elkaar gescheiden worden. Hier is een lacune, die zegt, dat de dingen niet ter hand genomen zijn, zooals de Gereformeerde Kerk ze behandelen moet. Wat we bij de bespreking van hetgeen ons nu verder te doen staat niet over het hoofd mogen zien.
^) De geschiedenis van dit reglement in t oog te houden is in alle opzichten goed en noodig. 't Kan de zonde der Kerk in het rechte licht stellen en het kan tegelijk bewijzen, wat gereformeerd voelende' menschen, die weten dat de plaatselijke gemeente hoeksteen is van het kerkelijk samenleven gedaan höbben om hier té verbeteren wat er mogelijk was te verbeteren.
*') Waar we te klagen hebben over hetgeen niet gebeurd is of verkeerd is gedaan en we zoeken om tot betere toestanden te komen mag over het instituut kerkvoogdij en alles ' wat er mee samenhangt niet gezwegen worden. Vooral Gereformeerde menschen, die de gereformeerde beginselen willen bloot leggen, moeten hier op ingaan én breed èn principieel. Dat we hier afgegleden zijn is oorzaak van héél veel ellende. Wat we voor rechte beoordeeling der huidige toestanden, als we tenminste plan hebben om er iets beters voor in de plaats te stellen, niet uit het oog mogen verliezen.
°) Principieel zijn brengt mee te vragen : wat is er in den loop der historie in onze Gereformeerde Kerk van de principiën terecht gekomen en doet ons een onderzoek instellen hoe het met de principiën in deze staat in de Gereformeerde Kerken en bij de Christelijk Gereformeerden b.v. Wij hebben dat indertijd breed gedaan en voor onze toekomstplannen, die voor de practijk van het leven vooral de stumperds van emeriti predikanten en weduwen en weezen zullen moeten ten goede komen, zullen we met de practijk des levens van vroeger en nu degelijk rekening moeten houden. En dan zal net de vraag zijn of de Gereformeerde Kerk b.v. ten opzichte van de kindergelden en zeker ten opzichte van de emeriti en weduwen en weezen niet moet trachten een nieuwe koers in te slaan, daar de oude koers in veel grootelijks te kort is geschoten.
'^) Zie opmerking bij ^).
'') Héél de kwestie waar het om gaat is aan de orde. Al zoo lang. Maar nu zeker. ^) Omdat we de kwestie dieper en breeder voelen dan de schrijver van de brochure, al denkt hij, blijkens een enkele toladzijde van zijn geschrift, waarschijnlijk precies het tegenovergestelde.
") Wat is het positieve in deze twee dingen en waar wordt hier de positieve lijn getrokken waar het „de heilige rechten der plaatselijke gemeente" geldt als den bestuurs-en beheerscolleges geadviseerd wordt den aanslag niet te voldoen ? ^*') Wel een conclusie, maar niet déze conclusie.
^^) Dus niet het geloof toonen door redeneeren over de Gereformeerde beginselen, maar als God ons om der zonde wil komt slaan moeten we ons leeren verootmoedigen en m.oeten we leeren om de kwade dingen weg te doen en ze doo, r goede te vervangen. 't Is juist de Apostel Jacobus, die ook iets zegt over het inhouden van het loon en over het verzorgen van weduwen en weezen. " Zie onder ") en ").
") Dat vinden we een fout. De menschen die het reglement hebben gemaakt en de Kerk die het heeft aangenomen, heeft het — goed of niet goed — gedaan, omdat er wel wat aan de orde was ; groote, vreeselijke dingen. Die wij. Gereformeerden, onder de oogen moeten zien, omdat ze aan de orde zijn ; omdat ze Gods eer raken en den welstand van Zijn Kerk.
") Dan had het lid van de Commissie van Advies — hij houde ons dit ten goede — dat ter plaatse, waar hij meent dat het dan wèl hoort, moeten voorleggen en het niet persoonlijk moeten publiceeren. ^*) Ook dit zouden we énders hebben willen zien. Er is een Commissie van Advies. Er worden samensprekingen gehouden
tusschen die Commissie en het Hoofdbestuur, wat bijna als vanzelf spreekt en dan ook uitnemend gaat — dan gaat het toch niet op, dat iemand van de Commissie of iemand van het Hoofdbestuur nu eens, vlak voor het moment, dat we met een gemeenschappelijk advies zullen komen, hier te gaan zeggen, wat er nu gedaan moet worden. Daarom doen we dat ook niet.
•Gelukkig nu, dat we het over de principiën eens zijn en dat de Commissie van Advies en het Hoofdbestuur 'hun best doen, om saam met een advies te komen. Dat mag ons hoop geven, dat we — ja, het wel niet dadelijk in alle practische dingen ééns zullen zijn — maar het toch zóóver zullen kunnen sturen, dat er voor het verkeerde iets komt dat beter is.
Wij van ónzen kant verklaren gaarne, dat ons niets aangenamer zal zijn, dan dat hier onder ons de grootst mogelijke overeenstem ming mag worden verkregen, waartoe wij met lust zullen medewerken, waar het maar eenigszins mogelijk is ! Juist omdat het voor ons hoogere, véél hoogere dingen zijn dan materiëele, financiëele aangelegenheden 't Raakt hier de eere Gods en het welwezen van de Kerk.
De Heere stiere onze voeten en richte ons hart in wegen, die Hem welgevallig zijn en der Kerk tot zegen mogen wezen !
M. V. G.
Hooggeachte Redactie,
Met opname in „De Waarheidsvriend" van onderstaande regelen zult U mij ten zeerste verplichten en zeg U daarvoor bij voorbaat beleefd dank.
Uit hetgeen voorkomt onder „Leestafel" in no. 13 blijkt mij, dat U zeer ingenomen zijt met de Commissie van Advies, die het Hoofdbestuur van raad moet dienen bij kerkelijke vraagstukken.
Ik kan mij Uwe tevredenheid met een dergelijke Commissie zoo goed indenken, omdat dan de vraagstukken van ons kerkelijk leven met studie onder het oog worden gezien, waardoor het advies, begrijpelijkerwijs, in waarde stijgt.
Een oogenblik werd ik jaloersch op dat Hoofdbestuur en, naar ik meen, met recht. Ik vroeg mijzelf af „wordt het niet hoog tijd, dat wij, leden van den Bond, ook met onze vragen bij zoo'n Commissie ons .kunnen vervoegen om voorlichting ? " Hoe vaak gebeurt het niet, dat men direct advies behoeft en dan z'n toevlucht neemt tot dezen of genen predikant, die u met schouder ophalen onvoldaan moet wegzenden.
Zoo iets moest m.i. in onzen Gereformeerden Bond, bekend om zijn activiteit, niet voorkomen.
In iedere gemeente, doch in het bizonder daar, waar Bondsmannen als een bederf voor ons kerkelijk leven worden beschouwd, zijn vragen aan de orde van den dag. De ingezonden stukken die van tijd tot tijd in Uw blad voorkomen en waarin men U om inlichtingen vraagt, spreken reeds voldoende.
Zoo goed als het Hoofdbestuur dringende behoefte gevoelde aan grondige voorlichting, niet minder gevoelen de afdeelingen en leden dit ook.
Vergun mij nu maar eens é é n e vraag naar voren te brengen, waarop ik gaarne een antwoord zou hebben.
Onlangs is het mij duidelijk geworden, dat onze gemeente zoogenaamd „Vrij beheer" heeft, waardoor het h.h. kerkvoogden mogelijk is dingen te doen die niet geoorloofd zijn, zonder dat ingrijpen van hooger hand (Classis enz.) kan gevorderd worden. Men moet zich dan tot die zelfde kerkvoogden met z'n bezwaren wenden, die de klacht natuurlijk voor kennisgeving aannemen.
Van het hooger beroep bij h.h. notabelen is in de meeste gevallen ook niets te verwachten.
Deze colleges regeeren dus slechts bij plaatselijk reglement.
Nu is in onze gemeente voor eenige jaren de hoofdelijke omslag ingevoerd, en, zooals overal, zijn ook bij ons menschen die weigeren hun aanslag te voldoen. Thans hebben kerkvoogden officieel medegedeeld dat zij voornemens zijn de weigeraars gerechtelijk te doen vervolgen.
Hoewel ik gaarne ook wel meerdere voor lichting zou begeeren over deze eigenaardige wijze van kerkonderhouding, is voor mij momenteel van grooter waarde positief te weten of kerkvoogden onder „Vrij beheer" op grond van het Algemeen reglement op het Beheer, bescherming van hooger hand kunnen verwachten inzake gerechtelijke vervolging.
Logisch zou het m.i. toch zijn, waar het hoogere Kerkbestuur zich op het eene terrein niet mengt in de handelwijze van h.h. kerkvoogden, omdat zij onder „Vrij beheer" staan, zij het ook niet doet inzake den hoofdelijken omslag.
Wellicht zult U zeggen, „dat behoeft ook niet, de Kantonrechter kan direct uitspraak doen." Goed, maar die uitspraak zal dan toch gegrond moeten zijn op bovenaangehaald reglement en op grond van dat zelfde reglement kunnen kerkvoogden niet ter verantwoording geroepen worden wanneer het een vergrijp in hun beheer betreft, omdat z ij onder „V r ij beheer" staan. i
Ziehier, geachte Redactie, een kwestie, waarop ik gaarne een afdoend antwoord zal ontvangen.
En zoo zijn er nog tal van vragen, waarmede wij geen weg weten.
Mag ik U daarom nog eens die Commissie van Advies in herinnering brengen. Als onderwerp van bespreking op de a.s. Jaarvergadering is het reeds te laat, bemerk ik, doch misschien weet U nog wel een oogen blik gelegenheid te vinden deze zaak in bespreking te brengen.
Werkelijk, het zou niet gewenscht zijn dit onderwerp nog een jaar uit te stellen.
• Inmiddels met Bondsgroeten en hoog achting,
P. DEKKER.
Hilversum, 27 Febr. 1922.
Geachte Redactie 1
Gaarne zou ik iets willen zeggen naar aanleiding van het ingezonden stuk van de afdeeling Krabbendijke van den Gereformeerden Bond, betreffende de bevestiging van ds. W. A. Dekker aldaar.
Ik word beticht van liefdeloos optreden, van schelden en razen, waartegen de afdeeling gemeend heeft te moeten protesteeren.
Ik stel mij voor, dat iemand die mij niet kent en dit protest leest, niet vraagt wat ik gezegd zou hebben, en wat die afdeeling te Krabbendijke te beteekenen heeft, maar zon der meer aanneemt, dat ik werkelijk gescholden en geraasd heb. Daarom zou ik er gaarne iets meer van willen zeggen, want dan kan men er beter over oordeelen.
Ik heb gepreekt over Saulus die bidt, en Ananias, die tot hem gezonden wordt, en naar aanleiding daarvan er op gewezen, dat de gemeente den predikant biddende moet ontvangen en de predikant in liefde moet gaan, als een broeder, door God Zelf gezonden. Wat had Saulus noodig ? Geen vroomheden, dierbaarheden of godsdienstig heden, want daarvan had hij de nietswaardigheid ondervonden op kennelijke wijze, maar hij had alleen noodig : Christus, den Zaligmaker.
Dat was het wat Ananias moest boodschappen, verzoening door Jezus Christus, anders niet. Ik heb in verband daarmee gewaarschuwd voor het groote gevaar dat dreigt in onze dagen, vooral voor een kerkelijk belangstellende gemeente, dat men in naam Christus in het middelpunt plaatst en veel over Hem spreekt, maar in werkelijkheid Hem wegneemt en andere kleine dingen voor Hem in de plaats stelt.
Tevens heb ik er op gewezen, dat de mogelijkheid ook nu nog bestaat, dat men door zijn inzetting Gods gebod krachteloos maakt (Matth. 15:6), zoodat men denkt, dat men Gods zaak bevordert, terwijl men die juist belemmert. Het moet bij gemeente en predikant gaan om Christus alléén en als het niet zoo is, dan is de zaak niet in orde.
Dit is de leidende gedachte geweest van mijn preek. Als ik - -nu door mijn geweten gedrongen wordt hier op te wijzen, daar ik de ontzaglijke gevaren die op dit gebied bestaan , overal zie, moet of mag ik dan zwijgen, omdat enkelen liever iets anders zouden vernemen ? Ik heb altijd gemeend, dat men niet mag toegeven aan den eisch om zachte dingen (vleitaal) te spreken (Jesaja 30 : 10) en dat men zich niet mag schikken en plooien naar diegenen die kittelachtig zijn van gehoor (2 Tim. 4 : 3). Ik kan mij best begrijpen dat men het niet streelend vond wat ik zei, maar daarom heeft men nog niet het recht om te spreken van schelden en razen. Als men wil, kan men alles wel schelden en razen noemen, want dit is een zeer persoonlijk oordeel. En nu is het opmerkelijk, dat ik juist van verschillende zijden vernomen heb, dat men over het algemeen niet van oordeel is dat ik gescholden heb, maar dat men wel degelijk gesticht en opgebouwd is.
Ik wil hiervan niet meer zeggen, want het zou schijnen dat ik mij beroemen wil. Ik wil er alleen op wijzen dat hetzelfde dat door enkelen schelden genoemd wordt, door anderen geheel anders beoordeeld is.
Zooiets kan gemakkelijk geschieden. Laat ik eens een voorbeeld noemen.
In dezelfde Waarheidsvriend staat op een andere plaats een verslag van de komst van ds. Dekker, en dit eindigt met de verklaring, dat „het op Zuid-Beveland nog zeer donker is." Nu kan ik mij wel indenken (het kost me wel moeite) dat sommigen meenen, dat dit mooi gezegd is, maar ik kan me ook voorstellen ( en dit gaat gemakkelijker) dat anderen zeggen : „Dat is schelden en razen om zooiets te beweren, want op Zuid-Beveland is er geen enkele predikant die Christus loochent."
' Uit dit voorbeeld blijkt dus ten duidelijkste, dat wat sommigen schelden noemen, door anderen geheel anders beoordeeld kan worden, zoodat die vrienden van Krabbendijke niet het recht hadden om zoo te schrijven zooals zij gedaan hebben. Als zij nog gezegd hadden : wij, voor ons, vonden het niet erg streelend, dan had dat nog gekund, maar zij hadden niet zoo boud mogen spreken, want dat gaat een beetje op lasteren gelijken.
Uit dit voorbeeld volgt echter ook nog iets anders. Men noemt Zuid-Beveland zeer donker en men wil het ook als zoodanig behandelen. Maar wat ^bedoelt men daarmee ? Men kan er niet mee bedoelen, dat Christus geloochend wordt, want dat geschiedt door geen enkelen predikant. Maar wat bedoelt men er dan wél mee ? Kan en mag men meer verlangen dan Jezus Christus, het Licht der wereld ?
Wanneer men dus spreekt over het zeer donkere Zuid-Beveland in verband met de prediking, dan is dat het bewijs, dat het in werkelijkheid niet gaat om Christus alléén, maar om andere dingen, en dat het 't recht, maar nog veel meer de plicht is van lederen predikant, om voor dit gevaar te waarschuwen. En nu zou ik gaarne willen, dat deze protesteerende vrienden eens duidelijk verklaarden of ik iets gezegd heb in strijd met den Bijbel en het Evangelie van Jezus Christus, en zoo ja, wat dan. Endat zij, indien zij hiertoe niet in staat zijn, hun betichting van schelden en razen terug namen.
Mochten zij dit laatste ook niet over hun hart kunnen verkrijgen, laten zij dan eens zich ernstig afvragen of zij misschien mijn waarschuwing, om alleen op Christus te zien, en niet op andere dingen, voor zichzelf nog noodig hebben. ,
U dankend voor de plaatsing.
J. H. VAANDRAGER.
Grijpskerke (Z.), 27 Febr. 1922.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 maart 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 maart 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's