Stichtelijke overdenking.
„En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg." , i Matth. 26 vers 30. „Die de psalmen geeft in den naöht." Job 35 vers 10b.
Een wondere Geloofszang.
Wanneer ooit iemand recht gehad heeft op een vreugdevol leven, wanneer ooit iemand aanspraak heeft kunnen maken op een leven vol blijde harmonie, is het wel de Zoon des menschen geweest, die door geen zonde Zijn zielsvrede ooit heeft geschonden, die door geen ongerechtigheid de harmonie Zijns levens ooit heeft verstoord.
En toch heeft niemand zwaarder leven geleefd dan Hij, en niemands ziel is zoo verbroken en verbrijzeld als de Zijne. Man van smarten wordt Hij door den profeet genoemd. Als Jeremia van zichzelf getuigt : „ik ben de man, die ellende gezien heeft", is dat in vergelijking met des Heilands leven slechts betrekkelijk waar. Het leven des Heeren is zoo van smart doortrokken geweest, dat de lijdenstoon de hoofdtoon in Zijn leven is geweest. Door weinigen is dit en wordt dit verstaan, omdat de Heere niet gewoon was Zijn lijden den menschen te klagen en Zijn zielepijn voor menschen bloot te leggen. Maar de mensch, wiens hart door geloof en liefde met den Heere verbonden is en voor wie door den Geest de verborgenheid en heerlijkheid van dit leven wordt ontsloten, leert iets van dit diepe zielelijden verstaan, dat des Heilands hart op aarde verscheurd heeft; zoodat hij bijwijlen de handen in aanbidding vouwende, tot den Man van Smarten vurig zucht : „o Heere, dat in den afgrond Uwer liefde mijn zelfzucht verslonden worde en ik niet langer onwillig zij om Uw kruis te dragen." Want wat grooter voorrecht is er, dan achter dezen Man van Smarten te treden over den weg des lijdens, die voert tot de heerlijkheid der ziel ? dan om met Hem te sterven, opdat men ook eenmaal met Hem leven mag?
Ons tekstwoord verplaatst ons in een tijdperk van Jezus' leven, waarin het lijden zich verzwaart en met grooter kracht zich op Hem werpt. Aan den laatsten maaltijd, dien Hij met Zijn discipelen op aarde zou houden, heeft Hij aangezeten. Vol liefde heeft Hij het brood met de Zijnen gedeeld en zelfs den verrader de bete In lankmoedigheid toegereikt.
Toen stond Judas op en ging heen. Het was nacht, zegt de Apostel Johannes. Ja, nacht in dubbelen zin. Dit is de ure der duisternis, waarin de satan met zijn booze geesten is losgelaten, waarin alle helsohe machten zullen losbreken tegen de reine ziel van den Zoon des menschen. Jezus kende het lijden, dat Hij tegemoet ging, toen Hij opstond van den disch en met Zijn discipelen uitging naar den Olijfberg. Zooals de druiven getreden worden in de wijnpersbak en het sap spat naar alle zijden heen, zoo zou Zijn ziel thans getreden worden in de wijnpersbak des toorns van God en in sterke roepingen en tranen zou haar angst en weedom gezien worden. Zooals de olijven in de pers onder den zwaren steen verbrijzeld worden, zoo zou zijn hart thans verbroken en verbrijzeld worden in helsche angsten en pijnen. Zijn ziel was geheel bedroefd tot den dood toe en niet in staat om zich staande te houden, is Hij in den Hof aangekomen, op den grond neergevallen en heeft als-een worm gekropen in het stof der aard. Is er een smart gelijk Zijne smart ? Is er een lijden gelijk Zijn lijden ?
En toch lezen we in ons tekstwoord, dat de Heere dit lijden niet is tegemoet gegaan dan na eerst den lofzang gezongen te hebben.
Merkwaardig en beteekenisvol woord. Te midden van Zijn lijden, als de last al zwaarder en zwaarder wordt, hooren we den Man van Smarten zingen en Hij zingt een lofgezang. In den donkersten nacht, dien de wereld ooit gekend heeft, weerklinkt uit Zijn mond het psalmgezang. De helsche machten, die zich opgemaakt hebben om Zijn ziel te verbrijzelen en Zijn leven' ter aarde neer te werpen, luisteren vol schrik en ontzetting, want het is geen klaaglied, dat Hij zingt, maar een lofzang, een lied der overwinning. Het geloof des Zoons des menschen grijpt een oogenblik over het lijden en den dood heen en met krachtige, schoon van ontroering trillende stem zingt Hij van den aanstaanden triumf en van de heerlijkheid, die komende is, als Hij Zijn bruid in heilig sieraad zal stellen voor het aangezicht Zijns Vaders.
„Als zij den lofzang gezongen hadden". Niet van een lofzang, maar van den lofzang, d.i. van een bepaalden lofzang is hier sprake. De Joden waren gewoon aan den Paaschmaaltijd; bepaalde psalmen te zingen. Jezus en Zijn discipelen hebben natuurlijk dat gebruik gevolgd. Men eindigde den maaltijd met het zingen van psalm 116-118. Dat is dus de lofzang, die gezongen wordt als men opstaat om uit te gaan naar den Olijfberg. Het zingen van dien lofzang kreeg in die oogenblikken bizondere beduidenis. Want in deze psalmen verschijnt ons de dichter zoowel in zijn vernedering als in zijn verhooging als een type van den Messias. Des Heilands lijden wordt hier geprofeteerd, maar ook Zijn daarop volgende verheerlijking. De Heere verstond deze woorden. Hij kende Zichzelf als die steen, dien de bouwlieden verwierpen, maar die door God ten hoofd des hoeks zou worden gelegd. Daarom was voor Hem deze psalm een wondere geloofszang, waardoor Hij in het midden van het smartelijkst lijden vertroost en versterkt wierd, ziende op de uitkomst, die volgen zou.
Dezen troost des geloofs heeft de Heere naar Zijn menschelijke natuur niet kunnen ontberen. In dezen is Hij ons in alles gelijk geworden. De apostel getuigt daarvan met nadruk, als hij na de opsomming van de groote wolke van getuigen, na de vermelding van zoovele mannen en vrouwen des geloofs, ons wijdst op Jezus, den oversten leidsman en voleinder des geloofs, die voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht en is nu gezeten aan de rechterhand des troons van God. Met Mozes heeft dus ook de Heere gezien op de vergelding des loons en daardoor het kruis en de versmading licnht geacht. Gemoedigd en in volkomen overgave heeft Hij den bitteren drinkbeker tot den bodem toe leeg gedronken, wijl Hij wist welke heerlijke vruchten daaruit zouden voortkomen ; de diepste smart gewilliig aanvaard, wijl Zijn oog des geloofs de vreugde, de onuitsprekelijke vreugde zag, die straks Zijn deel en het deel Zijner bruid zou zijn.
Wat David in het midden der ellenden zingt :
„Maar de Heer zal uitkomst geven. Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt 'k Zal-in dit vertrouwen leven En dat melden in mijn lied", is ook de sterkte van den Zoon des menschen geweest, toen Hij in diepten van ellenden wegzonk. Het geloof, dat verder zich dan wat voor oogen is, dat het einde aanschouwt en de uitkomst grijpt, heeft de Heere in dien donkeren nacht kracht en moed gegeven om te zingen in het midden der benauwdheid en ofschoon de hemel zich boven Hem toesloot en de het onder Hem zich opende, heeft Hij nochtans luide gezongen van den triumf, die komende was, verzekerd, dat de Vader vervullen zou de belofte Hem gegeven, dat Zijn ziel, als ze zich tot een sehuldoffer zou hebben gesteld, zaad zou zien.
Hoezeer betaamt het den kinderen Gods, om te midden van den strijd, dien ze hier te strijden hebben, te zien op hun Oversten Leidsman en Voleinder des Geloofs, en te wandelen in de voetstappen, waarin Hij hen is voorgegaan. Want moeilijk Is wel hun leven en vele zijn de verdrukkingen, door welke ze moeten heengaan, maar naar de belofte Gods zal daaraan eenmaal een einde komen. De Heere zal niet altijd toornen en niet immer het goud in den smeltkroes laten. Wie hier achter Jezus het kruis heeft gedragen, en met Hem is gestorven, zal straks ook met Hem zijn in de heerlijkheid des , Vaders. Wie den goeden strijd hier gestreden heeft, wacht aan de overzijde des grafs een kroon. Gedurig vestigt de Apostel Paulus daarop den nadruk en zegt, dat die gedachte hem troost en sterkt in al zijn moeite en druk, wijl hij acht, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid hierna volgende.
Betrekkelijk weinig wordt deze troost in onze dagen gekend. Welk een werkzaamheden kan men bij menige oprechte chrlstenziel aantreffen om toch van het kruis in dit leven reeds ontslagen te zijn, wat 'n worsteling en strijd, welk een gebeden en verzuchtingen om het toch hier maar goed te mogen hebben, goed voor den tijd en goed voor de ziel, terwijl toch de ware rust alleen gevonden wordt in het aanvaarden van het kruis en van den strijd, die vooral voor den christen noodzakelijkerwijs met dit aardsche leven verbonden zijn, en in het verwachten van de volkomen verlossing, die beloofd is.
Gelukkig de ziel, die daadwerkelijk dezen troost kent en verstaat, want, schoon de stormen hevig loeien en de golven omhoog steigeren, blijft de vrede in zijn binnenste bestendigd. Niet, dat hij gevoelloos zou zijn voor het lijden, niet, dat zijn ziel vrij blijft van angst en smart en pijn ; misschien dat hij dieper gebukt gaat onder het kruis dan menig ander, misschien, dat er leed en benauwdheid zijn ziel doorsnijdt als door weinigen wordt gekend, maar hij weet zich getroost in de gedachte, dat het lijden en de beproeving hier slechts voor een tijd is. Zooals Tersteegen zegt : „draagt nog een poos uw kruis, wellicht slechts weinig uren, dan zijn wij eeuwig thuis." En deze troost kan zoo bemoedigen en sterken, dat in het midden van den nacht het psalmgezang oprijst naar omhoog. Het geloof grijpt dan een oogenblik over alle lijden heen en aanschouwt de heerlijkheid die God beloofd heeft in Christus Jezus en dit geloof doet den zwakken pelgrim temidden van al zijn moeiten, ja, soms in het midden van het dal der schaduwen des doods, zingen het lied der overwinning. Dan wijken de machten der hel sidderend terug, want in dit lied hooren ze de kracht van Hem, die in den laatsten beslissenden slag ook zingend hen tegemoet trad en Hij heeft hen vertreden en hun macht verbroken, gansch en al.
Misschien dat in onze dagen van grooten kerkelijken strijd en verwarring God Zijn kinderen dezen troost bizonder sterk op het hart wenscht te binden. Want moedeloos en wanhopig wordt menigeen, die de kerkelijke ellende eenigszins leert verstaan.
Tal van kerken zijn en worden nog gebouwd, maar aller muren wankelen door het groote, inwendige verval, dat geen enkele kerk onaangetast laat. De drang naar reformatie komt telkens weer boven, maar haar vrucht valt gedurig af, voordat ze rijp is geworden. Bedroeven we ons daarover soms niet al te veel ? Hebben we misschien te weinig weten te dragen en te dulden en in deze wereld gezocht wat God eerst aan de overzijde geven wil ? Treuren we misschien te veel om werk van mensch, dat teniet gaat en kennen te weinig den troost, dat Gods werk blijft en stand houdt de eeuwen door ? In elk geval als de afval al grooter en de verwarring al meerder wordt, als de scheuring steeds dieper voortvreet en de gedachte van één heilige, algemeene Christelijke Kerk al minder gezien wordt, mogen Gods kinderen niet vergeten, dat één troost overblijft, vast en zeker, n.l. Christus houdt Zijn Kerk in stand en éénmaal zal ze zonder vlek en rimpel in heerlijkheid staan voor het aangezicht des Vaders. Dat het geloof temidden der ellende op deze heerlijkheid zie en daaraan zich vastklemme, is roeping bovenal In deze benauwde dagen. Want dat geloof bewaart voor moedeloosheid en zal bekrachtigen om temidden van zooveel, dat teleurstelt, voort te gaan. De verwarring en de ellende zijn maar tijdelijk. Laat temidden van de puinhoopen der zichtbare kerken de geloofszang oprijzen, want het Nieuwe Jeruzalem is welhaast gereed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's