Waarom gaat het bij het kerkelijk vraagstuk ?
I.
Het gaat niet allereerst om een zuivere Kerkregeering, om een juiste Kerkinrichting, maar het gaat in de eerste plaats om het b e 1 ij d e n d karakter der Kerk.
Niet alleen de vorm, maar bovenal is het wezen der Kerk in gedrang en in dat laatste ligt toch zeker het zwaartepunt der kwestie.
Zoo wie Mijnen Naam verloochenen zal voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is, zegt de Heiland. Dat woord geldt natuurlijk niet alleen den enkelen discipel, maar ook de Gemeente des Heeren in haar geheel. Het is haar dure roeping om een getuige van Hem te zijn in deze wereld en het evangelie, dat haar is toebetrouwd, zuiver te bewaren en zuiver te verkondigen.
Ik denk hier nog volstrekt niet aan belijdenisgeschriften waarin de Kerk belijdenis doet vain haar geloof. In de eerste plaats getuigt de Gemeente des Heeren van haar Hoofd en Heere in de prediking van het evangelie. Daarom hebben alle hervormers onder de kenmerken van de ware Kerk aan de zuivere prediking van het evangelie den voorrang toegekend.
De kerkelijke kwestie onzer dagen ontstaat dan ook daardoor, dat de Ned. Hervormde Kerk in dezen aan haar roeping niet getrouw geweest is en in tal. van Gemeenten een prediking wordt gebracht en verlangd, die geen prediking van het evangelie genoemd kan worden.
In no. 14 van dezen jaargang is de beginselverklaring opgenomen van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden in Nederland, en ieder heeft zich daardoor opnieuw ervan kunnen overtuigen, hoe door velen het Evangelie van Jezus Christus verworpen is en men teruggekeerd is tot de wet. De weg der genade is een aanstoot geworden en onder een schijn van schoone woorden keert men terug tot het werkverbond. Maar moet iedere ziel, die beeft voor het Woord en gedenkt, hoe Paulus eenmaal in zijn strijd tegen de wetspredikers zijner dagen tot twee malen toe schreef : „indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt", niet met verschrikking zijn aangedaan, als men ziet dat de Hervormde Kerk de prediking van zulk een ander evangelie zonder eenige verhindering toelaat, ja als Kerk er zelfs niet over spreekt en met het vraagstuk zich zelfs niet inlaat ?
Zeker wij weten dat allen wel, maar het moet gedurig opnieuw gezegd worden, want wij dreigen in slaap te vallen en door de sleur van ons kerkelijk leven gewennen wij zoo aan dit diepe verval, dat 'bijwijlen de schuld, waarmee wij hierin schuldig staan voor God, haast niet meer gevoeld wordt. Wanneer men onze rechten aantast, waken wij op, maar als het Recht des Heeren in Zijn Gemeente verkracht wordt, bewaren we vaak het stilzwijgen. Dat moest niet zoo wezen. En geen berusting mag er zijn in den tegenwoordigen toestand, waardoor de Naam des Heeren smaadheid wordt aangedaan.
Volstrekt wil ik hiermee niet zeggen, dat de wijze van Kerkregeering een onverschillige zaak is, maar wel een zaak, die slechts de openbaringsvorm der Kerk betreft en niet haar wezen. Zoodat zé' eerst in de tweede plaats aan de orde komt. De Gereformeerde Kerk in ons vaderland na de hervorming heeft van ganscher harte de broederhand gereikt aan Kerken, die één met haar waren in belijdenis, schoon ze op het stuk van Kerkregeering veel van haar verschilden.
Velen hebben op het oogenblik principiëele bezwaren tegen het nieuwe Reglement op de Predikantstractementen, maar laten we niet vergeten, dat, al werd deze zaak volkomen volgens de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht geregeld, wij nog precies in dezelfde kerkelijke ellende zitten. De verloochening van het belijdend karakter der Kerk is de oorzaak van de tegenwoordige verwarring en daarop dient alle aandacht geconcentreerd te worden.
Zonder eenigen twijfel draagt de tegenwoordige bestuursorganisatie veel schuld maar niet alle. In den tijd, dat die organisatie aan de Hervormde Kerk werd opgelegd, was de afwijking van het Woord der Waarheid reeds groot, maar de Bestuursorganisatie schiep een toestand, waaronder die afwijkingen vrijhiid van ontwikkeling kregen. Het is niet te zeggen, hoe de ontwikkeling der Kerk zou zijn geweest, wanneer haar die organisatie niet was opgelegd ; zij, die meenen, dat dan de Kerk getrouw zou zijn gebleven aan het evangelie naar de Schriften, zijn echter wel een weinig te optimistisch en hebben te veel vertrouwen in de toepassing van uitwendige regelen.
Vooral van de zijde der Confessioneelen wordt in de laatste jaren gedurig op het verderfelijk karakter der tegenwoordige Bestuursorganisatie gewezen. We zijn het daarmee volkomen eens. Door de tegenwoordige organisatie is de Kerk als met ijzeren boeien gebonden en kan zij zich noch ontwikkelen naar haar eigen wezen noch zelfs uitspreken. De Gemeenten zijn door deze organisatie van elkander geïsoleerd en de moeilijkheden, die de tegenwoordige tijd meebrengt, de vele vragen, die zich thans opdoen, moet iedere Gemeente maar voor zichzelf doorworstelen. De diakenen, de mannen der practijk, hebben dat dieper gevoeld dan de ouderlingen en de Federatie van Diaconieën is een bewijs, hoe men aan het alle ontwikkeling belemmerende van de huidige organisatie eenigszins tracht te ontkomen.
Evenwel kan ik niet begrijpen, hoe men de tegenwoordige kerkelijke ellende enkel en alleen in die organisatie zoekt. Het schrijven van verschillende Confessioneelen maakt toch op mij den indruk, dat men van een verwijdering van de bestuursorganisatie en van een terugkeer tot de oude paden van Kerkregeering een spoedig herstel van de Hervormde Kerk verwacht. Ik kan daar in niet anders zien dan een zich blind staren op een bepaalde theorie.
Wanneer er bij alle geschil een beroep is op het Woord, niet maar naar den vorm, maar ook in wezen, wordt volgens hen voorkomen, dat de eene partij de andere verdrukt, dat de meerderheid aan de minderheid haar eigen gedachten en meeningen oplegt. In zekeren zin volkomen waar. Maar men mag toch niet uit het oog verliezen, dat, indien de bestuursorganisatie thans werd weggenomen en de vroegere wijze van Kerkregeering werd hersteld, er tal van Classicale Vergaderingen zouden zijn, die van het beroep op het Woord der Schrift niet gediend zouden zijn. Men zou weigeren om zich te onderwerpen aan de uitspraken van dezen papieren paus. En wat dan?
Van een wegnemen van de bestuursorganisatie zonder meer kon alleen heil verwacht worden, indien de Kerk het Schriftgezag nog erkende. Al gaat men nu op tal van punten nog zoo ver uiteen, men zou elkander dan nader leeren verstaan en waar deeren en het herstel van de eenigheid des geloofs zou zeker weer verkregen worden. Maar wat heeft men aan het herstel van het recht der Classicale Vergaderingen, wanneer men niet buigt voor 't Schriftgezag ?
Naar mijn bescheiden meening kan dan niet uitblijven juist waarvoor de Confessioneelen zoozeer vreezen, dat n.l. de beschouwing der meerderheid aan allen wordt opgelegd en de eene menscih over den anderen heerschen gaat. Waarlijk, het verval zit niet al 1 e e n in de organisatie.
Maar staan dan de mannen der Confessioneele Vereeniging zoo buiten de werkelijkheid van het leven, dat ze niet zien, dat een eenvoudig wegnemen van de bestuursorganisatie de Kerk niet terugbrengt op den rechten weg?
Reeds jaren ben ik een getrouw lezer van „De Geref. Kerk" en meer en meer breekt bij mij de overtuiging door, dat de houding door verschillende van haar medewerkers tegenover het kerkelijk vraagstuk ingenomen, een eenigszins andere oorzaak heeft. Het komt mij voor, dat er verwantschap is tusschen de richting van de hoogkerkelijken in de Luthersche en Engelsche Kerk en die van sommige Confessioneelen. Verwantschap in dien zin, dat genoemde Confessioneelen het goddelijk karakter der Kerk meer en meer in het Instituut der Kerk gaan zoeken. De Herv. (Geref.) Kerk, die ten onzent in de dagen der hervorming onder een strijd van bloed en tranen geboren werd, ziet men aan als een planting Gods, maar daarbij denkt men niet alleen aan de Kerk als vergadering der geloovigen, die door de werking des Heiligen Geestes tot ontwaking komt en het juk der Roomsche hiërarchie van zich afschudt, maar bepaaldelijk ook aan 't nieuwe Instituut, dat de Gereform. Kerk in die dagen verkrijgt en dat langzamerhand tot meer zuivere ontwikkeling komt. Het verband tusschen die geïnstitueerde Gereformeerde Kerk en onze tegenwoordige Nederlandsche Hervormde Kerk is historisch duidelijk na te gaan en aan te wijzen en zonder zich veel om de vraag te bekommeren of in het oude huis ook een nieuwe bewoner gekomen is, zegt lïien op grond van het genoemde verband : „de Nederlandsche Hervormde Kerk is de historische, wettige openbaring van het lichaam van Christus in deze landen."
Op dezelfde wijze echter kan de Roomsche Kerk het historisch verband aanwijzen tusschen haar instituut en de apostolische Kerk en grondt daarop ook al haar rechten en aanspraken van de eenige ware Kerk van Christus te zijn. De hervormers zijn nooit zoo dwaas geweest om dit verband, waarop zij zich beriep, te willen loochenen, maar zij hebben allen nadruk daarop gelegd dat nochtans de Hervormde Kerken de wettige voortzetting waren van de Apostolische Kerk, wijl ze met de Apostolische Kerk één waren in leer en belijdenis. De tegenwoordige Ned. Herv. Kerk kan daarom niet beschouwd worden dezelfde te zijn als de Herv. Kerk der Reformatie, tenzij zij éénsgeestes met haar is, op denzelfden grondslag met haar staat en een zuivere, rechtlijnige ontwikkeling van haar eigenlijk wezen vormt. Wie zou dit laatste durven beweren ? Daarom kan ik het niet anders zien of zij, die de Herv. , Kerk de historische, wettige openbaring van het lichaam van Christus noemen, blijven staan bij het instituut en kennen daaraan een goddelijk karakter toe.
Wordt hierdoor de vrees niet verklaarbaar, dat te eenjger tijd dit Instituut der Ned. Hervormde Kerk zou worden verbroken en de ijver om toch vóór alles dit Instituut ongeschonden te bewaren ?
Gedurig toch krijgt men den indruk, dat men van die zijde liever allen wind van leer in de Kerk draagt en duldt (hoezeer men deze op zichzelf ook veroordeelt) dan ooit mee te gaan in een poging tot herstel van het belijdend karakter der Kerk, waardoor mogelijk dit Instituut niet gaaf en ongeschonden uit den strijd te voorschijn kwam. Op hun standpunt terecht, want wanneer men in het Instituut het goddelijk karakter der Kerk ziet, afgezien van den aard van de Gemeente, die in dat Instituut woont, moet men alle aantasten van het Instituut een aan tasten van Gods eigen werk beschouwen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's