Van de Afdeelingen.
ROTTERDAM. Onze Afdeeling heeft op Donderdag 9 Maart l.i. haar tweede winterlezing gehouden in het kerkgebouw van de Chr. Geref. Gemeente, waar als spreker optrad ds. L. J. Lammerink van Delft. Aanvankelijk was bekend gemaakt als onderwerp voor dezen avond : „Een bladzijde uit den krijg des Heeren", maar door omstandigheden moest onze geachte spreker een ander onderwerp nemen. Alzoo dat hij ons bepaalde bij Richteren 5 vers 9. Nu, van de verandering van onderwerp behoefden wij geen spijt te hebben. Spreker bepaalde ons door dit Richterenhoofdstuk bij het lied van Debora. Hoe of God de Heere deze Debora door het zangen van haar lied nog gebruikte als een middel in Zijn hand om het volk van Israël van zijn zondigen weg nog tot God te bekeeren. Om tenslotte dit toe te passen op onzen tegenwoordigen tijd, welke volgens spreker ook een tijd is van geesteloosheid en Godverlatenheid, op kerkelijk, staatkundig en maatschappelijk terrein. Aan het einde van de vergadering zette spreker het werk van den Gereformeerden Bond nog eens uiteen, en beval de collecte voor onze fondsen ernstig aan.
Over de opkomst mochten wij niet klagen, de collecte voor de fondsen hadden wij voor dit schoone werk gaarne wat grooter gezien.
D. ROODENBURG, Secretaris.
RIJSWIJK (Z.-H.), 9 Maart 1922. Gisterenavond had eene buitengewone vergadering plaats van de Kerkelijke Vereeniging, in welke Vereeniging het orthodoxe gedeelte van Rijswijik vertegenwoordigd is. (Aan deze Vereeniging zijn alle avondbeurten afgestaan, zoodat we mu per jaar 4 ethische, 10 gereformeerde en de rest confessioneele predikanten krijgen).
Punt 3 der agenda luidde : „Is 't Udmaatschap van den Gereformeerden Bond vereenigbaar met het lidmaatschap onzer (de Kerkelijke n.l.) Vereeniging? "
De voorzitter zet uitvoerig uiteen, hoe het samenzijn in het bestuur der Kerkelijke Vereeniging van Bondsmannen en andere personen dikwijls tot onaangenaamheden leidde. Dat vindt zijn oorzaak hierin, dat de Bondsmannen iets anders nastreven dan de Confessioneelen. De Gereformeerde Bond moet wezen de Bond van Gereformeerden bij uitstek, en spreker tracht te bewijzen, dat de predikanten van dien Bond niet de zuivere Gereformeerde Waarheid brengen. Zondag 1 van den Heidelb. Catechismus wordt voorgelezen, waaruit volgt, dat niet alleen de ellende, maar ook de verlossing en de dankbaarheid in de preek moeten uitkomen. Drie Zondagen slechts handelen over de ellende, terwijl veel meer Zondagen 'over de andere stukken handelen. En nu wordt door de Bondspredikanten zoo ongeveer alleen over de ellende gesproken — die mannen zitten in den put, zitten te zuchten en laten de hoorders ook in den put. Dan geven de andere predikanten toch een frisschere prediking I Wat een verschil b.v. of we ds. Gravemeijer en ds. Van den Bosch dan wel ds. Bieshaar hooren.
Wat het doel nu van den Gereformeerden Bond aangaat, dat doel is heel anders dan het doel der Kerkelijke Vereeniging. Die laatste wil door middel van de prediking van het evangelie tot het gansche volk door dringen, dus meer een Volkskerk, terwijl de Gereformeerde Bond iets heel anders wil en slechts tot een gedeelte van het volk zich richt. Ook al een bewijs, dat de Gereformeerde Bond niet gereformeerd kan genoemd worden. De ellende is niet te overzien, als die geest het winnen mocht in Rijswijk. We hebben maar naar Delft te zien. Bij een stemming over de vraag of een confessioneel dan wel een gereformeerd predikant beroepen zou worden, werd bij een meerderheid van slechts een paar stemmen (en dat op enkele honderden uitgebrachte stemmen) tot een gereformeerd predikant besloten. En zooiets krijgen we dan natuurlijk hier ook.
Om al deze dingen moesten de Bondsmannen maar uit de Kerkelijke Vereeniging gaan, hoewel met een verkiezing voor het kiescollege b.v. we dan wel samen zouden kunnen gaan.
Denkt de vergadering er anders over, dan zal de voorzitter met acht andere bestuursleden bedanken.
Hierop had een soms heftige discussie plaats en het bleek ook nu weer dat niet ieder den juisten toon weet te vinden en te houden.
Vier Bondsmannen en twee anderen vroegen het woordt
Br. Nuijens, onze afdeelingsvioorzitter, stelde de vraag, hem duidelijk te maken, waarom hij uit > de Kerkelijke Vereeniging moet. Hij leest art. 3 van het huishoudelijk reglement der afdeeling voor, waarin staat, dat zoowel naar gereformeerde als confessioneele prediking gestreefd zal worden.'
Br. Voskamp, secretaris der afdeeling, betwijfelt of deze vergadering wel wettelijk is en tracht verder uit het reglement van den Gereformeerden Bond te bewijzen, dat deze wel gereformeerd is. Verder laakt hij het optriden van enkele bestuursleden ten opzichte van deze vergadering.
Br. Moor zegt, dat omze Nederlandsche Hervormde Kerk een belijdenis heeft en dat de predikanten dier Kerk geroepen zijn om die belijdenis vast te houden en overeenkom stig die belijdenis het Woord te brengen.
Nu trachten de Bondspredikanten dit te doen en nu moet de voorzitter dan maar eens zeggen, of de Nederlandsche Hervormde Kerk daaridoor gediend wordt of niet.
Vervolgens spraken twee tegenstanders van de Bondsmannen (wat zoo de algemeene naam is) en gaven als hun meening te kennen, dat we uit elkaar moesten gaan. Door de mannen van den Gereformeerden Bond wondt soms smalend over sommige uitstekende confessioneele predikanten gesproken, één dier predikanten moet zelfs een godloochenaar genoemd zijn, enz., zoodat als de Gereformeerde Bond het in Rijswijk wint, het net wordt als in Delft Bonds-voor en Bonds-na.
Tenslotte krijgt br. Mohr het woord, die met teleurstelling en nieuwsgierigheid de bekendmaking dezer vergadering vernam. Met teleurstelling, omdat de modernen lachen om onzen onderlingen twist, verder, omdat hij verwacht had van het bestuur te hooren wat het resultaat was der onderhandelingen met den modernen kerkeraad en tenslotte, omdat het, zelfs na het woord van ds. Van den Bosch van Zondagavond, den voorzitter en zijn vrienden nog niet duidelijk is geworden, dat God, trots menschelijke tegenwerking. Zijn wil volvoeren zal. Spreker zegt dan nieuwsgierig geweest te zijn om duidelijk te vernemen, waarom de mannen van den Gereformeerden Bond uit de Kerkelijke Vereeniging moeten. En dan vernam hij dit niet van den voorzitter, wel — en dat tot zijn teleurstelling — dat de leer, gebracht door de confessioneele predikanten, afwijkt in het grondbeginsel, n.l. dat de weg tot zaligheid toegint met het stuk der ellende, met het ontdekt worden aan de zonde. En nu dacht spreker nog al, dat verschillende confessioneele predikanten wél de gereformeerde Waarheid brachten en ging hij met genoegen vaak onder hun gehoor. Doch de voorzitter zegt, dat hun leer anders is en dat spijt spreker zeer — hij wist dat werkelijk niet.
Spreker wil in gemoede vragen of — waar we in een crisistijd leven en saamgehouden moeten wonden, wat behoudens kleine verschillen, hetzelfde bedoelt — of het nu de tijd is om tusschen de Bondsmannen en de rest der Kerkelijke Vereeniging scheiding te brengen. Of de voorzitter en zijn vrienden het voor God kunnen verantwoorden, om de zaak van den Gereformeerden Bond, een zaak van zooveel gebeds, zoo openlijk tegen te werken. Echter — ons uit de Kerkelijke Vereeniging stemmen, dat gaat, doch de zaak, de richting van den Gereformeerden Bond tegen houden, dat gaat niet.
Tenslotte doet spreker een beroep op de vergadering om hiertegen te strijden, dat macht boven recht triumfeert.
Op dit alles werd door den voorzitter in zijn antwoord met slechts enkele woorden ingegaan. Wat het zijn voor confessioneele prediking betreft, ja, dan is de Bond zeker aan het terugscharrelen. Verder zal de secretaris den brief voorlezen, door hem aan het bestuur zijner Vereeniging gericht, waarin hij meedeelt, niet met Bondsmannen in het bestuur te willen zitting houden, wijl hij de verantwoording dan niet langer dragen kan, en dat hij de leer, die deze mannen voorstaan, verderfelijk acht voor de Nederlandsche Hervormde Kerk, wijl de volle ontplooiing van het rijke Evangelie van Jezus Christus daardoor tegengehouden wordt
En nu moesten we maar stemmen, zei de voorzitter, de leden weten er nu alles van.
Met 40 tegen 18 stemmen werd uitgesproken, da tihet lidmaatschap van den Gereformeerden Bond onvereenigbaar is met dat van de Kerkelijke Vereeniging. Op de stemming werd aanmerking gemaakt, omdat een dame, b e h o o ir e n d e tot de Ge re f. Kerk, en natuurlijk geen lid der Kerkelijke Vereeniging was, meegestemd had. De voorzitter zou echter één , , neen" van het aantal aftrekken. Dat , , neen" dier dame sprak blijkbaar van zelf.
Br. Voskamp vraagt of de leden van den Gereformeerden Bond nu geroyeerd zijn als lid der Kerkelijke Vereeniging, waarop de voorzitter niet zoo dadelijk toestemmend antwoorden durft. Om lid te blijven, zal men moeten bedanken als lid van den Gereformeerden Bond, zegt Ihij.
Op de vraag of deze vergadering wettig is, wordt geantwoord dat op een vorige bestuursvergadering tot deze vergadering besloten is, wat onzerzijds ontkend werd.
En hiermede is deze zaak afgeloopen.
De bedoeling dezer onverkwikkelijke kwestie is om de Bondsmannen uit het bestuur der Kerkelijke Vereeniging te houden en op die wijze heit optreden van Bondspredikanten tegen te gaan. Voor dit jaar echter zijn de beurten geregeld, zoodat deze stemming hierop niet van invloed is, doch men zal blijkbaar met alle middelen ons tegenwerken.
Evenwel wanhopen we niet.
De Heere doe ons stille zijn en vertrouwen op Zijn Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's