De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Waarom gaat het bij het kerkelijk vraagstuk?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waarom gaat het bij het kerkelijk vraagstuk?

8 minuten leestijd

II-

Het komt mij voor, dat met deze beschouwingswijze ook samenhangt de groote nadruk, die van genoemde zijde op het sacrament, bepaaldelijk hier op het sacrament des Doops, wordt gelegd.

Meer dan eenmaal zijn in d e G e r e f o r-meerde Kerk met instemming de woorden van Hoedemaker aangehaald, dat niet de begeerte mag zijn van de modernen verlost te worden, maar van het modernisme. Een woord, waarmee ik zelf ook van harte instem, wanneer het bedoeld wordt als reactie tegen die farizaeische richting onder de orthodoxie, die zichzelf om der wille van haar orthodoxie voor het ware volk van God acht, de andersdenkenden als niets acht en uit de hoogte op hen neerziet en dientengevolge het herstel der Kerk daarin zoekt, dat men deze andersdenkenden eenvoudig uitsmijt, vreezende door hen besmet te worden op dezelfde wijze, waarop het eigengerechtige Israël roept : „naakt tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij." Maar met dergelijke woorden, die in een bepaalden zin genomen, juist zijn, moet men toch voorzichtig wezen. Al gaat het er niet om de modernen eenvoudig op hooghartige wijze uit te werpen, krijgt men daardoor nu het recht om een moderne Gemeente bijv., waarin een ander evangelie wordt verkondigd en verlangd dan het evangelie naar de Schriften, waarin men op allerlei wijze zijn vijandschap tegen een positieve belijdenis lucht geeft, te blijven beschouwen als een ware Gemeente des Heeren ?

Men wijst hier dan in de eerste plaats op het verband dezer plaatselijke Gemeente met het geheel der Kerk, maar is dit verband er naar het wezen? of bestaat het alleen in den vorm, in het deel hebben aan hetzelfde I n s t i t u u it ?

En in de tweede plaats wijst men gaarne op den Doop. Die moderne Gemeente is toch in elk geval nog een 'gedoopte Gemeente ! Natuurlijk, en we zouden niet graag de wettigheid en beteekenis van den Doop in een moderne Gemeente willen ontkennen, evenmin als dat gedaan wordt met den Roomschen Doop. Maar gaat men hier niet eenzijdig nadruk leggen op de objectieve zijde van het sacrament, op het verbond en de belofte, zooals idie van Godswege in den Doop aan de gedoopten verzegeld zijn ?

Er zijn in alle verbonden toch twee deelen begrepen. En de subjectieve aanvaarding van het verbond mag toch niet gemist worden. Nu hebben wij in zulk een moderne Gemeente niet alleen met kinderen te doen, maar met volwassenen, die tot onderscheid des verstands gekomen, een keuze gedaan hebben. En als nu het evangelie des Gekruisten een aanstoot en ergernis is geworden, heeft men dan niet inplaats van het verbond te aanvaarden juist het verbond verbroken ? Wat voor beteekenis heeft het dan nog nadruk te leggen op het gedoopt zijn dezer Gemeente waar ze toont de beteekenis en roeping van den Doop niet te willen aanvaarden ?

Dikwijls heeft men in zulk een Gemeente een groot deel weten terug te brengen van hun dwaling, maar in de meeste gevallen was er dan nog een kern, al was ze klein, overgebleven, een kern, die vasthield aan 't Evangelie des kruises, in mijn oog de ware en eigenlijke Gemeente ; door deze kern werd 't Evangelie uitgedragen en daardoor voegden zich weer velen bij hen, die opnieuw voor het woord der waarheid werden gewonnen. En zelfs al vindt men zulk een kern niet meer, kan men onder Gods zegen door Evangelisatie vaak velen weer winnen, maar moet men om den wille van deze mogelijkheid de Gemeente, die openlijk het Evangelie der Schriften verworpen heeft, als een Gemeente des Heeren blijven beschouwen ? Die zelfde mogelijkheid bestaat toch ook bij Joden en Roomschen, onder wie de prediking van het Evangelie eveneens zijn vruchten draagt !

In de Geref. Kerk schrijft sinds eenigen tijd dr. J. Chr. Kromsigt zijn in veel opzichten belangwekkende artikelen over de kerkelijke kwestie. Hij legt daarbij vooral den nadruk op de roeping, die de Herv. Kerk heeft als volkskerk, in zooverre ze, behalve een discipelkring ook „de schare" omsluit. We hebben tegen het gebruik van het woord , .volkskerk" mits in een bepaalden zin genomen niet 't minste bezwaar en zijn 't er volkomen mee eens, dat de weg van separatisme, waarbij de belangstellenden zich afzonderen en de groote hoop eenvoudig aan hun lot overgeven, niet de aangewezen weg is om uit de moeilijkheden te geraken.

Doch gedurig heb ik mij bij de lezing van zijn artikelen, waarin hij telkens naar deze zijde polemiseert, afgevraagd : „denkt dr. Kromsigt dat de Gereformeerde Bond dezen weg op wil ? " Laat dr. Kromsigt dan eens informeeren, hoe over het algemeen de Geref. predikanten arbeiden in hun Gemeenten. Hij denkt toch zeker niet dat deze Gemeenten enkel bestaan uit lidmaten, die hoofd voor hoofd volkomen bewust met de belijdenis der 3 formulieren instemmen ? In al die Gemeenten en vooral in de grootere, is de z.g. „schare", die ten opzichte van het godsdienstige geheel aan de oppervlakte leeft; in al die Gemeenten nagenoeg is een kring van andersdenkenden. Wie zou er aan denken (als er een enkele uitzondering is, mag daarnaar de Bond als zoodanig niet beoordeeld worden) om deze schare eenvoudig op zij te stooten en er zich hooghartig niet mee te bemoeien ! Ik kan dr. Kromsigt met gerustheid verzekeren, dat het meerendeel der Geref. predikanten met ijver en toewijding aan die schare arbeidt en velen van hen vaak mogen brengen tot een .ontwaakte belangstelling en bewust meeleven, ja dat men ook de andersdenkenden (een uitzondering is geen regel) niet hooghartig verwerpt maar hen zooveel mogelijk tracht te winnen.

Neen waarlijk de kerkelijke kwestie wordt door den Geref Bond niet gezocht in de aanwezigheid van „de schare, die de wet niet kent" en zijner is niet de zucht, hoe toch van die schare verlost te worden 1 Het is er ons volstrekt niet om te doen de Gereformeerden, die bewust meeleven, als een kleine groep uit de groote schare af te zonderen en zoo een Kerk van louter belangstellenden te krijgen ! Ik geloof niet dat ik mij vergis, als ik het gevoelen van den Bond in deze woorden weergeef: „laat van alle kansels 't zuivere Evangelie, het Evangelie naar de Schriften verkondigd worden en we zullen ophouden te spreken van een kerkelijk vraagstuk in den zin, waarin wij dat tot nu toe gedaan hebben". Niet de aanwezigheid van „de schare" in ons midden, niet de aanwezigheid van tal van andersdenkenden, maar 't tolereeren van allen wind van leer, openlijk van de kansels ver­kondigd, vormt voor ons op het oogenblik „h e t kerkelijk vraagstuk, en de geschiedenis van de vorige eeuw doet zien, dat daarin te allen tijde voor de belijders de kern der kwestie verscholen lag. Want het tolereeren van de prediking van een ander evangelie is geen barmhartigheid ten opzichte van de „schare", maar wreedheid. Het gaat voor ons om de vraag, hoe uit deze ellende uit te komen ! hoe te geraken op een weg, waarin de Kerk haar belijdend karakter herkrijgt en tot getrouwheid komt aan haar Hoofd en Heere.

Op deze vraag weet niemand nog een antwoord, maar meer en meer wint bij velen de overtuiginig veld, dat we op de een of andere wijze zullen moeten komen tot een modus Vivendi, waardoor de verwarde toestand eenigszins opklaart en de te volgen lijnen zich duidelijker zullen afteekenen.

Maar daarom is vóór alle dingen noodig, dat allen, die het Schriftgezag erkennen en ook door de ontwikkeling der Hervormde Kerk, die op de Synode van 1618—'19 haar vruchten droeg, geen schrap wenschen te halen, zich vereenigen en zich met elkander leeren verstaan. Laat men in deze moeilijke tijden toch de ondergeschikte punten eens laten rusten en op de hoofdzaken zich concentreeren.

De bedoeling van dit schrijven is dan ook allerminst om een klove tusschen Confessioneelen en Gereformeerden aan te wijzen, maar op goed verStaan van elkander en op samenwerking aan te dringen.

Waarom ik dan toch met nadruk op een verschil heb gewezen ? Omdat ik oordeel, dat. Indien mijn opvatting van wat sommige Confessioneelen willen, juist is, er gevaar bestaat, dat het tot zulk een samenwerking niet kan komen. Ik geloof niet, dat ik mij vergist heb in de teekening van de geestesrichting van sommige medewerkers aan d e Gereformeerde Kerk, hoewel ik zou wenschen, dat dat het geval ware. Maar ik ben overtuigd, dat deze geestesrichting lang niet door alle Confessioneelen gedeeld wordt. Men mag de leuze van reorganisatie nog gedurig opheffen — en met betrekkelijk recht — meer en meer breekt toch bij tal van Confessioneelen de overtuiging door, dat daarmee niet alles gezegd is. Men kan geen ijzer met handen breken. De practijk van het leven gaat door en men komt buiten het leven, ook buiten het kerkelijk leven te staan, wanneer men zich krampachtig vastklemt aan een bepaalde theorie en voor de eischen der practijk de oogen sluit.

't Zou mij ten hoogste verblijden Indien daarom de Gereformeerde Kerk eens ophield gedurig zijn pijlen af te schieten op den Gereformeerden Bond, zooals dat in den laatsten tijd weer het geval is. Het gaat toch niet om concurrentie van twee vereenigingen ; het gaat om samenwerking op grondslag van Schrift en belijdenis. Die samenwerking is eisch van onzen tijd en wil de Gereformeerde Kerk daaraan niet meedoen en daaraan geen leiding geven, ik ben overtuigd, dat ze mettertijd tusschen Gereformeerden en Confessioneelen toch tot stand zal komen, al is het dan buiten de Gereformeerde Kerk om.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Waarom gaat het bij het kerkelijk vraagstuk?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's