De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op Kerkelijk Erf

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op Kerkelijk Erf

9 minuten leestijd

I

Het mag niet worden ontkend, dat het kerkelijk vraagstuk in onze kringen allengs meerdere belangstelling gaat wekken. Weliswaar moet dit in niet geringe mate worden toegeschreven aan de tractementsactie, die een verklaarbare aanleiding en drijfveer vond in de moeilijke tijdsomstandigheden. Daarom zouden wij het betreuren, indien alleen de financiëele prikkel op de gemeenten uitgeoefend tot verzet drong bij hen, die daardoor worden geschaad in hun belangen, terwijl zij, die door de Synodale regeling financieel zijn gebaat deswege over principiëele bezwaren zouden heenzien, die zij tegen het reglement moeten inbrengen. Doch wij vertrouwen dat er onder onze menschen nog karakters zijn, die het beginsel stellen boven stoffelijk voordeel. Het blijkt toch telkens weer, dat onze Gereformeerde gemeenten nog weten te offeren voor den dienst des Woords.

Het ligt dan ook in den aard der zaak, dat de invoering van het Reglement op de Predikantstractementen de geesten moest wakker maken en de kwestie, waarom het gaat, dichter bij de menschen brengen. Men moge zeggen, dat men gaarne de hand op de beurs houdt, — en inderdaad is .dat veelal waar —, doch het neemt niet weg, dat een aanslag op de beurs aanleiding kan zijn om zich rekenschap te geven van de dingen. Wat men ook omtrent een en ander terecht of ten onrechte aan afkeuring naar voren brengt, kan ons niet weerhouden om de hope uit te spreken, dat onze. Gereformeerde gemeenten ernst maken zullen van de beginselen, die zij belijden en met waardigheid en kracht opkomen voor hun goed recht. Daartoe zal het van het hoogste belang zijn, dat zij weten, wat zij willen en eenparig optrekken voor de beginselen van het oud-vaderlijk geloof. Doch daartoe zal het ook noodig zijn die beginselen te kennen. Zullen wij Gereformeerd leven, dan moeten wij Gereformeerd z ij n. Dan zullen wij hebben te verstaan, wat het beduidt de Heilige Schrift te belijden als het Woord Gods en te kennen als richtsnoer des levens. Immers het Woord heeft niet alleen beteekenis voor den verborgen omgang des harten, waarbij de Heere zich daarvan bedient om de kinderen des Koninkrijks te vergaderen en te onderrichten in de verborgenheden des heils, maar ook — en juist daarom — werpt het zijn schijnsel over heel het leven in huis en kerk en staat. Inzonderheid wat betreft de Kerk hebben wij terug te gaan op het Woord, wijl de Christus haar instelde tot orgaan, waarvan Hij gebruik wil maken om zich te openbaren.

Calvijn noemt het Woord de ziel der Kerk en wijst er op dat de w a r e Kerk zich kenmerkt door de zuivere bediening des Woords, waaruit als vanzelf volgt de bediening der Sacramenten naar de inzetting des Heeren en de oefening der tucht naar de regelen der H. Schriftuur. Als wij dit goed voor oogen stellen, zal het onmiddellijk opvallen, dat in ons huidig kerkelijk leven vele afwijkingen en gebreken worden aangetroffen, die den oprechten belijder des Heeren moeten bedroeven en beschuldigen. En dan is er volstrekt niet alles mede gezegd, als wij wijzen op een prediking, die zelfs de grondwaarheden der belijdenis heeft laten varen of ook bestrijdt. Zeker, wij mogen dat afkeuren, moeten zinnen op een oplossing, kunnen er geen vrede mede hebben, doch het mag bij woorden niet blijven en daden moeten zijn geloofsdaden.

Evenmin kunnen wij volstaan met de Synodale organisatie, waaronder wij kerkelijk leven, te laken en voorts tevreden te zijn, wanneer wij in eigen gemeente „een goeden dominé" hebben, die de Waarheid recht snijdt. Indien er geestelijke waarachtigheid in de ziel van ons volk mag wonen, zal het de zaak des Heeren ter harte nemen en oog hebben voor de gansche Kerk en het kerkelijk leven.. Daarbij kan ook de geschiedenis der Kerk, op onzen vaderlandschen bodem inzonderheid, niet aan de belangstelling ontgaan. Reeds bij den eersten aanblik zal het dan duidelijk zijn, dat ook in onzen tijd de kerkelijke geschillen nog steeds zijn geconcentreerd op twee hoofdpunten, welke ook in de dagen van weleer beroering hebben gebracht, n.l. de Kerkorde en de Confessie.  Het zou de kerkelijke actie ongetwijfeld ten goede komen, indien allen, die 't in de grondwaarheden der Gereformeerde belijdenis eens zijn en dus het gezag der H. Schrift als het Woord Gods belijden gezamenlijk optrokken om in deze voorname punten tot overeenstemming te geraken. Hoezeer ook een individualistische geest, ondanks al het sociale in onzen tijd zulks tegenstaat en tot velerlei „drijven" aanleiding is, zal alleen in gemeenschappelijken arbeid om de hoogste belangen kracht schuilen. Immers de verbrokkeling in eigen kring verzwakt de positie tegen den gemeenschappelijken vijand. Dien vijand zullen wij hebben te ontdekken in den geest dezer eeuw en als ons volk zich de moeite geeft om dien te ontdekken zal het aanleiding vinden om zich aan te gorden tot een strijd, waartoe het geroepen is door den Koning der Kerk en waarbij het kracht heeft te zoeken in het geloof.

„Het protestantisme had werkelijk behoefte aan strijders, die blaakten van geestdrift voor de eenheid en zuiverheid der gereformeerde Kerk, onwrikbaar overtuigd van de onfeilbaarheid hunner stout geformuleerde belijdenis, steeds in de weer om de gemeente Gods groot en sterk te maken als een voormuur tegen de geweldenarij van Rome en Kastilië, zich geroepen achtende om het ruwe volk door prediking des Woords en strenge tucht op te voeden. Hun vaderlandsliefde even kloek als hun kerkijver heeft stoute kracht bijgezet aan den krijg tegen Spanje." Zoo eert de geschiedschrijver de geloofskracht der vaderen. Bij den strijd des geestes voerden zij den krijg tegen vleesch en bloed en gewis school ook daarin een veneenigende kracht. Immers toen de vaderlandsche bodem rustte van het zwaard en de geestelijke strijd voortduurde, moesten de dappere voorvechters van het Calvinisme ervaren, dat een vijandige geest veld won ook binnen de muren der Kerk, die moeilijker was te overwinnen dan de trotsche Spanjaard, ja allengs de massa des volks veroverde.

Lang vóór de invoering van de Synodale organisatie — wij mogen het ons niet ontveinzen — ving de verwording van het kerkelijk leven aan. Het is dan ook slechts waan, zoo men meenen zou, dat de Kerk der vaderen in alles een toonbeeld van Gereformeerd kerkelijk leven zou zijn geweest. De historie leert dat gansch anders. Zoodra de geloofskracht der Reformatoren in het nageslacht ging versterven, verachterde gestadig het kerkelijk leven en verloor allengs de Kerk haar invloed op het volk, dewijl zij spoedig een strijdtooneel werd der geestelijke stroomingen, die deels vijandig aan de religie der Schriften niet nalieten het volk te doorzuren tot nadeel van den bloei van Kerk en natie.

Het kan zijn nut hebben hieraan onze aandacht te wijden, aangezien de verschijnselen, die zich toen openbaarden opkwamen uit een geestelijk proces, dat voortwerkt tot in onze dagen. Door te letten op de ontwikkeling van dat proces zullen wij in staat zijn onzen eigen tijd beter te verstaan en te beoordeelen. Dat verschil van meening zoowel in als buiten de Kerk moest openbaar worden, is klaar als de dag. Alle menschen zijn nu eenmaal geen christenen, zelfs niet al belijden zij het met den mond. Alle menschen denken ook niet gelijk en zullen zij, die kerkelijk èèn zijn, op vele punten weer afwijkende meeningen zijn toegedaan in vergelijking met elkander, buiten de

Kerk gaat een stroom, die misschien in den grond tot één bron is terug te leiden, doch in velerlei vertakking afvloeit. Voorts denken niet alle menschen door, doch in beginsel beïnvloed door een zekere heerschende beschouwing der dingen, zooals die door de Kerk geleerd of in het brein der wijsgeeren is gebouwd, gaan zij in eigen weg voort zonder te beseffen, welk een verwarde mengeling van beginselen en gedachten zij koesteren, zonder ook in te zien, waar de consequenties liggen van wat zij beweren. Het is den mensch als redelijk wezen eigen zich een beeld te vormen van de wereld, waarin hij leeft. Ook de drang der religie, waaraan niemand ontkomt, richt zijn denken op de Godheid, waarvan hij zich evenzeer een voorstelling of een begrip tracht te vormen en waaraan hij het zijn der dingen verbindt. Mag dit min of meer van alle menschen gelden, niet allen zijn bedeeld met gelijke denkkracht en kennis, en velen hebben noodig geleid te worden en worden ook geleid, zij het ook veelal onbewust, door de grootere geesten. Toch heeft ieder hierin ook een eigen aandeel naar de kracht van zijn persoonlijkheid en het spreekt dus vanzelf dat bij een toenemende verlichting des volks, die nimmer van allen geleerden zal maken en het verzwakken van een centraal innerlijk gezag der religie, de verwarring steeds grooter moest worden.

Op het gebied van het denken is de mensch een .geboren handwerksman en slechts enkelen zijn kunstenaars. De kunstenaar bouwt zich een gansche wereld der gedachten en schouwt daarin het beeld van de werkelijkheid. Evenals de groote bouwmeester peinst over de inrichting van zijn gebouw naar den eisch der bestemming en overlegt, hoe aan alles naar dat doel geschikt ook de hoogste schoonheid kan worden gepaard, om dan het ontwerp te maken, zoo arbeidt de denker om het beeld des heelals voort te brengen, waarin alles harmonisch sluit. De kunstenaar schept in zijn arbeid. De architect van lagere orde kijkt het van hem af en de timmerman, die geen opleiding gehad heeft kiest uit verschillenden stijl en smaak en maakt een wangedrocht, dat misschien aan de practische eischen van zijn leven kan voldoen en dat naar verandering der omstandigheden wordt aangebouwd en uitgebroken naar believen. Het is knutselwerk en geen kunst. Doch, waar het gaat om de geheimenissen des levens te verstaan en den vrede des gemoeds, daar is de kunstenaar en de knutselaar op zich zelf aangewezen, als hij den Schepper der wereld versmaadt en zij beiden eindigen in vergoding van stof en mensch.

De geschiedenis van den nieuweren tijd toont aan, hoe de mensch de rede verheerlijkte en de rede hem maakte tot god. Daarom moest dit een conflict geven met de Gereformeerde theologen, die het gezag der H. Schrift vasthielden. Daarin vonden zij toch het bestek, door den grooten Bouwmeester zelf gemaakt en dat te onderzoeken en na te denken, wat God heeft voorgedacht was hun; arbeid en kracht. Ook daarin zijn zij niet allen gelijk geweest, en openbaarde zich de verscheidenheid der gaven, doch het is èèn Geest die allen verbindt in de eenigheid des geloofs. Ook onder de Calvinisten waren grootmeesters en de handwerkslieden ontbraken nimmer ook hier.


') Dr. J. Reitsma, Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde K e r k, 2e uitg., Groningen 1899, blz. 139.

^) Reitsma t.a.p. blz. 139.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Op Kerkelijk Erf

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's