De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

7 minuten leestijd

„En Pilatus zeide : Ziet, de mensch !" Joh. 19 vers 5b.

ZIET, DE MENSCH.

Groot was de moeilijkheid, Waarin Piilatus zich bevond, toen hij dit woord sprak. Hij voelde wel, naar recht moest hij Jezus loslaten. Er was in Hem geen schuld. Toch durfde de landvoogd niet doen, wat recht en eer en geweten van hem eischten. Dan zou hij, dat speurde hij wel in heel dit tragische rechtsgeding, de overheid der Joden, en dies gansch deze verzamelde menigte, zich tot vijand maken. Ook daarvoor huiverde Pilatus terug. Als hij zich dat indacht, werd het hem bange. Het beteekende verlies van de gunst des Keizers, verlies van zijne maatschappelijke positie, verlies van zijn eervollen post.

Doch zie, daar ontdekte hij Jezus, omringd door de spotlustige krijgsknechten. Een versleten soldatenmantel hadden zei Hem omgeworpen. Een krans van pijnende, diep in zijn voorhoofd indringende doorntakken hadden ze Hem opgedrukt. En nu maakten ze zich vroolijk over dezen spotkoning.

Dit schouwspel, weerzinwekkend en walgelijk deed in Pilatus' brein een plan rijpen. En hij volvoerde het als een laatste redmiddel in zijn bange moeilijkheid.

Zoo, gelijk de krijgsknechten Jezus hadden onteerd en gehoond, bracht hij Hem op naar de wachtende menigte, in spanning en gisting rondom het rechthuis opgehoopt.

Pilatus hoopte en geloofde, — een mensch gelooft in dergelijke omstandigheden immers zoo gaarne, wat hij hoopt — dat bij dezen aanblik van Jezus, bij 't zien van zooveel lijden en smart, bij het schouwen in Zijn bleeke, bloedbedropen gelaat, de menig te vermurwd zou worden en af zou laten van haar wreeden eisch.

Daarom deed Pilatus Jezus nogmaals opkomen op de plaats genaamd Lithostrotos, en pleitte vrijspraak voor Hem bij de schare, in wier hart het brandde van haat. Vrijspraak, te schenken door een gemoed, dat week werd en verteederd door den aanblik van Jezus' verwrongen gelaatstrekken en door het schouwen in Zijn nameloos wee.

Zie, de mensch om medelijden te wekken, sprak Pilatus dit woord. Hij vroeg deernis voor Jezus. En zijn woord heeft vrucht gekweekt. O, niet in dezen zin, dat hij bij de schare, vóór zijn rechthuis opgehoopt, het gewenschte resultaat verkreeg. Wij weten het anders.

Dé Joden, opgezwiept als zij waren door liun leidslieden, volhardden in den ontzinden eisch der kruisiging. Ze waren niet meer ontvankelijk voor Pilatus' pleidooi.

Maar in den loop der eeuwen heeft Pilatus' woord ingewerkt op menig hart. Het heeft gediend om velen aan te grijpen en te ontroeren tot medelijden met Jezus, gelijk Hij in den tekst voor ons treedt. De gestalte van den met doornen gekroonden Man van Smarten heeft zelfs meer dan één kunstenaar zóó geboeid en ontroerd, dat hij poogde ze op doek te brengen, en ook slaagde Pilatus' woord in beeld te brengen. In vele woningen, vooral ook van hen, die Christus als Verlosser niet willen erkennen en aanbidden, kunnen wij de schilderij vinden van Jezus met de doornenkroon.

Ja, in onzen tijd is er menig hart, dat door deernis met Jezus' leed werd aangegrepen, en met Zijn voorbeeldeloos ondergaan van het lijden dweept.

Het zijn de menschen, in wier ziel ging leven, wat wij beluisteren in het lied :

O Man van Smarten met de doornenkroon, o bleek, bebloed gelaat, dat in den nacht gloeit als een groote, bleeke vlam, — wat macht van eind'loos lijden maakt Uw beeld zoo schoon ?

Wal is dit anders dan schoonheidsontroering en daaruit opkomend niets dan medelijden voor Hem, dien men vereeren wil als een, die leed voor Zijn idealen en daarvoor willig den dood inging ?

Arme mensch, die niet meer in Jezus wil zien dan dit, en van den lijdenden Knecht des Heeren zich afwendt I

Pilatus vraagt medelijden voor Jezus. De wereld roept om deernis voor den mensch en den profeet Jezus.

Maar de Christus Zelve. Hij vraagt geen medelijden voor Zich van ons. Hij vraagt, dat wij zullen weenen over ons zelven en zóó zullen smeeken, voor Hem neergeknield, om Zijn priesterlijke ontferming.

Ons betaamt de bede : „Heere, heb deernis met mij, die in ongerechtigheid voor u ter neder lig !"

Ziet, de mensch..!! Wij hebben In Pilatus' gezegde te doen met een woord van ontroerende diepte. Het wijst ons op den Man van Smarten, Die in heel Zijn lijdensweg, en dus ook hier, ja hier vooral, ons verschijnt als een toonbeeld van ellende.

Als wij bij Geesteslicht ons tekstwoord mogen lezen, zien wij niets dan ellende.

't Is hier op Gabbatha voor Jezus en aan Jezus enkel ellende.

En zoo rijst hier in den Man van Smarten de met doornen Gekroonde, de „spotkoning", voor ons op, ons aller natuurlijk beeld. Gelijk wij den Christus Gods hier in den tekst zien, zóó zijn wij geworden door onzen afval van God, door onze zonde en overtreding, eens in het Paradijs bedreven en sinds dien duizendwerf herhaald.-Wij zijn gevallen Koningskinderen. De mensch in zijn diepen val is een onttroond vorst. Ons beeld kunnen wij zien in den „spotkoning" van Gabbatha. '

Voor den koningsdiadeem kwamen de doornen en distelen der zonde in de plaats. Geen koningsluister is meer ons deel. Wij wandelen door het leven in een ontluisterde, verworden en verzondigde natuur.

In Gabbatha treedt vóór ons de Christus aan Wien toen in bange vervulling werd geschouwd de waarheid van het profetische woord : „Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen "

Daarom draagt Hij ons aller beeld. Daarom rijst Hij voor ons op als een toonbeeld van ellende. Indien wij met onze ziel leerden luisteren naar Pilatus' woord, roept het ons dan niet toe : „Zoo zijt gij door uw afval van God geworden, o sterveling. Dat, dat is nu de mensch !"

Hebben wij deze diepte van den tekst eenigermate leeren peilen ?

Het is ons noodig, aanvankelijk of bij voortduur, zóó den tekst te zien. God ontdekke ons oog daarvoor. Dan eerst leeren wij zie n. Dan ontdekken wij in Jezus met de doornenkroon ons eigen beeld.

Dan gaat verbijstering over ons zelve leven in onze ziel. En wij leeren zóó de kracht van dit woord kennen, dat het ons ternederwerpt voor den Christus, in zelfverfoeiïng en schuldellende bedelend om Zijn mededoogen.

Ziet, de mensch Op den lijdenden Borg van Gods .gemeente wijst ons deze tekst. Maar daarom is dit woord ten slotte ook een schilderij van Gods loutere genade.

Het wijst ons immers op den volkomen mensch, den Christus, dragend de ellende, en de schuld en de zonde der Zijnen, ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde.

Zóó heeft Hij willen lijden ; dien spot, dien hoon, die verguizing heeft Hij willen ondergaan, om als de Middelaar Gods en der menschen voor Zijn volk te kunnen staan in de .breuke, tusschen God en den mensch getrokken.

O, zie Hem zoo, verslagene ziele ! Schouw Hem aan en beken of er anders zaligheid voor u te vinden is dan in den heerlijken Christus !

O, zie naar Hem, van God vervreemde, en laat uw ziel maar verbijsterd worden over u zelven, opdat in dien weg heilige verwondering over u kome, dat God in Zijn Zoon, zooveel genade, overvloeiende genade, wilde openbaren voor den voornaamste der zondaren !

O, zie op uw Jezus, kinderen des Heeren en laat uw ziel vervoerd worden door de liefde van Christus en opwaken tot hernieuwde aanbidding van uw gezegenden Verlosser !

Indien wij waarlijk zoo den tekst mogen zien, en in den weg van verbijstering over ons zelven, en van verwondering over Gods genade, den dierbaren Christus aan het hart mogen zinken, dan woeden wij nooit moede te zien op Jezus.

En het zal door Gods genade de weg zijn, waarin wij het wonderzalige mogen genieten, dat wij .door Christus' lijden en sterven in beginsel weer worden : „Menschen Gods, tot alle werk Gods volmaaktelijk toegerust."

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's