De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

20 minuten leestijd

op den Isten April Verloor Alva zijn bril.

Zaterdag 1 April a.s. zal het 350 jaar geleden zijn, dat den Briel door de Watergeuzen werd ingenomen en dat het volk vroolijk zong op straat: op den Isten April verloor Alva zijn bril.

Is er oorzaak om dit feit, na 350 jaar, dankbaar en feestelijk te gedenken ?

Wij meenen van ja.

Is er oorzaak ook melding van deze gebeurtenis te maken in ons Bondsblad, dat toch uit den aard der zaak een kerkelijk blad is ?

Wij meenen van ja.

Want toen Den Briel viel gebeurde er eigenlijk iets .groots ; iets .dat den stoot kwam geven aan een allerbelangrijkste verandering in het midden van ons volksleven en wij, die nu achter de feiten zien, wij moeten erkennen, dat er 1 April 1572 iets zóó bizonders is geibeurd, dat we als volk van Nederland werkelijk wel oorzaak hebben te spreken van een dag van goede boodschap.

Natuurlijk allereerst voor den Briel. Wonderlijk verlost !

Maar ook voor .geheel Nederland. Want het was het begin van een algeheele omkeering én wat het volksleven èn wat het kerkelijk godsdienstig leven betreft.

Van Spanje en van Rome vrij - daar wijst 1572 op.

En dat is voor ieder, die echt Nederlander is, zóó van beteekenis, dat men niet zal nalaten op den Isten April daaraan te denken en daarvan te spreken, den Heere groot makende voor Zijne wonderlijke daden, waardoor Nederland zoo rijkelijk werd gezegend voor het nationale en voor het godsdienstig kerkelijke leven.

1 April 1572 den Briel, de Sleutel van Holland, in handen van de Watergeuzen. Toen wapperde een hoog zegeteeken van de Sinte-Catharina toren aldaar ; de lappendeken, die, uit verschillende driehoeken orange-blanche-bleu was samengesteld, het welbekende zeer gevreesde symbool der Piraten, de Geuzenvlag I Niet de roode haan over de rieten daken, maar de Geuzenvlag van den torentrans. Om dé stad voor den Prins te bewaren.

Dat is het begin geweest van onze vrijmaking van Spanje.

Toen ving de bange en lange worsteling aan van het Calvinistisch volkje, een zoo klein hoopke, in vergelijking van héél het volk, en het is het begin geworden van de vestiging van de Gereformeerde Kerk hier te lande, waardoor de Hervormde godsdienst kwam in plaats van de Roomsche.

Het begin van de vrijheid van godsdienst, waarvoor vooral Prins Willem van Oranje de Vader des Vaderlands, heeft gestreden.

Van dat jaar af is onze natie een Protestantsche natie.

Geve de Heere, dat het Calvinistische volksdeel het meer en meer mag beseffen, wat voorrechten de Heere in 1572 aan onzen lande kwam geven, onder de hooge en heerlijke verplichting, om het protestantsche karakter van ons volk te bewaren en te versterken, met volkomen vrijheid voor ieder, die als goed Nederlander zijn God en zijn Vaderland wenscht lief te hebben en te dienen, zooals Prins Willem van Oranje dat begeerde te bevorderen, hoewel door weinigen in deze maar vertrouwd.

God, Nederland en Oranje blijve hierbij de leus.

Staande op heiligen grond.

In de Kerk staat men op heiligen grond. Zij, die den Naam des Heeren belijden, hebben dat wel te bedenken. Christenen hebben dubbel toe te zien, dat leer en leven overeenstemt, want de wereld ziet nauw toe op de christenen en men weet daar zoo goed, hoe een christen handelen en wandelen moet.

Nooit hoort men dat iemand niet meer naar den schouwburg of naar de bioscoop, of naar een lezing gaat, omdat hij door een tóoneelspeler bedrogen is ; omdat het leven van een bioscoophouder niet zoo heel netjes is ; of dat iemand die leest of voordraagt niet onberispelijk heet, wat z'n levenswandel aangaat.

Maar telkens hoort men, dat men niet meer in de kerk komt, omdat die of die kerkganger een huichelaar is ; of omdat op een ouderling of diaken wat te zeggen valt; of omdat men meent, dat er wat ontbreekt aan den dominé.

Allerdwaaste critiek hoort men soms.

Alsof men ten pleziere van deze of gene naar de kerk gaat en niet om Gods wil en om de wille van eigen zieleheil en levensvree ! Wat Is er dikwijls makkelijk een stok te vinden, als men een hond wil slaan. Men is in zoovele dingen inschikkelijker voor aardsche genotmiddelen, dan voor de Kerk. Er mag daar geen strootje in den weg komen !

Maar dat neemt niet weg, dat ook hieruit blijkt, hoe teer de godsdienst is ; hoe nauw het er op aankomt op het terrein van Gods Kerk — en waar godsdienst, ware godsvrucht zich in leer en leven moet openbaren, daar hebben allen die op het terrein van Gods Kerk zich bewegen wel te bedenken, dat zij staan op heiligen grond.

De eere dés Heeren is teer ; en de welstand der ziele hangt er bij Gods kinderen van af, of zij door Gods genade Hem mogen liefhebben met geheel hun .hart en in oprechtheid voor Zijn aangezicht mogen wandelen. „Hierin wordt Mijn Vader verheeriijkt, dat gij veel vrucht draagt", zegt Jezus.

Leer en leven.

De Ethische redeneert : niet de leer, maar het leven. Alsof er zijn, die zeggen : niet het leven, maar de leer. Doch wie is zoo dwaas, om dat laatste voor z'n rekening te nemen ? Immers niemand ! Althans geen gereformeerde. Nooit heeft .de gereformeerde theologie zulk een stelling voor haar rekening genomen. Maar evenmin zegt zij dan : niet de leer, maar het leven ; gelijk de ethische theologie dat wel naar voren schuift. Daar moeten de gereformeerden niets van hebben. Want de gereform. theologie gevoelt te goed, dat noch de leer noch het leven gemist kan worden. Met de leer, met het dogma, niét de belijdenis laat de gereformeerde liefst niet spelen. Want het ware geloot, wil de Schrift naspreken ; wil de waarheid Gods vertolken. En de gereformeerde weet, dat daarvoor formuleering noodig is ; daarom ook de dogma's, de confessies. En de gereformeerde weet, dat in de belijdenisschriften der Hervormde Kerk, zijnde de Nederiandsche geloofsbelijdenis in 37 artikelen, de Heidelbergsche Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt, de Gereformeerde Kerk, kennelijk door Gods Gee'st geleerd en geleid, de Waarheid Gods zoo helder en klaar en kloek heeft nagesproken en uiteengezet; welken schat der Kerk de gereformeerden liefst niet met de voeten laten vertreden of laten zetten in den vergeten hoek. Daarvoor is hun die waarheid naar de Schriften te dierbaar. En laat het waar zijn, dat deze belijdenisschriften reeds 300 jaar oud zijn, maar wat het wezen van die waarheid, door de belijdenisschriften vertolkt, aangaat, zijn de gereformeerden van nu geen haar veranderd bij de gereformeerden van de 16de eeuw. Ze zijn telgen van Calvijn, die van harte met de belijdenis accoord gaan, al stemmen ze dadelijk toe, dat de Kerk telkens van God geroepen is haar belijdenis te toetsen aan Gods Woord en zoo noodig lieeft te veranderen of aan te vullen. Dit nu is 3ÓÓ jaar geleden voor het laatst gebeurd op de Dordtsche Synode van 1618—'19. En zoo wordt het waarlijk wel tijd, dat de Hervormde Kerk eindelijk weer eens hare wettige vergaderingen terugkrijgt waardoor zij i n s t a a t g e s t e 1 d wordt, om weer als Kerk over haar belijdenis te spreken naar uitwijzen van Gods Woord. Maar daarom laten de gereformeerden maar niet toe, dat door Jan en alleman de belijdenisschriften intusschen als oud roest behandeld worden. Want die dat wel zouden willen doen, verstaan niet wat kostelijken schat de Heere in de belijdenisschriften ons gegeven heeft ; nog zoo juist passend in het kader van de Gereformeerde Kerk van thans, die niet anders wenscht te weten en te gelooven en te belijden, dan wat God in Zijn Woord ons heeft geopenbaard. En het is iets, waarop het antwoord niet .moeilijk te geven is, als we vragen, of ons tegenwoordig geslacht wel in staat zou wezen, om in zoó kloeke taal, zoo teer en zoo heerlijk te vertolken, wat naar de Schriften is en wat leeft in de harten van duizenden en tienduizenden in dezen lande en overal waar gereformeerden, geestverwanten van Calvijn, gevonden wordein ?

Neen, de gereformeerden zeggen niet: niet het leven, maar de leer.

Ze weten wel beter.

Laten de ethischen met name ophouden het zóó wel voor te stellen.

Het is juist de gereformeerde theologie, die het dogma niet veracht, maar dan ook belijdt, dat het ware, zaligmakend geloof méér is dan een kennen en weten ; dat er naast en bij het kennen en weten een hartelijk, een vast vertrouwen des harten moet zijn, dat de Heilige Geest in het harte van Gods kinderen werkt, waarbij de geloovige persoonlijk Christus wordt ingelijfd, Hem komt te omhelzen en aan te nemen, om alzoo te mogen belijden : ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij.

Zonder dat genadeleven ; zonder dat liefdeleven ; zonder dat geloofsleven ; zonder dat leven hetwelk vrucht is van Gods Geest, is de mensch dood en heeft hij niets voor de eeuwigheid.

Maar daarbij laat de gereformeerde Gods Woord niet los.

Daarbij veriiest hij 't objectieve niet, dat de Heere in de Heilige Schrift gaf.

Daarbij zegt hij niet, dat de leer gemist kan worden.

Neen, een gereformeerde zegt: leer en leven hooren bij elkaar.

En daarom is de redeneering : „niet de leer, maar het leven", onhoudbaar.

Den gereformeerden weg zal men — ook. de ethische — weer moeten leeren kennen en waardeeren, en men zal, als het over het ware geloof gaat, weer kloek als echte gereformeerden moeten leeren belijden :

„Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft' (dat is het eerste), maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om der verdienste van Christus wille." (Dat is het tweede). Zie Cat. Zondagsafd. VII.

Zóó hoort leer en leven bij elkaar. De leer — opdat alles wat God ons geopenbaard heeft helder wordt ingedacht, nagesproken, beleden, verbreid, verdedigd. De leer — opdat alles niet vervluchtigt wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft; en stuk voor stuk van de waarheid te loor gaat. De leer — opdat de mensch niet leve bij allerlei losse, subjectieve, persoonlijke, invallen en gedachten en ideeën ; maar opdat de Kerk des Heeren door Gods Geest geleerd en geleid, kloek belijde lin de geslachten wat God zelf ons heeft geopenbaard en wat in wezen voor alle eeuwen hetzelfde is. En dan die leer beleven, met een ziele die levend gemaakt is, verlicht, verblijd door Gods Geest; niets liever begeerend, dan om Gods deugden te verkondigen, biddend : „och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, mocht Die mij op mijn paan ten leidsman strekken." 

Leer en leven. Den Naam des Heeren belijdend en voor Zijn aangezichte in oprechtheid wandelend, opdat Hij eere ontvange, opdat onze ziel getroost worde en opdat onze naaste voor Christus mocht gewonnen worden, in den weg van Gods Woord.

De Raad van Beheer.

Men heeft onzen plaatseiijken Kerken weer een nieuw juk opgelegd. Er is weer een nieuw regeerlichaam in onze Kerk bijgekomen, waar alle plaatselijke Kerken mee van doen krijgen, terwijl zulks in 't geheel niet past bij ons kerkelijk leven als zoodanig. De stralen van al de plaatselijke gemeenten moeten loopen naar de Centrale Kas en naar den Raad van Beheer. Maar dat hebben we nooit gehad. Boven de plaatselijke gemeenten hebben we de classis en boven de classis de provinciale kerkelijke regeling en boven de provinciën staat dan weer de Synode. Maar dat is nu anders geworden. Nu is er een centraal lichaam, de Raad van Beheer, dat alles aan zich trekt, dat aan elke gemeente een aanslag thuis stuurt, van elke gemeente dien aanslag invordert, zonder grondslag voor den aanslag aan te geven, om dan uit de Centrale Kas aan de verschillende plaatselijke gemeenten gelden te distribueeren ten behoeve van de predikantstractementen, althans wat betreft de jaarlijksche verhoogingen en de kindergelden.

Men voelt dat op deze wijze de vrijheid der bizondere gemeenten gevaar loopt op te houden. Door een Commissie of Raad voor alle Kerken sluipt de regeering van weinigen in ons kerkelijk leven zoodanig binnen, dat we daar geen vrede mee kunnen en mogen hebben. De Raad van Beheer moet dan ook zoo spoedig mogelijk wèg en we moeten een regeling krijgen, waarbij niet de plaatselijke Kerken, zonder tusschen vergaderingen, tot eene eenheid verbonden worden. Hier moet de oude kerkelijke weg : Kerkeraad, Classis, Provincie, Synode gevolgd worden voor 't geen in betrekking tot de predikantstractementen en emeritaats pensioenen te regelen is.

De bezwaren tegen hetgeen de Raad van Beheer gedaan heeft worden meer en meer gevoeld en er wordt openlijk over gesproken en geschreven, 't Lijkt ook nergens naar !

Een algemeen bezwaar is, dat alle tractementen, ook de zeer hooge (door pastoralia of wat ook) nog verhoogd kunnen worden met de periodieke verhoogingen en de kindergelden, uit de Centrale Kas te betalen. Dat is in 't geheel niet noodig natuurlijk en zoo wordt het misnoegen niet ten onrechte grooter. En er zijn er, die zeggen : we geven mee daarom niet, omdat we njet willen, dat de hooge tractementen er mee van profiteeren. Daar is het geld niet voor !

Hier ligt weer een bewijs, dat de zaak niet genoeg doorgedacht is en de Synode, onder de zweep van den Bond van predikanten, het reglement maar heeft aangenomen, zonder zelf te weten hoe alles loopen zou.

Hierbij komt, dat de Raad van Beheer maar taxeert en aanslaat, zonder eenige nadere toelichting en zonder een maatstaf te geven, waarnaar de aanslag plaats vond. Men hoort dan ook van de gekste dingen, dat de éene gemeente zooveel en dat de andere gemeente zooveel moet betalen aan de Centrale Kas — waardoor de vreemdste verhoudingen komen — terwijl men óok leest b.v. nu weer van Naaldwijk, dat men was aangeslagen voor f 1645.—, maar dat men nader is aangeslagen voor f 1245.—. Waarom ? Ja — vraagt dat maar niet ; want een algemeene maatstaf als b.v. bij de belastingen is er niet. De Raad van Beheer schat en beslist en dan is 't zoo.

Daarbij zijn de aanslagen aan de Kerkvoogdijen gezonden. Waarom ? De directeur van den Raad van Beheer, mr. Bartels zegt: tomdat men van oordeel was, dat volgens algemeen kerkelijk gebruik het adres der gemeente, wat haar geldzaken betreft, gevestigd is bij de Kerkvoogdij. Maar de Synode heeft niets over het beheer te zeggen. En de gemeenten worden aangeslagen, waaribij de Kerkeraad dan toch het lichaam is, dat de gemeente bestuurt.

Ook dit geeft weer groote ontstemming ; en het doet weer hooren: de Synode mag zich niet met het beheer bemoeien, terwijl de Raad van Beheer 't nu toch doet. Ds. A. v. d. Heide, van Britswerd, wiens artikel we voor ons hebben, terwijl we dit schrijven, zegt daarvan : „Het opleggen van den aanslag aan de kerkvoogdij gaat uit van de onderstelling, dat de Synode recht heeft in het beheer in te grijpen en een deel van de inkomsten op te eischen voor de instandhouding van de Kerk. Dat punt staat juridisch niet vast. Dan mag men ook niet doen alsof het wel vaststond, of om aan dit probleem te ontkomen, betoogen dat het hier een andere vraag dan een juridische is.

Het is ook een andere vraag, maar óók een juridische. Geen redeneering kan dit feit bemantelen." (Het Orgaan van de Ver. van Kerkvoogdijen, Febr. 1922).

We stemmen mr. Bartels toe, dat alles niet inééns goed geregeld kan zijn.

Maar alles bewijst, dat men het te ondoordacht en te geforceerd heeft willen in orde maken, wat er aan de regeling van de predikantstractementen ontbreekt.

Laat men deze zaak evenwel heel anders aanpakken ; en wel in den kerkelijken weg, dan zal men veel verder komen en veel meer bereiken, waarbij veel onnoodige franje vervallen kan en de hoofdzaak misschien kan worden bereikt, dat elke gemeente doet wat in haar vermogen is, dat de zwakke gemeen ten worden geholpen en dat vooral de emeriti predikanten en weduwen en weezen van predikanten behoorlijk door de Kerk kunnen worden verzorgd.

Hoe meer op goede gronden om intrekking van het nu gegeven reglement wordt gevraagd, hoe meer kans er is, dat het verkeerde verdwijne en het betere er voor in de plaats kome.

Wat is ethisch ?

Ja — dat is een puzzle. Dat is een raadsel en dat zal nog wel een poosje een raadsel blijven. Want als men meent, dat men er iets van begrepen heeft, dan komt een ander die het weer wèg redeneert.

Men zegt over het algemeen, dat de Ethischen zich nog al voelen. Zij zijn de wetenschappelijke, de (beschaafde, de kundige menschen. Daarom hebben ze liefst de meerderheid in de Besturen.

Als de tijd eens komen moest, dat de Confessioneelen en de Gereformeerden de meerderheid in de Besturen en Colleges krijgen, dan is 't met onze Hervormde Kerk verloren

Dat ze graag vooraan zitten, 'komt ook een inzender in het Handelsblad (zeker geen lid van den Gereformeerden Bond of zoo iets !) betoogen. Want die schrijft dit rake stukje in betrekking tot de Ned. Herv. Predikantenvereeniging :

„Het is al ethisch wat de klok klinkt. Het programma voor de aanstaande vergadering geeft de namen van Gronemeyer, Van Gheel Gildemeester, Berkelbach van der Sprenkel, Van Rhijn, De Vrijer en Slotemaker de Bruine. Zou een congres, door de „Ethische Vereeniging" belegd, zich een beter programma kunnen samenstellen ? Geen schijn of schaduw van een Confessioneel of een „Bondsman."

Merkwaardig is in dit verband ook de aanbeveling voor twee bestuursleden. In de vac.-De Vrijer worden drie hecht-en weidoortimmerde Ethischen aanbevolen : Berkelbach, Korff en Prof. de Zwaan. En in de vacature van den Confessioneelen mr. J. Schokking heeft maar één lid der Confessioneele Vereeniging 't zoover kunnen ibrengen, dat hij op de voordracht kwam : dr. Troelstra. Naast hem heeft men gezet de h.h. prof. Aalders en dr. Plooy."

Dus nogal schrokkerig van aard (wat intusschen heelemaal niet deftig is).

Tenzij er weer een Ethische komt, die zegt, dat het heelemaal niet waar is en dat de Ethischen zéér bescheiden zijn in hun eischen en den Confessioneelen en Gereformeerden ook, — ruim van hart! — een behoorlijke portie gunnen.

Want daar moet men op rekenen.

Immers is wel eens gezegd : de Ethischen behooren bij de Orthodoxen.

Maar dan komt er wezenlijk en waar weer een Ethische die zegt : de Modernen kunnen we ook gebruiken.

Wat moet men er toch van denken ?

Minister De Visser heeft het er ook weer niet makkelijker op gemaakt. Want die heeft gezegd, als men weten wil wat ethisch is, dan moet men Gunning en Bavinck maar nemen en lezen, dan weet men het.

Zoo is Ethisch dus van alles en nog wat. De Modernen wil men wel.

De Modernen wil men niet. Alle plaatsen wil men wel. Alle plaatsen wil men niet.

De Bijbel is niet Gods Woord, maar Gods Woord is in den Bijbel. Tegelijk zegt men : de Bijbel is Gods Woord, maar in ethischen zin. Ra, ra , wat is dat ?

Is het wonder, dat ons volk zegt, dat Ethisch is : onbelijnd, onbestemd, slap orthodox, geen vleesch en geen, visch ; — om zich daarom van de Ethischen af te wenden ?

Een puzzle is het en blijft het voortoopig.

Waarbij ons in „B e r g o p w a a r t s" (van 18 Maart 1.1.) een woord van ds. Hoek trof, dat we hier gaarne Afermelden in dit zelfde artikel.

Ds. Hoek zegt, dat er groot gevaar is dat het tot een dogma wordt, door Ethischen en niet-Ethischen beleden, dat de ethische theologie is als een sphinx, die eeuwig glimlacht en eeuwig zwijgt. Maar dat behoeft toch niet, als we de ethische theologie zelve maar laten getuigen en dan willen luisteren, naar wat de ethische theologie zelve ons over haar wezen te zeggen heeft.

Dat is heel mooi gezegd door ds. Hoek. Maar waar is die ethische theologie ?

Is dit prof. Obbink, Prof. Cramer, ds. Netelenbos ; of het weekblad „Bergopwaarts" misschien ?

Ja — daar zit weer de moeilijkheid.

Maar ds. Hoek weet raad en zegt : „het is in dezen tijd van hopelooze verwarring een troost te bedenken, dat wij nog altijd als een levende sprake het woord van de la Saussaye Sr. en Gunning bezitten. En wanneer wij ons de moeite willen geven, aandachtig naar hun woord te luisteren, zullen wij zien, hoe het duister wijkt."

„Staan wij rechts of links van de groote lijn, die de geesten scheidt ?

Dit is onder alle vragen toch zeker wel de hoofdvraag.

Is er een duidelijk antwoord ?

Wie de la Saussaye Sr. en Gunning kent, behoeft met het antwoord waarlijk niet verlegen te staan.

Want over-duidelijk zeggen zij ons, dat de ethische theologie niets anders is, dan een nuance van het orthodoxe christendom, of liever het orthodoxe christendom tout court. ,

Onze Vaderen hebben in Jezus Christus als in den God-mensch geloofd. Zij hebben beleden, dat Hij is het goddelijk offerlam, dat de zonden der wereld draagt en wegneemt. Met de gemeente, in wier geloof zij geloofden, konden zij zingen : „Jezus Uw verzoenend sterven, blijft het rustpunt van ons hart." En om dit alles wisten zij zich door een onoverbrugbare kloof gescheiden van alle vrijzinnige theologie.

Zij waren ethisch en orthodox, ethischorthodox, en als zij een van deze beide namen hadden moeten prijsgeven, het zou de eerste en niet de laatste geweest zijn.

.Moet ik ter staving van mijn beweringen nog citeeren ? Een citaat, gegrepen uit het boek, dat toevallig op mijn schrijftafel ligt, volsta.

„In de drie Synoptische Evangeliën, „evengoed als in dat van Johannes zijn „de meest kenmerkende woorden van „Jezus, buiten de onderstelling zijner „Godheid onverstaanbaar en ongerijmd.

„De geschiedenis van dit leerstuk bewijst , dat de richtingen, die Jezus' Godheid ontkennen, in den loop der tijden „altijd tot ontkenning van het geh e e 1 e „Christendom voortgaan."

(Gunning, in Protestantsche Bijdragen, I Jaarg., fclz. 181).

Genoeg.

De ethische theologie is van oorsprong orthodox.

En daarom heeft geen heel of half vrijzinnige het recht, zich het praedicaat „ethisch" toe te eigenen, hoe verleidelijk het ook in zijn oogen schitteren moge.

Zulk een toeëigening strijdt met de meest elementaire wetten van historische eerlijkheid.

Ik wil den lezer niet beleedigen, door dit uitvoerig te betoogen.

Laat mij slechts één concreet voorbeeld geven.

Wanneer men mij vraagt, welken richtingsnaam ik naar de schoonheid van zijn etymologische beteekenis, het liefst zou willen dragen, het zou natuurlijk de naam „evangelisch" zijn. ,

Maar de historie verbiedt het mij.

Want in de vorige eeuw zijn de oude Groningsche theologen gekomen en hebben op dien naam beslag gelegd. Wij mogen dit betreuren, het feit staat nu eenmaal daar. Zoodat als ik, niet-Groninger, mij toch „evangelisch" noemen ging, ik zondigen zou tegen het gebod, dat zegt : gij zult niet stelen.

Het zelfde geldt van den naam „ethisch."

Slechts wie zich, gelijk schrijver dezes, eerlijk met de la Saussaye en Gunning, de mannen, die het vyoord „ethisch" genomen en met het stempel van hun geest gestempeld hebben, homogeen kan verklaren, heeft recht dien naam te dragen."

Hierin zegt ds. Hoek, van Laren (Geld.) veel goeds, dat we waardeeren.

De Ethischen zijn dus orthodox. Ze staan rechts. „De richtingen, die Jezus' Godheid ontkennen, zijn in den loop der tijden altijd tot ontkenning van het g e h e e 1 e christendom voortgegaan."

Maar dan tooh in Apeldoorn zoo'n briefje : kom, Modernen, maar bij ons.

Neen — heelemaal duidelijk is het ons nog niet.

En we vreezen, dat het subjectivisme de Ethischen van alle dogma's, van alle kerkelijke leerstukken zal vervreemden en de grenzen zóó zal verflauwen, dat men zeif niet meer zeggen kan, wat Ethisch is en anderen het ook niet meer weten.

Dan alleen, dat het onbestemd, vaag, onbelijnd, onzeker, onvast is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's