De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op Kerkelijk Erf

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op Kerkelijk Erf

15 minuten leestijd

III.

Geen tolerantie.

Ook in ons vaderland bleek derhalve alras, dat er in het geestelijk proces ten tijde der Reformatie drijfkrachten werkzaam waren, die in wezen ongelijk en zelfs wederkeerig vijandig waren. Vooral in Holland, waar het Calvinisme zich stoute aanhangers en verdedigers verwierf, die in de kracht van hun geloof heldhaftigen steun en stut verleenden in den kamp tegen pausdom en vreemde overheersching, moest de stoere geest van den Geneefschen hervormer den Libertijnschen vrijheidszin prikkelen. Immers de belijdenis van de absolute souvereiniteit Gods en de eerbied voor de Heilige Schriftuur, alsook de teedere afhankelijkheid van het Woord en de gehoorzame onderwerping aan zijn goddelijk gezag, die de geschriften van Calvijn kenmerken en van zijn waarachtige vroomheid getuigen, zijn den Libertijn even zoovele hinderpalen voor de verwezenlijking van een vrijheid, die hij wenschelijk acht voor zichzelf en de ontwikkeling van het volk.

De 16de eeuw was dan ook niet verdraagzaam en — het werd reeds opgemerkt — den Calvinisten inzonderheid wordt het verwijt van onverdraagzaamheid naar 't hoofd geslingerd, niet zelden in bewoordingen, die het misnoegen van den geschiedschrijver moeilijk kunnen verbergen. Ongetwijfeld kenmerkt het Calvinisme zich door een geest, die in zijn openbaring en onverzettelijk streven bij den niet-Calvinist den indruk van onverdraagzaamheid kan wekken en het valt niet te ontkennen, dat onverstandig 'drijven vaak onnoodig en ongewenscht een onjuiste waardeering van zijn beginselen in de hand werkt. Doch even zeker is het, dat het onverdraagzaam karakter van 'de 16de eeuw ook door sociologische factoren werd bepaald en in zijn algemeenheid verklaard. In verband daarmede is er dus gereede grond om aan te nemen, dat het Calvinisme dien invloed mede ondervond en krachtens zijn ijver voor Kerk en confessie het oordeel der onverdraagzaamheid te meer op zich vereenigde.

Toch meenen wij, dat het Calvinisme in wezen aldus verkeerd wordt beoordeeld en ten onrechte onverdraagzaam wordt geheeten, ofschoon het begrijpelijk is, dat een geest van Libertijnsche overtuiging het moeilijk anders kan zien. De positieve religie toch verschijnt met een geloofsovertuiging en beschouwing der dingen, die in velerlei opzicht te weinig ruimte laat voor hem, die zich autonoom waant. Wij noemen silechts de leer van de souvereiniteit Gods en de erkentenis der Schriften als Zijn bijzondere openbaring om niet te spreken van het leer­stuk der praedestinatie, dat 'voor velen een steen des aanstoots is.

Het is dan ook onbetwistbaar zeker, dat het menschenhart uiïgaat naar een staat van geluk en vrede en vast houdt aaneen hope, door velerlei idealen en droomen versierd, dat het lijden van den tegenwoordigen tijd eens zal verwisseld worden met een toestand van harmonie en volkomenheid. Het zou niet moeilijk vallen dit nader aan te toonen, doch wij willen ons thans daarin niet begeven. Hoe verschillend ook de voorstellingen zijn van een verlossing uit den moeizamen strijd van het heden en omtrent den weg, die tot overwinning van alle ellende zou kunnen voeren, in het algemeen kan men zeggen, dat de zaligheid voor allen een zeer begeerd goed is, op voorwaarde, dat ieder op zijn wijze kan zalig worden.

Dit nu snijdt de religie der Schriften af. Zij teekent den mensch in afhankelijkheid van zijn Schepper, die krachttens Zijn souvereiniteit hem met heerschappij bekleedt en zijn gehoorzaamheid eischt. Zij stelt die betrekking tot den Schepper universeel, wijl in den eersten mensch de gansche menschheid besloten lag. Uit denzelfden grond viel ook het gansche geslacht, toen de zonde in deze wereld inkwam, gelijk ook het oordeel der goddelijke Gerechtigheid over allen gaat, die de mensohelijke natuur zouden dragen, zooals geschreven is : W a n t z ij hebben allen g e z o n d i g d e n d e r ven de heerlijkheid Gods (Rom. 3 : 23).

Het Calvinisme ziet derhalve het gansche geslacht onder het aspect van zonde en vloek: Daarbij komt, dat veriossing en heil enkel is weggelegd in den Christus der Schriften, voor degenen, die Hem gegeven zijn. Immers door Zijn vleeschwording nam de Zone Gods de menschelijke natuur aan en stelde zich onder den vloek, die haar aankleeft. Hij werd als onzer een, schoon zonder zonde. In Zijn opstanding stond niet alleen Davids Zoon op als de nieuwe mensch, maar in Hem de gansche gemeente des Heeren, welke in Hem gelouterd en geheiligd in heerlijkheid zal worden geopenbaard. De innerlijke kracht des geloofs, de zekerheid des heils, ligt derhalve in het feit, dat de zondaar ontdekt voor den rechterstoel Gods tengevolge van een levenwekkende werking des Heiligen Geestes ook door Zijn getuigenis vrijspraak erlangt van het strenge oordeel Gods en deelgenootschap aan de schatten en gaven in den Christus weggelegd voor de uitverkorenen.

Dit innerlijik getuigenis des Heiligen Geestes, het geloof en de geloofsverzekerdheid is het eigenlijk beginsel der Reformatie. De werking des Woords bij den arbeid des Geestes in de openbaring van Zijn volk getuigt daarbij van Zijn goddelijk gezag en dwingt daarvan de erkentenis af.

Het is dus duidelijk, dat het Calvinisme met de prediking van algemeene doemwaardigheid, doch van particuliere genade des heils in botsing komt met degenen, die de strengen des evangelies los maken. Kan het nu op zichzelf onverdraagzaam genoemd worden, dat het uitkomt voor de heilige overtuiging des harten, tenzij men aan zulk een overtuiging twijfelt ? Krachtens de belijdenis van den souvereinen God, geboren uit het getuigenis van den Heiligen Geest, kon het Calvinisme niet gedoogen, dat aan de groote beginselen werd getornd door een libertijnschen geest. Wil men desondanks zijn oordeel handhaven en versterken met de beschuldiging van leerdwang, dan heeft men zich te laten welgevallen, dat de bal terugkaatst op den beschuldiger, die tegen over den ijver voor Kerk en confessie van den Calvinisme alle krachten inspant om eigen meening te vestigen en het Calvinisme te bestrijden.

Tegenover Trigland, den ijveraar der Gereformeerden, staat Coornhert, een man, veelvuldig geroemd wegens de vrijmoedigheid, waarmede hij voor de vrijheid van overtuiging in het krijt trad. Zijn optreden wordt als volgt beoordeeld : „Zelf in voortdurende polemiek met de toongevers in de Kerk gewikkeld, was het hem onmogelijk zijn tegenstanders juist te beoordeelen. Zonder waardeering van hun groote verdiensten in den strijd voor het gezag der Kerk als het hechtste bolwerk tegen Spanje en Rome, zonder eerbied voor hun innige geloofsovertuiging, zag hij in de predikanten slechts stokebranden en ketterjagers. Zijn groote fout is geweest, dat hij, die voor zichzelf volle vrijheid van overtuiging eischte, deze niet gunde aan anderen, althans niet wenschelijk oordeelde, dat zij er voor uitkwamen; dat hij van oordeel was, dat onder de Gereformeerden geen heilige o V e r t u i g i n g w a s ; d a t h ij e e n V ijand van den godsdienst zag in elk, die er anders over dacht dan hij. Kwam er tegen op, dat anderen meenden in het bezit der waarheid te zijn, 't heeft er dikwij1s veel van, of hij oordeelde zelf alleen in het bezit daarvan te wezen". ^)

Wat meldt dit oordeel van een in deze onverdacht getuige omtrent het gedrag van den Libertijn Coornhert, zij het ook als „groote fout" afgekeurd, anders dan een .bewijs, 'dat de „onverdraagzaamheid" niet in "het bijzonder aan het Calvinisme eigen is geweest. Waartoe zou een geest als Coornhert gekomen zijn, indien hij beschikt hadde over een organisatorische kracht, die het Calvinisme kenmerkt en het Libertinisme uit den aard der zaak ontbreekt. Het lijdt geen twijfel, of hij zou de scherpste inquisitie tegen de Gereformeerden hebben ingesteld. 

De onverdraagzaamheid ligt dernalve m het exclusief karakter van de geestesstroomingen, die in de gisting van deze periode aan den dag treden. Calvinisme en Libertinisrne zijn geen loten uit èèn wortel. Dit zou vooral uitkomen in sociaal licht, want hoewel de Gereformeerden vóór alles ijverden voor Kerkorde en confessie, zoo sluit dit: niet uit, dat zij ook het welzijn van het volk als geheel beoogden. Het ligt dus voor de hand, dat zij voor allen goed dachten, wat hun persoonlijk voor tijd en eeuwigheid vrede schonk en hun welzijn verzekerde, terwijl zij zonder over dien vrede en het welzijn ook maar te kunnen beschikken in de Kerk het orgaan zagen, waarvan de Koning der Kerk zich bedienen wil om Zijn gemeente te vergaderen en dus ook, dat allen gehouden zijn zich bij de Kerk te voegen. ^) De innige overtuiging van in het Woord, de openbaring der goddelijke waarheid te bezitten, dreef bij de machtige conceptie van het Calvinisme tot gehoorzaamheid aan de beginselen in het persoonlijke en openbare leven en schonk daaraan de organisatorische kracht, die het openbaarde. De souvereiniteit Gods gaat over allen en heeft recht op erkentenis van allen tot Zijn eere en het gemeenschappelijk welzijn des volks.

Het Libertinisme bedoelde krachtens zijn Humanistische beginselen voor alles de bevordering der cultuur en de verlichting der massa en achtte de geestelijke vrijheid daartoe allereerst noodig, zooals wij vroeger reeds hebben aangetoond. Daardoor kon het in het Calvinisme slechts zijn vijand en tegenstander zien, gelijk dit het Libertijnsche beginsel als goddeloos moest afkeuren. De zucht naar dispuut en de speurzin naar ketterijen werd daarbij niet weinig versterkt door het feit, dat de Libertijnen eveneens steun zochten in het gezag van Gods Woord en daarmede hun eigen overtuiging zochten te dekken. Derhalve verschenen de geschillen vooreerst in het licht van leergeschillen in kerkelijke aangelegeniheden en geloofszaken. Later zou blijken, dat het beginsel der Libertijnen onvereenigbaar was met het Schriftgezag en daartegen ook een heftig verzet verwekte.

Wat echter den strijd vooral verscherpte, was het toenmalig sociaal gevoelen, dat slechts alleenheerschappij van een overtuiging wenscht en geen plaats laat voor de particuliere overtuiging van de persoonlijkheid. Dus streefde iedere groep, die als zoodanig zekere leer aanhing naar de alleenheerschappij, d.w.z. zij streefde er naar dat haar wil werd belichaamd in den wil van den Staat. Daaruit werd het conflict tusschen Kerk en Staat (dus geboren, toen het bleek, dat de Overheid niet van zins was de Kerkorde der Gereformeerden te aanvaarden, terwijl de Kerk zich niet' dienstbaar wenschte te stellen aan den Staat. Van grooten invloed was in deze zaak de Calvinistische beschouwing van de Overheid als Gods dienares, welke aldus verplicht werd geacht de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst (art. 36 Ned. Gel. Bel.).

Dat ook andere factoren dan religieuse in den strijd werkzaam waren, blijkt uit de pogingen van politieken en Libertijnen om hun inzichten tot algemeene gelding te brengen. Eigenaardig doet het aan, dat de Libertijnsch gezinde regenten een officiëele Kerk wenschten en afwijking daarvan tegenstonden.Het sociale overheerschte dus zoodanig, dat men zich geen vredig naast elkander bestaan van verschillende overtuigingen kon denken. ^)

In wezen is het Calvinisme volstrekt niet meer onverdraagzaam dan het Libertinisme, doch aan kracht wint het ongetwijfeld, indien het wordt gedragen door innerlijke geloofsovertuiging. Zonder deze vervalt het dra tot levenloos dogmatisme en een verkeerden ijver of roept een eenzijdig en ongezond piëtisme wakker, waaraan de tucht der rede ontbreekt waarbij vaak .het Woord wordt losgelaten en de hooge roeping der Kerk verzuimd. Het sociaal bewustzijn der I6e eeuw kwam echter het Calvinisme te hulp en versterkte den gemeenschapszin, die tot het wezen der religie behoort. Later hopen wij aan te toonen, dat een toenemend individualisme niet weinig bevorderd door den invloed van den Libertijnschen geest ook het kerkelijk bewustzijn deed verbleeken en de verbrokkeling van het kerkelijk leven ten gevolge had. In dezen verzwakten vorm boette het Calvinisme zijn beste krachten in en schoon ook de waarachtige vroomheid nimmer geheel teloor ging, verkeerde niet zelden de deugd in ondeugd. Niet steeds ging aan den Gereformeerden naam geestelijke waarachtigheid gepaard en dien tengevolge nam een onverdraagzame geest de overhand, die meer Calvinist dan Calvijn schade berokkende aan den bloei van gezond kerkelijk leven.

Calvijn was niet onverdraagzaam. Hooren wij hemzelf: „Hoewel dan God alleen de Zijnen kent, gelijk gezegd is, zoo heeft Hij nochtans, dewijl Hij zag, dat het eenigermate tot ons profijt en voordeel dienstig was, dat wij wisten, wie wij voor Zijn kinderen houden moeten, ook in dit opzicht zich gevoegd naar ons begrip en verstand. En overmits de verzekerdheid des geloofs ot zulk .een wetenschap niet noodig was, zo heeft Hij in plaats daarvan een zeker oordeel der liefde gesteld, door 't welk wij voor lidmaten der Kerk zouden (houden degenen, die door belijdenis des geloofs en door zuiverheid des levens, en door mededeelneming aan de Sacramenten God en Christus met ons belijden." ^) Verder zegt Calvijn : „Want het kan gebeuren, dat wij diegenen, die v o 1 ge n s, o ns oordeel onder degodvruchtigen gansch niet behooren, nochtans als broederen behandelen en voor geloovigen houden moeten, wegens de gemeenschappelijke eendrachtigheid en toestand der Kerk, waar door zij geduld worden in het lichaam van Christus. Zoodandgen worden door ons advies niet' gekeurd en gekend voor lidmaten van de Kerk, maar niettemin laten wij hen de plaats behouden, die zij onder Gods volk hebben, totdat hun die door wettig en behoorlijk recht wordt ontnomen. Anders moet men oordeelen en gevoelen omtrent een bijzondere Kerk, want als zij den dienst des Woords'en de bediening der sacramenten heeft en in eere houdt, verdient zij zonder twijfel voor een Kerk gerekend en gehouden te worden, wijl het zeker is, dat ze altijd eenige vrucht voortibrengt. Op deze wijze behouden wij de eenheid van de algemeene Kerk in haar geheel, daar de duivelsche geesten altijd gearbeid hebben om die te verscheuren ^).

Voorts handelende over de Kerk lezen wij : „Deze twee dingen moeten dan vast en zeker blijven, vooreerst; dat hij niets tot zijn verontschuldiging heeft, die uit eigen beweging de uiterlijke gemeenschap der Kerk verlaat, waar Gods Woord gepredikt wordt en de sacramenten worden bediend ; ten andere, dat de gebreken 't zij van weinigen, 't zij van velen ons niet verhinderen lons geloof behoorlijk te belijden en te beleven door het oefenen der ceremoniën, die door God ingesteld zijn. Want de godvruchtige conscientie wordt niet gekwetst door de onwaardigheid van een ander, 't zij hij een leeraar is of een gewoon man, de sacramenten zijn ook voor een heilig en oprecht man niet te minder rein en heilzaam, omdat zij tegelijk door een onreine aangeroerd worden". ").

Wij willen in dit' verband niet voortgaan met Calvijn aan te halen en zouden liever wenschen, 'dat zijn onderwijzing zelf ter hand genomen werd om te onderzoeken, wat hij geleerd heeft. De hoogbegaafde denker kende de listen van Satan en de boos heid van het zondige hart te wel om onverdraagzaamheid en onbarmhartigheid te kweeken. Met temeer eerbied beluisteren wij hem als de eere Gods en het gezag van Zijn Woord door hem worden gepredikt met een teedere vroomheid des harten, waarin zijn verborgen kracht school. Als de aardsche macht de ordinantiën Gods te buiten gaat, voor wien ook de hemelsche vorsten buigen en een gehoorzaamheid eischt, die de gehoorzaamheid aan den Auüeur van alle hoogheid in den weg staat, 'aanvaardt hij 's konings toorn en bode des doods om standvastig te weerstaan, wijl de hemelsche Heraut door Petrus gebiedt: dat men Gode meer móet gehoorzamen dan de menschen. Wanneer het de eere Gods en het gezag Zijns Woords geldt heeft Calvijn geen tolerantie.

Wil men het Calvinisme daarom onverdraagzaam heeten en toeschuldigen van leerdwang, — het zij zoo. De verdraagzaamheid gaat niet tot in den dood. Hel' Calvinisme kan niet aflaten van de belijdenis van de autoriteit der H. Schrift als Gods bijzondere openbaring, wijl het Woord is de z i e 1 van de Kerk. Strevende naar souvereiniteit in eigen kring en een kerkelijk leven overeenkomstig den eisch van het Woord, heeft het Calvinisme te waken, dat geen macht zijn recht poogt te besnoeien. Gedragen door geestelijke waarachtigheid heeft het daarbij op de hulp van den Koning der Kerk te rekenen.

De wisseling der tijden heeft bovendien verandering gebracht in de gesteldheid van de sociale ziel. Schoon er ook een idealisme leeft, dat eens verwezenlijkt de individueele vrijheid geheel zou inperken, indien het mogelijk ware, is de huidige maatschappij ondanks allen socialen arbeid een hopeloos beeld van verbrokkeling. Het individualisme is voorloopig den vreesachtige nog een waarborg tegen de inquisitie van de „Calvinistische ketterjagers". Overigens is het overbodig, dat het Calvinisme censuur zou oefenen over hen, die zich tot eigen schade hebben geoordeeld, door willens en wetens te breken met den God der Schriften. Intolerant, wanneer de vrijheid in eigen kring wordt' bedreigd, zal het Gereformeerde volk zijn roeping hebben te verstaan. Tegenover degenen, die den Christus verwerpen, zij het gedachtig aan het woord van den apostel betreffende den Jood, wien de Gekruiste een rots der ergernis en een steen des aanstoots is : Broeders, de toegenegenheid mijns harten en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hunne zaligheid. Rom. 10 : 1. Doch het beginsel worde niet prijsgegeven uit vrees of om menschengunst. Als dat in het gedrang komt, wijst de peilschaal des geloofs : geen tolerantie.

Dordrecht. J. Severijn


1) Reitsma t.a.p. 3e druk 1916, blz. 420. Spatiëering is van o^s.

-) Vgl. Calvijn 'inst. IV.

-) Vgl. Calvijn Inst. IV. 1.

^) Cf. dr. E. V. Gelder. Zestiende-eeuwsche onverdraagzaamheid, sociologisch beschouwd. N.-Theol. Tijdschrift. 9e jaarg., afl. 1, 1920.

^) Inst. IV. 1. 8.

5) Inst. IV. 1.9.

«) Inst. IV. 1. 19.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Op Kerkelijk Erf

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's