Uit het kerkelijk leven.
De Hervormd Gereformeerden en de Gereformeerde Kerken.
Ds. C. B. B a V i n c k, Gerèf. predikant te Rotterdam, heeft op de jongste Predikanten-Conferentie een referaat gehouden, , over de vraag : „Welke zijn de oorzaken van het kerkelijk-gescheiden léven der Gereformeerden in Nederland ? "
Hierin werd ook gevraagd : Bestaat er geen kans, dat de achtergeblevenen'in de Ned. Hervormde Kerk tot de Gereformeerde" Kerken overkomen ? En ds. Bavinck geeft dan dit antwoord :
„•Voor velen, misschien wel de meesten van die Gereformeerden bestaat, geloof ik, die vraag niet. Zij hooren of kunnen hooren 'in hun steden en dorpen rustdag aan rustdag de Geref. waarheid uit den mond van ëen, hun geliefd. Gereformeerd prediker, die het den goddelooze aanzegt, dat het hem kwalijk, en den rechtvaardige, dat het hem wél gaan zal. Verder reikt hun blik niet. Waarom zouden zij dan zulk een kerk verlaten, die nog bovendien voor hen in een zekeren nimtus zich hult, omdat zij de kerk onwillekeurig verbinden met de plaats harer samenkomst, met het kerkgebouw. Die oude, massieve, schilderachtige gebouwen met hun hooge, artistieke torens en met het oud, dicht geboomte er omheen, die gebouwen, waarheen de voorgeslachten opgingen en op wier kansels eeuwen tevoren die godzalige leeraren hebben gestaan, zij wekken sterke emoties. 'Wij, die van jongsaf in de Gereformeerde Kerken zijn opgevoed, wij kennen zulke emoties niet en rekenen er ook te weinig mede en vergeten, dat dergelijke emoties in het leven van een complex van menschen vaak een veel grootere rol spelen, dan de zuiverste redeneeringen uit beginselen.
Anderen, niet zoozeer omdat zij zichzelf de vraag stellen, als wel oi^dat zij hun gesteld wordt, geven op haar een antwoord. En ik geloof, voorzoover wij, menschen, oordeelen kunnen, dat er mannen en vrouwen onder zijn, die de heilige overtuiging bij zich omdragen, dat zij de Ned.''Hervonnde Kerk niet niogen verlaten. Zij stemmen toe, dat haar vele gebreken aankleven, maar vinden haar nog geen patiënte, die ten doode is opgeschreven en aan haar lot moet worden overgelaten. De Belijdenis en de Kerkenordening zijn nooit wettig afgeschaft en gelden dus nog steeds in hun oog. Er uit te gaan zou voor.hen wezen ontrouw en plichts verzaking. Zij laten aan de Gereformeerden uit de Afscheiding en Doleantie hun oordeel over de Ned. Hervormde Kerk, kunnen tot op zekere hoogte waardeeren, wat er door dezen tot reformatie van het religieus en kerkelijk leven en tot verheffing van de Gereformeerde waarheid is geschied, maar hen volgen kunnen zij niet. Waar wij zulken aantreffen onder de Gereformeerden dn de Ned. Hervormde Kerk, zijn zij voor ons de edelsten onder de broederen, en wij kunnen hun, over de kerkelijke muren heen, nog de broederlijke hand reiken.
Minder sympathiek zijn ons diegenen, die met bitterheid vervuld zijn tegen de Gereformeerde Kerken. Ze zijn kerkistisch in de hoogste mate, zweren bij de Ned. Hervormde Kerk, verafschuwen de Gereformeerde Kerken en weigeren alle samenwerking en gemeenschap. En 't ergste is, als ge dan nog hoort, wat ik onlangs hoorde van een Gereformeerd predikant in de Ned. Hervormde Kerk, dat men de Gereformeerden in de Gereformeerde Kerken te licht vindt. Dan zou u, als de zaak niet zoo ernstig was, werkelijk een glimlach om de lippen kunnen komen. De Gereformeerden in de Gereformeerde Kerken te licht ? 't Kan zijn. Wij zullen niet zeggen, dat hier alles volmaakt is. Maar het doet u niet weldadig aan, het ergert u, dat te hooren uit den mond van een Gereformeerd predikant in de Ned. Hervormde. Kerk, alsof het dan zoo extra zwaar Gereformeerd was, in een kerkverband te leven én saam te loopen met zoovelen, die de fundamenteele stukken des Bijbels en der Gereformeerde waarheid loochenen. Men verwondere zich evenwel over zulke dingen niet al te zeer ! Die geheele Ned. Hervormde Kerk is een wonderlijk ding. Men staat er soms versteld over, wat al soorten van visschen in' dien eenen vijver zwemmen kunnen.
Alles tezamen genomen, geloof ik, dat wij voorloopig niet veel hope moeten koesteren op een massalen uitgang van Gereformeerden uit-de Ned. Hervormde Kerk, om over te gaan en toe te treden tot de Gereformeerde Kerken. Er .zijn verschillende oorzaken, meestal van emotioneelen aard, die ook de prineipiëele verdediging van-eigen standpunt beheerschen en den overgang tot de Gereformeerde Kerken beletten."
Mogen wij een enkele opmerking maken ?
Wij behooren niet tot degenen, die de Gereformeerde Kerken verafschuwen en weigeren alle samenwerking en gemeenschap. Maar wij hebben wel onze ernstige bezwaren.
Door de Afscheiding en de Doleantie is de Kerk onzer Vaderen, de Gereformeerde Kerk door God in dezen lande geplant, niet vrij gekomen. De bewegingen van 1834 en 1886 hebben niet aan het doel beantwoord. Wel is er een scheur getrokken tusschen broeders en zusters in den geloove ; een scheur in het familieleven, een scheur In het volksleven ; waarvan de vrucht is veel verdriet en veel versnippering van krachten.
In de Hervormde Kerk, ligt nog altijd de oude Gereformeerde belijdenis, die daar recht heeft, al wordt alles in «het werk gesteld, om haar invloed en kracht zooveel mogelijk te breken.
Dat wordt door de van ons gescheiden Gereformeerde broeders en zusters veel te veel vergeten. Wij moeten natuurlijk wel eens, dikwijls zelfs, op dat laatste den vinger leggen. En als we daarover schrijven, zijn de van ons gescheiden broeders er als de kippen bij, om dat den volke bekend te maken, Let maar op De Rotterdammer of de Kerkbode der Gereformeerden te Delft (ds. Hagen met name) enz. Maar als wij betoogen — en dat doen we ook nog al eens een enkelen keer! — dat de Gereformeerde belijdenis nog altijd-de grondslag van onze Hervormde Kerk is — tot roem van Gods genade — waarom allen, die Gereformeerd voelen in de Hervormde Kerk thuis hopren, en allen die principieel van die Gereformeerde belijdenis verschillen wederrechtelijk in de Hervormde Kerk zijn en dat, mee door eendrachtig optreden van de Gererormeerden, de Hervormde Kerk weer moet worden hersteld, om, als van ouds, des Heeren Naam-alom te belijden nar Zijn Woord, ziet, dan zijn onze gescheiden Gereformeerde broeders niet te spreken en hebben ze een medelijdend schouderophalen, alsof ze zeggen willen : hoort die tobbert nu eens praten. Om ons dan ook maar stil te laten tobben en Intusschen is het niet onduidelijk in den kring van de Gereformeerde Kerken te zeggen, dat de Gereformeerd Hervormden toch zoo'n schrikkelijke zonde doen door in de Hervormde Kerk te blijven.
Men heeft absoluut geen crediet voor den weg, dien wij bewandelen. Die weg is zonde in de oogen van de gescheiden broederen.
En daar blijft men maar bij. Omdat men eigenlijk niets van onze positie, van ons doen en laten weet en er ook eigenlijk heelemaal buiten leeft en buiten blijft. Wat de verhoudingen niet altijd even prettig doen zijn. Natuurlijk niet.
Hoe men over de prediking, over de geheele geestesrichting en de openbaring van het godsdienstig leven van de gescheiden broeders en zusters soms denkt onder Hervormden, schijnt ds. Bavinck te willen adresseeren aan een of ander ultra Gereformeerd predikant in de Hervormde Kerk en schijnt hij te willen beperken tot de prediking alleen. Dat vinden we oppervlakkig, om de zaken zóó te behandelen.
En we hebben oorzaak te over om te denken, dat men in de kringen van de gescheiden Gereformeerde broeders en zusters niet zelden doet alsof er in deze geen vuiltje aan de lucht is, terwijl men wel beter weet! Althans weten moest.
Men zegt dan doorgaans : natuurlijk, is bij ons ook niet alles volmaakt!
Wat zoo ongeveer beteekent: bijna toch wel.
Gelijk de modern-religieuse, wanneer hij zegt, dat de mensch nu wel niet volmaakt is, en er dan eigenlijk mee bedoelt, dat er wel een of ander gebrek zit, maar dat men niet van zonde enz. moet praten gelijk de orthodoxen doen ; want zóó erg is het niet.
Ook de rijke jongeling stond in dien weg. Hij was nog wel niet volmaakt en ihij was nog wel niet in den hemel. Maar als men hem maar even wilde zeggen, wat hem nog ontbrak, zou hij 't wel spoedig in orde maken, want hij was al van z'n jeugd afaan bezig met dit werk en het was hem niet onaardig afgegaan •
Jammer, dat die scheuringen op de erve der Kerk onzer Vaderen er zijn. Wat kon het niet geheel anders zijn in het midden van onze aloude Gereformeerde Kerk !
Natuurlijk zou de weg lang en bang zijn geweest voor de vrienden van die Waarheid, die naar Gods Woord is.
Maar dat had men moeten willen lijden, om intusschen pal te staan en zich niet af te scheiden van de broederen en de zusters, die op de plaatse waar de zonde is bedreven en de schuld tot God roept, ook er naar staan, dat de strik daar zal worden gebroken en de ware vrijheid, naar Gods Woord, kome op de erve onzer Vaderen, waar de Heere Zijne bemoeienissen zoo vele nog maakt en waar de Heere kennelijk den scheidsbrief nog niet gegeven heeft.
Dit is geen kerkisme.
Dit is liefde tot de Kerk onzer Vaderen, de aloude Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk, die nog een taak heeft te vervullen in het midden des volks als een getrouwe getuige van Jezus Christus.
Vluchtigheid.
De mensch wordt soms meer geleefd, dan dat hij leeft. De mensch kent haast geen stille oogenblikken meer ; geen mediteeren, geen stil gepeins. „Ik weet ter nauwernood dat ik leef" hoort men wel eens iemand zeggen.
De Nederlander nam er kort geleden een loopje mee, dat de mensch soms schijnt te meenen, dat hij onmisbaar is ; daarom laat hij zich overal voor gebruiken en vliegt door 't leven met een duizelingwekkenden haast, waarbij de mensch op 't laatst niet meer weet, dat hij leeft.
Het guitige artikeltje in de rubriek Echo's laten we hier volgen :
„Uit het college van professor Snuffel in de vaderlandsche historie van 29 September 2315 :
Het is u bekend, mijne heeren, hoe de eerste vijf en twintig jaren der twintigste eeuw zich kenmerkten door een toenemende nervositeit, door een geliaastheid zonder wederga daarvoor noch daarna, door een allermenschelijkst gevoel van onmisbaarheid van een aantal op den voorgrond treaende, veelal zdchzelf op den voorgrond geschoven hebbende personen. Het maakt op ons reeds een eenigszins lachwekkenden indruk in de geschiedenishoofdstukken over dien tijd herhaaldelijk namen aan te treffen van personen, die even spoorloos opdoken als verdwenen, doch gedurende enkele luttele jaren in een maximum aantal woorden een minimum van wijsheid verkondigden ; en die er (men moet vermoeden daardoor want van eenigerlei prestaties heeft men nooit iets kunnen ontdekken) die.er, herzeg ik, in slaagden aangezien te worden voor heele pieten.
Ik heb op dat gebied een speciaal onderzoek ingesteld, hetwelk verrassende resultaten opgeleverd heeft.^ Het toeval bracht mij op het spoor van eenige kisten met oude jaarboeken van vereenigingen en bonden (u zult u herinneren, dat men die eerste helft der twintigste eeuw den tijd der organisaties genoemd heeft). Ik zal u niet lastig vallen met een getrouwe inhoudsopgave daarvan. Slechts wil ik eenige frappante voorbeelden voor het maatschappelijk leven uit die dagen aanhalen.
Ik heb in die jaarboeken o.a. opgediept een zekeren mijnheer Zelfingenomen. Die mijnheer Zelfingenomen was eere-voorzitter van twaalf vereenigingen, voorzitter van een en twintig corporaties, en bestuurslid van nog veertien andere organisaties. Bij zijn begrafenis hebben twaalf menschen het woord gevoerd namens honderd en tien instellingen. Tevergeefs heb ik getracht iets terug te vinden van een gedenkteeken dat men op zijn graf opgericht moet hebben. Ik stuitte ook op een mr. dr. ds. ir. Hashashas, die secretaris is geweest van vier en veertig vereenigingen ; bovendien was die mijnheer nog advocaat en procureur, lector aan een hoogeschool, lid van een gemeenteraad, provinciale staten en de Eerste Kamer der Staten Generaal (men had toen nog het parlementaire stelsel zooals u zioh zult herinneren). Ook van dien mijniheer Hashashas heb ik na 1928 geen spoor meer kunnen ontdekken.
Het zal u natuurlijk duidelijk zijn, dat aan deze opeenstapeling van functies, ambten en betrekkingen een zeker gevoel van eigen onmisbaarheid ten grondslag lag. Maar dat zij evenzeer een gehaastheid veroorzaakte, welke ons met stomme verbazing slaat. Van dien mijnheer Hashashas las ik o.a. dat hij slechts drie uur per etmaal sliep, zich nooit rustig aan een maaltijd zette, zich zelden of nooit verkleedde, en gedurig vergezeld was van een hond meteen horloge halsband om, die zich steeds voor hem stelde.
Ik wil het voor dit college hierbij laten. Onze spijsvertering en hersenen raken bijna reeds in de war bij het vernemen van deze feiten alleen......".
Ds. van der Linden handelt in een artikel in de Geref. Kerkbode voor 's-Gravenhage in ander verband en ook op een heel andere manier over het gevaar 'hier boven genoemd, dat de mensch veel te gehaast en te vluchtig, te oppervlakkig en te ongelukkig leeft.
Hij schrijft onder het hoofd „vluchtigheid" aldus :
„Vluchtigheid . is het kenmerkend woord voor dezen tijd, we kunnen ook zeggen : oppervlakkigheid, dat wel een synoniem kan heeten van vluchtigheid.
Oppervlakkigheid is meer ihet gevolg, vluchtigheid de oorzaak, de grond. Een man van dezen tijd en ook naar dezen tijd heeft gezegd : „vluchtigheid is een gewoonte, wellioht een ziekte geworden".
Inderdaad ! Tijd tot veel nadenken gunt men zich niet. Er moet gehandeld, vlug en cordaat. Het ongeduld van den een drijft den ander voort. Er is een jacht in dit snelle leven om er te komen. De auto's met hun al grooter snelheid moeten de sneltreinen het afwinnen. De motors jakkeren de auto's voorbij. En de groote afstanden, waarbij de zee te lang oponthoud vordert, worden weg gevaagd door het vliegtuig, dat een reis van een of meer dagen doet inkrimpen tot enkele uren. En dan : hoe kom ik op zijn snelst weer elders ?
Rusteloos gaat het voort in het leven. Telegraaf en telefoon moeten in enkele oogenblikken de grootste zaken afdoen of tot beslissing brengen. En de dagbladen laten seinen uit de verste oorden der wereld net mar kantste dat der volkeren historie eiken dag biedt. Uit Washington of Cannes, uit Genua of Londen, uit Parijs of Tokio moeten zelfs de woorden van de leiders der volken met haaste geseind, opdat straks het gelaat der Beurs weerspiegele, wat er gehoopt of geducht wordt van de naaste toekomst.
En ja, die Beurs ! Is ze niet de hartslag der voortgejaagde volken ? Prikkelbaar, zenuwachtig, is ze alle stuur vaak kwijt en doet ze, of alle fondsen kelderen moeiten, om morgen op eens weer, bij een haastig schijnseltje van de electrische lamp, een sprong naar boven te doen.
Vluchtigheid, ja waarlijk ze is een ziekte geworden ; maar een ziekte, die de symptomen in zich draagt van veel erger. Onverstand wordt straks zonder verstand. En de laatste
We kunnen tot onzen spijt niet ontkennen, dat op enger kring het oog richtend, de kwaal van dezen tijd zich ook onder ons doet zien. Vluchtigheid is veler kwaad, onze tijd drukt in zoo menig opzicht zijn stempel op ons. Kalm nadenken is velen vreemd, misschien wel onmogelijk. Alles wekt tot haast. Op den maatschappelijken ladder om hoog, of wilt ge, in de groote wielerbaan vooruit! is de eisch. Nu komt gelukkig de Zondag nog, dag der rust, dag van nadenken, van inkeer, van komen tot-zichzelf. Hoe staat het met mijn ziel in dit drukke, gejaagde leven ? Ach, velen kunnen zich niet rustig voor deze vraag meer stellen. Ze willen, als ze nog „kerksche menschen" zijn, liefst hooren „het lied van één, die wel speelt", maar den machtigen ernst, den vollen diepgang van den eisch eener waarachtige bekeering tot God, eener oprechte verootmoediging voor Hem, eener welbewuste schuldvergiffenis van Hem in Christus Jezus kunnen ze 'zioh niet indenken. Levendige belangstelling te toonen in een onderwerp als de noodzakelijkheid der wedergeboorte, de onmisbaarheid der gerechtigheid van Christus tot bedekking 'onzer schuld, de onafwijsbaarheid der heiligmaking om God te kunnen zien, ach, 't is hun te machtig, te zwaar. Dat toont de algeheele inzinking, die deze vluchtigheid medebrengt op geestelijk gebied.
Sterker nog. Indien ge mij vraagt, waar wij de verklaring kunnen vinden voor de snelle ontwikkeling van den afval, die al meer nadert en ook onder ons zijn slachtoffers maakt, dat vinden we in deze vluchtigheid, die van een : „Uit de diepten roep ik tot U, o God! Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan" ? niet weet en liefst .niet weten wil. Dat klinkt te zwaar. Dat hoort te somber aan. En toch, en toch, het kan niet komen tot het heerlijke en rijke : „Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt, indien we in die diepten van zelfveroordeeling niet leeren afdalen. Wacht u dan voor de meest gevaarlijke ziekte van dezen tijd. Vlied de vluchtigheid ! Laat de geestelijke karaktertrek van dit geslacht de Uwe niet zijn, maar jaag er naar, het woord in te leven, voor onzen tijd zoo recht van pas :
„Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, den tijd utkoopende, dewijl de dagen boos zijn. Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij."
Dat is een mooi, goed, ernstig woord van den grijzen dienaar des Woords en het is zeer te hopen, dat we nog een oogenblikje kunnen vinden, om het te lezen, om er over te mediteeren — om er mee in ons bidvertrek te gaan.
Of — ontbreekt de tijd soms ?
Wee ons, dan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's