Stichtelijke overdenking.
Jezus zeide tot haar : Maria ! Zij zich omkeerende, zeide tot Hem : Rabbouni ! hetwelk is. gezegd, Meester ! • Johannes 20 : 16.
De Heere Jezus en Maria Magdalena.
Christus was uit de dooden opgestaan. Dit was door de vriendinnen, vrouwen uit Galilea, niet begrepen. Evenals de discipelen meenden ook zij, dat de geliefde Meester nog in het graf lag. In den morgen van den eersten dag der week waren zij reeds vroeg op weg gegaan om het lichaam van den dierbaren Doode te balsemen.
Onder deze was ook Maria Magdalena, een vrouw, uit welke Christus vroeger zeven duivelen had uitgeworpen'; die dus eertijds diep ongelukkig was geweest, maar nu door den Heere Jezus verlost, en daardoor zoo hoogst gelukkig was geworden ; die dan ook den Heiland zoo innig lief had gekregen en Hem aanhing met haar gansche hart, maar dan ook om deze reden nu zoo innig bedroefd was.'
Toen zij dicht bij het graf gekomen waren, zagen zij, dat de steen, die onmiddellijk na de •begraving op Christus' 'graf was gelegd, afgewenteld was.
Maria van Magdala had dit nauwelijks gezien, of zij ging, daar zij in hare ontroering meende, dat het doode lichaam van Jezus gestolen was, aanstonds terug, om dit den discipelen te boodschappen.
Weldra stond zij weder bij het ledige graf, en weende. Toen zij zich bukte, zag zij twee engelen in blinkende kleeding ; maar dit gezicht trof haar zeer weinig. Zelfs deze schitterende hemelgeesten konden hare aandacht niet trekken : zij moest Jezus hebben. Van Hem was haar hart vol. De begeerte, om Hem te zien, was het eenige, dat hare ziel vulde ; en daar zij Hem nog dood waande, was het eenige, dat zij verlangde, het lichaam van den gestorvene te aanschouwen.
Die engelen zeiden tot haar : Vrouw ! wat weent gij ? Zij zeide tot hen : Omdat zij mijnen Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. Ho^ opmerkelijk, nietwaar.? Zij waant Jezus dood, en noemt Hem toch nog Heere ; ja, mijnen Heere. Groot was hare liefde. Meer dan haar geloof. En toch was haar geloof grooter dan zij zelve wist. Anders had zij Hem zeker niet „mijnen Heere" .genoemd. Wat is het geloof van Gods kind toch een wonderlijk iets. Soms onmerkbaar ; en toch onuitroeibaar.
En welk een wonderlijken weg hield de Heere toch met Maria. Zij zocht den dooden Meester, en de levende Zaligmaker stond achter haar, maar zij wist het niet. Zij keerde zich achterwaarts, en zag Jezus staan, maar zij was zich niet bewust, dat Hij het was. Zij hield Hem voor den hovenier van Jozefs hof. Hij zeide tót haar : Vrouw ! wat weent gij ? Wien zoekt gij ? en zij antwoordde : Zoo gij Hem weggenomen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Hoe teekent dit woord de gemoedsgesteldheid van Maria ! „Hem." Wien ? wel, dat moest die hovenier toch begrijpen ! Wie kon dat anders wezen dan haar Zielevriend. Aan niemand anders dacht zij, en zij kon zich niet voorstellen, dat er een was, die aan iemand anders dacht. En dan : ik zal Hem wegnemen. Zij Hem wegnemen ! Zwakke vrouw, als zij was ! En dan dat zware lijk ! Maar de liefde maakte haar in hare verbeelding zoo sterk.
Neen, zoo verdicht men niet. De beschrijving van zulk eene gemoedsgesteldheid draagt het zegel der waarheid in zich.
Christus zeide tot haar : Maria ! Hij noemt slechts haren naam. Niets meer. Welk eene wijsheid. Het noemen van haren naam was het meest geschikte middel om haar tot haar zelve en tot kalmte te brengen. Door het noemen van den naam maken wij den slapende wakker.
Zoo doet de Heere meermalen. Zoo klonk het vroeger en later uit Zijnen mond : Abraham ! Abraham ! Mozes ! Mozes I Samuel ! Samuel I Saul ! Saul I En zoo hier : Maria I
En toen deze zoo haren naam hoorde noemen door dien bekenden mond, op dien bekenden toon, met dien bekenden klank, toen ging haar oog opeens open. Neen, dat kon de stem van niemand anders wezen dan van haren dierbaren Vriend, van haren lieven Heere.
Zij keerde zich haastig om ; en het eenige wat zij kon uitbrengen, was : Rabbouni ! Hoe al weer naar het leven geteekend ! Neen, wanneer het hart vol is, zijn er niet altijd vele woorden. Het kan zoó vol wezen, dat er haast geen woord uit wil. Wanneer van eene liefhebbende moeder opeens plotseling een geliefd kind door den dood wordt weggerukt, dan zal ze wellicht niet veel spreken. Dan zit zij misschien in stomme smart, in stille verbazing, zonder een woord te spreken, bij het lijkje van haren lieveling neer. Zoo ook kan de ziel zoo vol zijn van plotseling gekomene ongedachte vreugde, dat de mond met moeite een woord kan vinden, om uit te spreken. Als Thomas, na dagen van ongeloof en bittere zielesmart, omdat hij Jezus mist, den Verrezene opeens onverwacht levende voor zich ziet, dan heeft hij niet vele woorden, dan houdt hij geen lange rede, dan is het eenige dat hij uitbrengen kan en waarin hij al de gedachten zijns harten samenperst : Mijn Heere en mijn God !
Wanneer een tollenaar onder zijn groote zondeschuld gebukt gaat en zijne gedachten vermenigvuldigd worden, en het eenige, dat hem moed kan geven, de vrije genade Gods is, dan houdt hij geen lang gebed op de hoeken der straten, maar stamelt hij, van verre staande, . enkel maar : O God, wees mij zondaar genadig !
Wanneer een Nathanaël uit den mond van Filippus hoort van den Grooten Nazarener, en meent, dat uit dat verachte Nazareth niets goeds kan komen, maar straks onverwachts de heerlijkheid van dien grooten Nazarener ontdekt, dan houdt hij al weer geen lange redevoering, maar roept slechts uit : Rabbi I Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.
En zoo ook Maria Magdalena uit haar overkropt gemoed niets anders dan : Rabbouni ! Meester ! mijn lieve Meester I Al weder : zoo verdicht men niet. Zoo leert alleen de zielservaring.
De eerste, die in de zonde viel, was eene vrouw ; eene vrouw was ook de eerste onder de menschen, die getuige was van Jezus' opstanding.
Maria Magdalena was het meest bedroefd van allen, zij werd ook het eerst van allen door eene verschijning van den Opgestane vertroost. Zoo weet de Heere, wat een iegelijk der Zijnen behoeft.
Alzoo werd Maria door den Heere Jezus bij haren naam genoemd.
Geliefden I Hoofden wij ons ook wel eens bij den onzen noemen? Want wij hebben ook eenen naam. Van nature allen den zelfden : den naam zondaar. Hoorden wij dezen naam wel eens recht ?
Ach ! van nature zijn wij hoorende doof, en blind voor onzen eigenen zondigen en rampzaligen toestand. Braaf, deugdzaam en godsdienstig in eigen schatting, steken wij, bij anderen vergeleken, zoo gunstig af. Wij zijn waarlijk zoo slecht niet, dat we waardig zijn in de hel .geworpen te worden. De zonde heeft ons venblind. Ja, van naturè zijn wij voor niets zoo blind als voor het eigen hart. Wij kunnen onzen toestand niet zien, en wij willen het ook niet. Wij hebben de duisternis liever dan het licht.
En, als de Heere roept: zondaar ! zondaar ! dan merken wij Zijne stem niet. op. En niet eerder hooren wij onzen naam noemen, en zien wij onzen zondigen toestand in, dan wanneer de Heere in Zijne ontferming ons zielsoor en zielsoog opent.
Of mocht bij aanvang reeds uw oor en oog opengaan, begon uw geweten reeds te kloppen, leerdet gij eenigermate uwe zonde kennen en kwaamt ge eenigszins te gevoelen, dat gij een Zaligmaker noodig hebt ?
Indien dit zoo mag zijn, eii deze dingen bij u gevonden mogen worden, dan mag u dat inderdaad bemoedigen. Want als de Heere God Zijn werk bij een zondaar aanvangt, dan begint hij altijd in de conscientie. Bij de herschepping van den gevallen mensch gaat het als bij de schepping der wereld ; het eerste, dat God doet, is zeggen : er zij licht, en er wordt licht.
Wanneer bij u gemoedsaandoeningen mogen zijn, als bij u bekommering mag wezen inzake de eeuwige belangen uwer onsterfelijke ziel, als uit uw binnenste de vraag mocht oprijzen : wat moet ik doen, opdat ik zalig worde, dan mag u dat wezenlijk moed geven, dat de Heere Zijn werk in uw hart aanving. Maar ook : wees er niet mede tevreden, en rust er rilet bij.
Het is zoo waar, wat een zeker prediker eens zeide : Wanneer bij u gemoedsaandoeningen en beroering der conscientie mag wezen, wanhoop dan niet, want er zijn duizenden in den hemel, bij wie het werk der genade ook alzoo begon. Maar, zegt hij, wees ook niet gerust, want er zijn duizenden in de hel, die hetzelfde ondervonden, ja, meer nog dan gij.
Treffend woord en onze behartiging zeker dubbel waard.
Neen, wij kunnen onszelf .nooit te ernstig onderzoeken. In den Hebreënbrief waarschuwt de hooge God ons zoo ernstig, dat we verlicht kunnen zijn, de hemelsche gaven kunnen gesmaakt hebben, des Heiligen Geestes deelachtig kunnen geworden zijn, gesmaakt kunnen hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en toch nog afvallig worden, waaruit blijkt, dat het nooit zaligmakend werk is geweest. We kunnen alzoo de gaven des Geestes bezitten, en toch den 'Heiligen Geest Zelf nog missen. We kunnen iets smaken van de hemelsche gaven, en van de krachten der toekomende eeuw, en toch nog eeuwig buiten blijven, omdat wij er nimmer het rechte behagen in hadden, en alzoo nog onwedergeboren zijn. Want de waarlijk wedergeborene valt nooit weder af. Deze wordt door de kracht Gods tot zaligheid bewaard.
Alzoo kan er veel worden 'gevonden, dat niet zaligmakend is.
Maar aan de andere zijde is ook niet aan te wijzen in hoe kleine mate ware genade aanwezig kan zijn. Het komt in de eerste plaats niet aan op de hoeveelheid, maar op waarheid. De eerste vraag is niet : hoe groot is de genade, die gij bezit, maar : is het , ware genade. Een vonk is toch ook vuur, even goed als eene geheele vlam ; een droppel is toch ook water, even goed als een gansche oceaan.
Het komt er maar op aan, dat, evenals bij Job, bij ons de wortel der zaak wordt gevonden. Dat wij ons als een arm verloren zondaar voor God leerden kennen ; dat de toilenaarsbede uit ons hart wordt geperst: O God, wees mij zondaar genadig ; dat wij als een in ons zelven gansch reddelooze den eenigen Zaligmaker te voet leeren vallen, en uitsluitend leeren pleiten op Zijne zoen-en kruisverdiensten, op Zijn volbracht Middelaarswerk.
In één woord : dat wij Jezus leeren zoeken, en in Hem alleen al ons heil gaan zien, evenals Maria Magdalena.
Wel zijn de leidingen, die de Heere met de Zijnen houdt, zeer onderscheiden. Hoe verschilde de leiding van Maria van Magdala met die van de Emmaüsgangers, met die van een Thomas, met die van de andere discipelen, ja zelfs met die van de overige vrouwen. Waar de Emmaüsgangers eerst 'n uitvoerig onderricht ontvangen vóór ze hunnen dierbaren Meester kennen, daar herkent Hem een Maria reeds aanstonds bij het hooren aan haren naam ; en waar de andere vrouwen Jezus' voeten mogen omhelzen, daar is het tot Maria : Raak Mij niet aan. Zoo behandelt Christus ieder Zijner discipelen en discipelinnen naar Zijne eigene wijsheid. Hij weet, wat voor ieder der Zijnen het beste is.
Indien al de leidingen, zegt Smytegeld, die de Heere met Zijne kinderen houdt, eens werden opgeschreven, ik acht, dat ook de wereld zelve de geschrevene boeken niet zou kunnen bevatten.
Maar al is dit alles waar, in ééne zaak komen ze allen overeen, en hebben ze allen dezelfde leiding : ze leeren allen zich zelven veroordeelen en verfoeien, en ze leeren hun heil zoeken enkel in den gekruisigden, maar opgestanen Heiland ; in den eenmaal vernederden, maar nu voor voor altijd verhoogden Zaligmaker.
En als gij deze dingen bij eigen ervaring moogt kennen. Geliefde Lezer ! dan moogt gij moed scheppen. Want dat leert geen vleesch en bloed, maar alleen, door Zijnen Geest, de Vader, Die in de hemelen is. Zonder dien Geest zal nooit iemand bij eigen ondervinding Jezus als den Heere kunnen leeren kennen en noemen.
En waar dit mag zijn, dat het 'daar nooit moöht worden vergeten, dat het enkel uit genade is. Neen, niet omdat gij iets beter waart dan anderen of minder hard en blind, maar alleen, omdat het den Drieëenigen God in Zijne vrijmacht alzoo .behaagde.
Maar ook, o, welk een geluk, welk eene zaligheid I Want dien deze genade ooit greep, dien laat zij ook nooit weder los. „De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk."
Nog een weinig tijds, en uwe oogen zullen uwen Verlosser aanschouwen. Nu nog zijt ge in het strijdperk, en strijd zal het blijven tot de poort toe. Zonder strijd geen overwinning, 'maar nog slechts een weinig tijds, een weinig worstelens, en alle moeite en leed is voorbij ; en God zal alle tranen van uwe oogen afwisschen.
Die overwint, zegt de verheerlijkte Christus, Ik zal Hem geven eenen witten keursteen, en op dien witten keursteen eenen nieuwen naam, dien niemand kent, dan die hem ontvangt.
Weldra zult gij al uwe schuld weggedaan weten. Het volk aan gindsche zijde van de Jordaan des doods „zal vergeving van ongerechtigheid hebben."
En dan die nieuwe naam ! Uw oude naam, zondaar, is daar voor immer vergeten, en gij draagt daar voor eeuwig een nieuwen, den naam : Verloste, Gezaligde, Geheiligde. Dat zal een naam zijn, dien niemand kent, dan die hem ontvangt. Om te weten, wat het inhoudt een gezaligde te wezen, zullen we zelf een gezaligde moeten zijn.
N.
W. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's