De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op Kerkelijk Erf

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op Kerkelijk Erf

13 minuten leestijd

VI.

Kerk en Staat.

Rome werd een asyl voor alle vreemde goden ^) en priesters, wijl zij tenslotte allen bukten voor den keizer, doch bleek een vijand der Christenen, sedert hun eerste optreden, zeer zeker door het absoluut karakter der Christelijke religie. Zij bracht als van zelf reeds de veroordeeling van de heidensche afgoderij mede, doch zooals wij zagen niet minder de veroordeeling van een staat, die in de afgoderij was gegrond. De religie van Christus kon zich niet voegen naar iedere staatsidee, hoewel zij onder verschillende staatsinrichtingen kon bloeien En verder is de Christelijke religie niet slechts een private meening van een persoon, een in geest en hoofdzaak deelen van de leer van Christus, maar 'n levende relatie van den wederge borene tot God in Christus, een geestelijke realiteit, die in de gemeenschap der heiligen ook een sociaal verbond legt, wijl de gemeente van Christus een organisch geheel is, zooals dat ook wordt geopenbaard in de kerk op aarde. Tegenover de heidensche staatsidee en de daarop gevestigde 'heerschappij der oudheid, stelt zich dus de kerk als geordend instituut en orgaan van den Christus met een geheel eigen wezen en bestemming. Het is dan ook geheel en al mis, indien imen denkt, dat de kerk, als zoodanig, slechts een menschelijk uitdenksel zou zijn, welke beschouwing vooral wanneer zij uitgangspunt 'Wordt van een rechtskundige studie, tot velerlei misverstand en verwarring aanleiding is en zeker moet leiden tot verkrachting van , het recht der kerk. Zoo meent mr. W. H. de Beaufort") : „Ten eerste lag het niet in het plan van Christus om Zijne volgelingen een uitwendig organisme in den vorm eener kerk of iets dergelijks te geven." „Ten tweede wil Hij, dat Zijn leer aan alle politieke bedoelingen vreemd blijve. Hij stelt zich dus een Christendom voor, 'dat onverschillig voor staat en politiek in het verborgene voortleeft. Deze jurist heeft blijkbaar geen oog voor het karakter der religie, dat zich zelfs op niet-Christelijk terrein van zoodanigen centralen invloed 'kenmerkt, dat geen staat daaraan ontkomt, zooals hij zelf mededeelt, waar hij er op wijst, dat de oudheid geen anderen godsdienst erkende 'dan staatsgodsdienst. ^) Integendeel, houdt ihij het er voor, .dat de Christelijke religie haar centraal karakter in onderscheiding met alle religie zou missen, een gedachte, waarvan hem de historie reeds had kunnen verlossen. Schoon wij met hem prijzen, dat de eisch van vrijheid van kerk en staat inderdaad uit een zuiver beginsel opkomt, is o.i. daarmede alleen het vraagstuk van de verhouding niet opgelost

Wanneer men uitgaat van een beschouwing, dat heel de kerkelijike organisatie slechts menschenwerk is, geeft men de overheid alle recht om die organisatie naar menschelijk inziicht te dwingen en dus wordt reeds daarin de weg voor allerlei strijd open gesteld, aangezien die organisatie inderdaad een eigen rechtsgrond heeft.  Omgekeerd dreigt het gevaar, dat 'de kerk haar eigen levens-en wereldbeschouwing als van algemeene geldigheid voor de menschheid waardeert en dus ook den staat wil gevormd zien naar haar beginselen, zoodat kerk en staat op het nauwst' met elkander in verbinding worden gebracht, waardoor weer de oude toestand herleeft en .de Christelijke religie tot godsdienst van staat 'Wordt verheven met uitsluiting van alle andere religie en krachtens de stoute belijdenis van het positieve Christendom met vervolging van alle Libertinisme. Ongetwijfeld zijn dit de polen, waartusschen .de verhouding van kerk en staat zich beweegt, doch noch het een noch het ander is een begeerlijke oplossing, wijl in strijd met de beginselen van kerk en staat. Het eerste zien wij in de Ned. Herv. Kerk onder synodale organisatie en het laatste in het middeleeuwsche pausdom ; in beide formaties gaat het geestelijk karakter der kerk teloor. Kerk en staat zijn nu eenmaal verscheiden lichamen. In Christus' Koninkrijk is noch kerk, noch staat, of wil men in Zijn Rijk zijn Kerk en staat volledig opgegaan in 'n volkomen heerschappij naar de orde der goddelijke gerechtigheid. Wil men in deze wereld zulk een Koninkrijk, dan wordt het een wandrochtig instituut vanwege de zonde en zoo iets is het resultaat van de vereeniging van kerk en staat. Want, indien men naar Christelijke beschouwing oordeelt, dat de overheid Gods dienaresse is, zoo is dit wet, doch zal dat iets uitwerken, dan heeft .de overheid zich allereerst zelf Gods dienaresse te weten.

Wij zagen in het oude .Rome een soortgelijk beginsel op heidenschen bodem tot den staatsgodsdienst 'leiden, 'doch evenzeer werd aldaar duidelijk, dat met het verval van den. godsdienst de oude instellingen verstierven en de ontwikkeling 'des volks, die was voortgegaan tot een nieuwen vorm van staatkundig leven, voortdrong. Feitelijk was het dus de mensch, die zich de staatsidee schiep en haar onigaf met een religieus gewaad, zooals het ook de mensch was, die den staat vormde naar de idee. De behoeften van de menschelijke samenleving brachten allengs de Instellingen tot stand, die noodig bleken en ook den staat als geheel. Ofschoon dus de overheid terecht als een goddelijke instelling wordt beschreven in de belijdenis der Kerk en dat wel als een genade-daad Gods wegens de zomde van het mensohelijik geslacht om ondanks hare verderfelijke werking 'n geordende samenleving mogelijk te maken, , zoo moet men in het oog houden, dat de staat uit het oogpunt der Christelijke wereldbeschouwing libertijnsch van aard is, als instituut in een gevallen wereld, dat zich voegt naar de behoeften en inzichten van het volk. Onverminderd de hooge'Souvereiniteit Gods, die ook over het staatsieven gaat, en door wiens gratie er nog een staatsieven is, zien wij toch op publiek terrein den mensch in zijn eigen wegen en zoekende zijn eigen belangen te bevorderen. Het mag dus niet worden vergeten, dat de leiding Gods, ondanks het Hbertijnsch karakter van de samenleving, zich allerwegen openbaart op het breede veld der algemeene genade, doch ook dient in het licht gesteld, dat de wereld rijpt tot het eindoordeel, zoodat ook de zonde doorwerkt tot in den dood. Twee lijnen igaan derhalve door de geschiedenis heen, die elk door twee punten worden bepaald, welke in het eerste saamvallen en in het laatste oneindig uit elkander verwijderd zijn. Stellen wij het eerste punt in den zondeval, 'dan zou naar het strenge oordeel Gods, indien het onmiddellijk ware doorgevoerd, de eeuwige dood zijn ingetreden, doch de ervaring leert, dat zulks niet is geschied. De menschheid leeft nog van geslacht tot geslacht voort. Daarin openbaart zich de Raad Gods op wonderlijke wijze. Een weerhoudende macht der genade is in de wereld ingegaan en stelt het eindoordeel uit tot 'de voleinding, zoodat wij hierin het tweede punt vinden. In den vorm van een proces der eeuwen rijpt de verdorven menschheid ten 'doode. De Schrift leert ons, dat de Heere deze genade voor allen beschikte, opdat 'Hij zich uit het geslacht der menschen een volk zoude vergaderen, dat Hij genadiglijk tot Zijn heeriijkheid heeft bereid in den Christus. Door heel 'de historie teekent zich de arbeid van den Middelaar af, die zich openbarend 'in den gang der profetie van het Paradijs tot Johannes den Dooper, zelf in het vleesch verscheen om een nieuwe menschheid voort te brengen en Zijn apostelen zond in de wereld om het evangelie des kruises te prediken. In dien arbeid ook 'deelde Hij het nieuwe leven mede aan zijn geroepene heiligen en stelde de Kerk tot Zijn orgaan op de aarde, zoodat in 'de geschiedenis dier Kerk .de verborgen Raad Gods omtrent de verlossing van Zijn volk wordt uitgewerkt langs een lijn, 'die eveneens loopt van den zondeval tot de voleindiging, doch met een gansch andere uitkomst, wijl in dien dag Zijn volk in heeriijkheid. zal worden geopénbaard.

De algemeene genade is er .derhalve om de bijzondere gratie, schoon zij in Gods Raad uit dezelfde bron der ontferming is ontsprongen. Is dan ook de Staat gegrond op het gebied der algemeene gratie, zoo staat de Kerk gefundeerd in de bijzondere genadebeschikking Gods. In dit licht is het duidelijk, dat 'de Staat de Kerk dient door alle eeuwen heen, terwijl omgekeerd ook door 'den zegen der Kerk een kracht van haar uitgaat op den Staat. Inderdaad is er dus een hoog geestelijk verband tusschen Kerk en Staat, gelijk dat wordt uitgedrukt in het woord van den Verrezene : Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gansch de geschiedenis der menschlheiid staat in het licht 'der 'genade en wordt door den Christus gericht 'Op de vernieuwing der dingen, 'maar daarom ook staat zij in het licht van het oordeel.

Maar tegenover deze onzienlijke leiding der geschiedenis staat ook het feit, dat, naar de aardsche zijde. Kerk en Staat zijn vormen van gemeenschap van zondige menschen, die aanzien wat voor oogen is. Kerk en Staat staan niet naast elkaar, zoodat wij den Staat volkomen Hbertijnsch en de Kerk volkomen Christelijk mogen heeten, aange­ zien de overheid tot de Kerk - kan behooren en 'de Kerk in haar ledenen organisatie ontkerstend kan zijn. De ware Kerk is een ongrijpbare grootheid, een 'geestelijk lichaam en 'daarom onderscheiden van de wereld. Tegenover die Kerk staat 'de menschheid in haar zondeleven. De 'geestelijke Kerk staat direct onder haar Hoofd Christus en is in haar geestelijk karakter bovenaardsch, in 'beginsel reeds losgemaakt van deze bedeeling, voor een deel zelfs overgegaan in de gemeente der heiligen Gods, die boven zijn en dus 'Ook overgegaan in een nieuwen staat des levens, waar geen Kerk is noch Staat, doch onder de heerschappij van den Koning des Vredes, waar zij in zalige rust wachten op den dag Zijner heerlijkheid.

De zichtbare Kerk op aarde is de min of meer zuivere openbaring van het lichaam van Christus. Dat min of meer zuiver karakter wordt bepaald door alleriei omstandigheden, zooals de geestelijike waarachtigheid harer leden, de zuiverheid van leer en leven, de gehoorzaamheid aan .den Koning in Zijn Woord, wat betreft inridhting der Kerk en Kerkregeering. In beginsel echter zal de Kerk, als openbaring van het lichaam van Christus, ook in haar organisatie en regeering hebben te beantwoorden aan het karakter dier 'geestelijke Kerk, d.w.z. zij heeft geen aardsch opperhoofd, 'doch staat onmiddellijk onder haar Koning Christus, wiens Woord voor haar wet is. Daarom verzette zich de Reformatie tegen het Pausidom, wijl daarin een beginsel van kerkregeering tot uiting kwam, dat wel op staatkundig terrein recht van bestaan heeft, maar niet in de Kerk van Christus.

De overheid toch, naar Christelijke wereldbeschouwing Gods dienaresse, is als een stedehouder Gods gesteld, om een ordelijke saamleving te handhaven. Zij is er, zooals de belijdenis zegt, om de zonde. Het is dan ook onbetwistbaar een feit, dat de mensch na den zondeval zichzelf zoekt, zoowel in den ruwen vorm van gierigheid, eerzucht, hebzucht en welke ondeugden hieraan kunnen worden toegevoegd, als in den meer beschaafden en verfijnden geest, dien wij teekenden in de wereldbeschouwing, die de goddelijke natuur van den mensch tot uitgangspunt stelt of wat op hetzelfde neerkomt, zijn volkomen vrijheid zoekt na te streven. De mensch is een wolf voor zijn medemensch. Reeds in het gezin van het eerste ouderpaar wordt ons van broedermoord gemeld. Uit de belangenstrijd werd de staat .geboren en wellicht vestigde het recht van den sterkste de overheid, als het patriarchaal gezag niet meer werd gehandhaafd, dooh desondanks schuilt in dat proces een verborgen leiding Gods, die het aldus beschikte. Ook de macht van een heidenschen godsdienst, hoever ook afgeweken van de ware vreeze des Heeren, blijkt een steun voor het gezag, zoodat ook de heidensche staatsmacht daarop rust, zooals wij in Rome zagen. Bij alle cultuurvolken der oudheid vindt men alzoo een nauw verband tusschen staats-en godsidienstgemeensahap, en de overtuiging is algemeen, dat de betrekking tot en de gehoorzaamheid aan de goden de grondslag is zoowel voor een goed en deugdzaam leven als voor een vast staatsverband." •*)

In dit religieus verband reeds openbaart zich een van God gesteld gezag, 'dat krachtens de schepping van den mensch hem is op.gelegd en 'Ook na den zondeval zijn kracht laat gelden, zelfs 'bij .den blinden 'heiden. De religie behoort bij de menschelijke natuur en deze laat zich nimmer straffeloos verkrachten. Ook de moderne cultuur, die de vrijmaking van den mensch zoekt te bewerken en wier leldslieden zich meenden te kunnen verheffen boven de religie, eenerzijds 'door een idealisme, dat de wijsheid der wereld stelde boven den godsdienst en anderzijds door een materialisme, dat de religie verderfelijk achtte voor de saamleving, kenmerkt zich thans .door een trek naar het religieuse, die algemeen aan den dag treedt.

Het moderne staatsideaal, dat geboren werd uit den geest waaruit geheel de wijsgeerige en wetenschappelijke ontwikkeling der laatste eeuwen opkwam en door den invloed dier ontwikkel'lng bewust of onbewust in breeden kring wordt gevoed, streeft naar de verwezenlijking van een saamleving waarin menschelijk kunnen en kennen zich inspannen om naar de leiding der hoogste wijsheid de schoonste harmonie en het .groot ste geluk als door een vaardige techniek te smeden. Ook thans huwt zich dit ideaal aan den godsdienst, zooals blijkt uit de prediking van een eenheidsreligie, die uitgaande van de vêronderstelling, dat tusschen de ver schillende vormen van religieus leven geen principieel onderscheid kan zijn, zoodat er in beginsel slechts een religie is, een algemeen gevoelen der godheid, als den grond van de verbroedering der natiën aanprijst ^)

Wij hopen later aan te toonen, dat ook de grondgedachte van deze eenheidsreligie tot welbewuste menschvergoding leiden moet, aangezien zij geheel de ontwikkeHng der menschheid ziet als een proces naar .de volmaaktheid d.w.z. naar een staat, waarin de mensch zich bewust is god te zijn en volkomen vrij. Het behoeft geen betoog, dat in deze leer staat en religie zoo mogelijk nog nauwer saamvallen 'dan in de oudheid, wijl de gemeenschap als zoodanig een levende openbaring der godheid is en het denkbeeld ligt zeer nabij, dat die gemeenschap den uitnemendste van haar leden goddelijke eere brengt

Hoezeer deze .geest in conflict moet komen met de positieve religie van Christus kan men verstaan. Het absoluut karakter van den Christelijken godsdienst wordt ontkend, het 'bijzonder karakter der openbaring en het gezag der H. Schrift .geloochend en dientengevolge ook het wezen der Kerk. In vergeiijking met 'de 'moderne cultuur zal dus Kerk en Staat op alle terrein een anti-these aan het licht brengen, die niet mag worden weggedoezeld door vervloeiing der beiginselen, maar veelmeer tot het welwezen der Kerk dient onderzocht en scherp gesteld te worden.

 

') Ovidius, vgl. Tasti, IV, 270.

'-)De verhouding van den Staat tot de verschillende Kerkgenootschappen, diss. Utr. 1868 biz. 5v.

') t.a.p. bIz. 2.

^) S. Schoch, Calvljns Beschouw i n g o V e r K e r k e n S t a a t, diss. Groningen 1902, bIz. 5. V.

•'•) Vigl. Bah a isme en Christend o m, V. Kralingen, Leerdam 1921.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Op Kerkelijk Erf

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's