De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Mijn Heere en mijn God. Joh. 20 : 28b.

THOMAS.

De Herder was geslagen. De schapen waren verstrooid. Vervuld werd Gods Woord. Maar Gode zij dank werd ook vervuld, wat reeds Zacharia voor eeuwen van den Christus geprofeteerd had, namelijk, dat Hij Zijn hand tot de kleinen zou wenden. Hoe is dat bewaarheid op den eersten dag der opstanding. Hoe 'heeft dat ook een Thomas ondervonden. Van dezen discipel wordt ons in de Heilige Schrift niet zooveel verhaald. Hij was niet iemand, die zich op den voorgrond plaatste. Maar al was dit niet het geval, toch deed hij niet onder voor de andere discipelen in liefde tot den Heere Jezus Christus. Thomas was iemand met een zwaarmoedig karakter. Toen zijn Meester gestorven was, zat hij in doffe moedeloosheid terneder. Hij had geen oog voor hetgeen hem opbeuren kon. Hij dacht niet aan de belofte door Christus .geigeven, dat Hij namelijk weer zou opstaan. En wanneer 'hij verneemt wat de vrouwen verhallen aangaande Christus' opstanding, dan schudt hij ongeloovig het .hoofd. Alles is nu naar zijn meening voorbij. Wanneer de andere discipelen op den eersten dag der week tezamen komen, blijft Thomas thuis. Hij heeft geen lust in de samenkomsten. Evenals Elia onder den jeneverboom, zoo zat ook Thomas moedeloos terneer. Misschien schudden wij het hoofd en zeggen in onszelf : Thomas, dat was verkeerd. Volkomen terecht. Maar zou er nog met menige ziel ook in onzen tijd zij'U, die diezelfde berisping verdient ? Gebeurt het nog niet dikwerf, dat een ziel, die het toch eigenlijk niet buiten Christus stellen kan, 'Ook nederzit in moedeloosheid ? De satan fluistert haar dan in : wat baat u nog het gebed, wat helpt het of ge nog het Woord Gods leest of opgaat naar de samenkomsten De Heere wil met u toch niet te doen hebben. En wie zal zeggen, hoeveel maal hij nog tot veel vreeselijker dingen aanspoort ? Maar uit de geschiedenis van Thomas blijkt zoo klaar, toe schadelijk het is voor het leven der ziel, indien de mensch maar toegeeft aan zijn moedeloosheid en luistert naar de inblazingen van den satan. De andere discipelen, die de samenkomsten opzochten, werden wonderlijk vertroost. Thomas bleef in het duister.

Maar al was de toestand van Thomas voor zijn eigen besef zoo droevig, nochtans was hij een zoekende ziel. Duidelijk blijkt dat hieruit, dat hij er niet genoeg aan heeft, of de discipelen voor zichzelf al geloofden, dat de Heere Jezus waarli|k was opgestaan. Hij kon zich met verheugen, voordat hij het zélf kon gelooven. O, hij zou het zoo gaarne hebben geloofd dat zijn Meester was opgestaan, maar ach neen, dat kon naar zijn meening niet en in zijn ongeloof gaat hij zoover dat hij het uitroept : Indien ik in Zijn hand niet zie het teeken der nagelen en steek mijn hand in Zijne zijde, ik zal geenszins gelooven.

Thomas gaat dus eischen stellen. Maar hoe dikwerf gebeurt dat ook nu nog .niet ? Hoe menigmaal kunt ge niet hooren uit den mond van een zoekende ziel : Eerst moet er meer berouw komen, eerst moet er meer kennis van de ellende zijn en met dat al dttet men toch eigenlijk 't zelfde als Thomas.

Gelukkig voor Thomas, dat hij te doen had met een God die nooit laat varen het werk Zijner handen. Hij .moge zich afgewend hebben van het Woord des Heeren, de Heere keerde zich niet van Thomas af. O, wat is de Heere Jezus Christus toch een medelijdende Hoogepriester. Dat heeft Thomas tot troost voor al Gods volk rijkelijk ondervonden.

Zie, wanneer de discipelen acht dagen later wederom zich in de opperzaal vereenigd hebben, is Thomas toöh ook in het midden. Hij kon niet langer thuis blijven. Was dat ook al geen werk van den medelijdenden Hoogepriester ? Zonder dat hij het merkte, was de Heere reeds bezig om hem voor te bereiden voor een rijken zegen. Daartoe gaf de Heere hem opnieuw lust om op te gaan naar de samenkomsten. Maar dat niet alleen ; waar de Heere Jezus wist, dat onder al dat ongeloof een hart verscholen zat, dat met niets minder tevreden was dan met de wetenschap, dat zijn Verlosser leefde, daar verscheen Hij in eigen persoon wederom in de opperzaal.

Plotseling staat Hij in hu^n midden. Wie zal de verbazing schetsen van een Thomas ? Wie zal vertolken wat er in zijn hart omging, toen het daar klonk : Vrede zij ulieden.

Maar niet alleen daarom zal Thomas verbaasd geweest zijn, maar ook omdat zijn Meester toonde dat Hij een kenner was van het verborgene en dus alles wist.

Hoor, hoe 't daar klinkt : Thomas, breng uwen vinger hier en zie Mijne handen én breng uwe hand en steek ze in Mijne zijde en wees niet ongeloovig, maar geloovig.

Wat hij eenmaal tegen zijn medediscipelen gezegd heeft, toont de Heere Jezus dat Hij dat weet. Maar niet alleen toont Hij dat Hij alles weet, maar ook dat Hij een helper wil zijn in nood.

Zie, waar Thomas zoo in het duister neerzit, wil de Heere hem het licht doen opgaan. Daartoe kllinkt het : Breng uwe hand in Mijne zijde, en zie, wanneer Thomas dat doet, dan is het alsof de nevelen worden weggevaagd. Het vuur, dat onder de asch bedolven was geweest, begint weer op te laaien. Het oog des geloofs, wordt vervuld, en uit het diepst zijner ziel klinkt het : Mijn Heere en mijn God.

Korte, maar veelbeteekenende woorden ! O, wie zal ons verhalen, wat er door die woorden vertolkt werd? We zullen daar iets van weten, wanneer wij ook die oogenblikken in ons leven gehad hebben, dat wij, overweldigd door de ontfermingen Gods jegens zulk een onwaardige, het ook moesten uitroepen : Mijn Heere en mijn God.

Zie, in die woorden erkent Thomas den Heere Jezus als de Heere van Zijn Gemeente, maar ook als den Almachtigen God.

Wij weten, dat er duizenden bij duizenden zijn, die van den Christus niets weten willen, als zijnde waarlijk God.

Men wil Hem nog wel erkennen als een groot Man, Hem huldigen vanwege de wijsheid Zijner woorden, Hem prijzen als een voortreffelijk voorbeeld, maar daar blijft het dan ook bij.

Rukken ze Hem echter niet de kroon van het hoofd door te zwijgen van Zijn zoendood en van Zijn goddelijke macht om zondaren zalig te maken ?

Thomas deed dat niet. Hij kon het ook niet. Wat had hij aan een Meester, die enkel een goed mensch was ? Kon die de dorre doodsbeenderen levend maken ? Kon die iemand verlossen uit de banden der zonde en des doods ? Neen, Thomas noemt Hem Heere, en wat doet de Heere Jezus als hij dat doet?

Wanneer Cornelius Petrus te voet valt en wil aanbidden, roept Petrus : sta op. Ik ben zelf ook een mensch.

Geeft de Heere Jezus ook dat antwoord ? Neen, Hij laat zich door Thomas noemen mijn Heere en mijn God, en dat niet alleen. Het blijkt duidelijk, dat de Heere het goed vond. Het is alsof wij hooren uit den mond van den Heere Jezus : Zalig zijt gij, Thomas, want vleesch en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar uw Vader die in de hemelen is.

Maar nu erkent Thomas Hem niet alleen als Heere en als God, maar hij roept uit : mijn Heere en mijn God. Ja, dat is nog iets meer, want in dat eene woordje „mijn" ligt zooveel opgesloten. Om dat w o o r d j e is het iedere begenadigde ziel te doen. Een mensch die waarlijk Christus heeft ieeren zoeken is er niet mee tevreden of hij weet dat er een Zaligmaker is. Neen, hij moet het voor zichzelf weten, dat Hij zijn Zaligmaker is. En daarom was Thomas ook niet tevreden, voordat hij het kon getuigen : mijn Heere en mijn God. Maar toen was het ook genoeg. Nu geen tegenwerpingen meer. Neen nu genoot hij een zaligheid, gelijk Maria ondervond toen zij riep : Rabbouni. O, welk een heerlijkheid zag hij nu in dien Christus. Nu werd het hem duidelijk, dat alles zoo moest geschieden. Met Jesaja moest hij getuigen : Uwe wegen zijn hooger dan mijne wegen.

Hebben wij dien Christus ook alzoo Ieeren kennen?

Laat ons bedenken, dat het niet genoeg zal wezen of wij Hem belijden als Gods Zoon. Dat kan nog zoo geheel en al buiten ons hart omgaan. Wat zal de schare groot wezen van hen, die Hem wel erkenden als Gods Zoon, maar Hem niet noodiig hadden ais den Verlosser hunner zonden en daarom verloren gingen.

Daarom roept de Heere : heden, zoo gij Mijne stemme hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden. Indien het er ons maar waarlijk om te doen was om het voor eigen ziel ook te zeggen, wat Thomas getuigde. Indien ons dat maar bracht aan den troon der genade, dan zou God doen ervaren dat Hij geen bidder laat staan. Dan is de keuze ook reeds gedaan.

Dat was ook het geval bij Ruth. En als die keuze in ons hart is gelegd, dan zal ook de ware Boaz Zijn hand tot de kleinen wenden en toonen dat Hij is een mededoogende Helper.

Dat was Hij voor Thomas, maar, dat niet alléén. Neen, Hij toonde tenslotte dat Hij ook een opvoeder der zielen was. Zie wanneer Thomas zoo zalig verkwikt wordt, spreekt de Heere Jezus : Thomas, omdat gij Mij gezien hebt, zoo hebt gij geloofd. Zalig zijn zij, die niet zullen gezien-en nochtans zullen gelpofd hebben. Hij wil als 't ware zeggen : Thomas, er zullen er in het vervolg ook zijn, die twijfelen, gelijk gij, en indien zij nu ook die voorwaarde gingen stellen, zooals gij dat deedt, wat dan ? Indien gij straks na Mijn hemelvaart het Woord gaat verkondigen en degenen die u hooren stellen dezelfde voorwaarden, wat zult gij dan zeggen ?

Gij moest eerst zien en dan gelooven ; dat is de regel niet in het Koninkrijk Gods. Juist andersom, Thomas. Zalig zijn zl], die niet gezien zullen hebben en nochtans zullen geloofd hebben.

Zalig, die hier den Heere leert gelooven op Zijn Woord. Hier zal hij wandelen door het geloof, maar eenmaal zal het gelooven verwisseld worden door aanschouwen.

Wij zullen allen Jezus zien. Zult 'gij, lezer(es). Hem ook zien als uw Heere en uw God ?

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's