Over de oplossing van het kerkelijk vraagstuk.
I.
Wie het belijdend karakter van de Kerk des Heeren in deze wereld wenscht gehandhaafd te zien, kan zich onmogelijk vinden in den tegenwoordigen toestand der Ned. Herv. Kerk. Dat vrijelijk alle wind van leer over het kerkelijk erf kan waaien, dat de dienaren des Woords Christus kunnen prediken als de Weg, de Waarheid en het Leven, maar het evengoed kunnen nalaten en een anderen weg ten leven kunnen aanprijzen, wordt door hem ais een schuldige verwaarloozing van haar goddelijke roeping gevoeld. Deze toestand van diep verval doet voor hem het tegenwoordige kerkelijk vraagstuk ontstaan en hij speurt en zoekt, hoe hier tot verandering te komen en tot terugkeer naar den weg des Woords.
De handhaving van het belijdend karakter der Kerk brengt voor de toepassing in de practijk natuurlijk verschillende vragen mee. Leertucht wordt noodzakelijk. D.w.z. de Kerk heeft tot taak door middel van de tucht afwijking van de belijdenis, waardoor het belijdend karakter der Kerk in gevaar wordt gebracht, te voorkomen of te genezen Tegen hen, die weigeren de tucht aan te nemen, moet straffend worden opgetreden. Maar — en dat is een vraag, die zich al zeer spoedig opdoet — moet die leertucht zich allereerst en misschien uitsluitend over de dienaren des Woords uitstrekken, zoodat van den kansel niet geleerd wordt, wat strijdig zou zijn met de waarheid naar de Schriften ? Of moet ook op de andere ambtsdragers, ouderlingen en diakenen, nauwlettend worden toegezien, dat ze geen beschouwingen voorstaan, die tegen de belijdenis der Kerk indruischen ? En zal men ook de leertucht uitstrekken over de lidmaten ? En in hoeverre ?
Een tweede vraag staat in verband met het onderscheid, dat vroeger algemeen gemaakt is tusschen die waarheden, die geacht werden tot de fundamenteele leerstukken der Chr. religie te behooren en de waarheden, die daartoe niet werden gerekend. Zoo men alleen leertucht inzake de fundamenteele leerstukken wenscht, welke moeten dan daartoe worden gerekend ?
Evenwel hoe velerlei vragen opkomen, zoodra het de uitwerking geldt, wie in beginsel opkomen voor het belijdend karakter der Kerk, kunnen zich met den tegenwoordigen toestand der Ned. Herv. Kerk niet vereenigen en staan in wezen op denzetfden grondslag, waardoor de mogelijkheid van samenwerking om te komen tot verandering en vernieuwing van het kerkelijk leven tevens gegeven is.
Het behoeft geen aanwijzing, dat verschil lende groepen in de Herv. Kerk van zulk een handhaving van het belijdend karakter der Kerk niet willen weten. Van moderne zijde moge onlangs een proeve van een geloofsbelijdenis gegeven zijn, men meene niet dat men daar ooit te vinden zal zijn voor de handhaving eener belijdenis op kerkelijk erf, ook niet voor de handhaving eener moderne belijdenis. Vrijheid voor een ieder om te belijden, wat hij gelooft, zonder eenige gebondenheid aan Schrift of belijdenis of anderen objectieven maatstaf is en blijft daar het ideaal van kerkelijk leven. En ook van breede groepen der ethischen kan men weten, dat ze van een handhaving van het belijdend karakter der Kerk niet gediend zijn. Leertucht is voor velen hunner synoniem 'met conscientie-dwang, ofschoon het er in wezen niets mee te maken heeft. En voor handhaving van hun standpunt moet dikwijls deze caricatuur van ïeertucht dienst doen om den menschen schrik aan te jagen voor deze z.g. Geref. inquisitie.
Zij, die het belijdend karakter der Kerk wenschen hersteld te zien, vinden dus brede groepen in de Kerk tegenover zich, die daarvan niet willen weten en aan zulk een herstel niet wenschen mee te werken. Een streven • in die richting zal daarom altijd strijd verwekken. Van de wijze, waarop men zich zulk een herstel denkt, zal geheel afhangen, hoe 'die strijd zich ontwikkelen zal.
Eenige malen heeft men in de voorbijgegane jaren reeds getracht de al te groote leervrijheid in te binden door verscherping van de proponentsformule. Zij, die tot het predikambt in de Herv. Kerk worden toegelaten, leggen de belofte af om overeenkomstig het beginsel en het karakter der Ned. Herv. Kerk hier te lande het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Ook de aanstaande moderne predikanten leggen deze belofte af en achten deze woorden dus niet in strijd met de beginselen, die ze zijn toegedaan. Men wilde daarom van orthodoxe zijde een nadere en scherpere formuleering b.v. door achter de woorden „het evangelie van Jezus Christus" in te voegen : „die over geleverd lis om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking". Op die wijze hoopte men te voorkomen, dat voortaan mo derne predikanten het ambt van dienaar des Woords verkregen.
Natuurlijk heeft men hier met een „zekere" ïeertucht te-doen. Maar we zetten het woord „zekere" tusschen aanhalingsteekens om aan te duiden, dat deze Ïeertucht niets te maken heeft met die welke oudtijds in de Geref. Kerk werd toegepast. Niet, dat men hierdoor alleen predikanten trof is het afwijkende. Want dat de Ïeertucht zich allereerst behoort uit te strekken over de predikers van het Evangelie, is vroeger het gevoelen van alle rechtzinnige leeraars geweest. Als zoodanig kon het worden aangemerkt als een eerste stap op den goeden weg.
Maar er is iets anders, waardoor 't onbeduidende van deze leertucht klaar aan den dag komt. Immers de Herv. Kerk zou ook bij .scherpere formuleering van de proponentsformule er niet toe overgaan om de belijdenis van den toekomstigen predikant te toetsen aan de formule, die hij onderschrijft, misschien ook niet daartoe kunnen overgaan De persoon in kwestie maakt voor zichzelf uit, of hij de woorden van de proponentsformule meent te kunnen overeenbrengen met de geloofsvoorstellingen, die hij is toegedaan. Anders uitgedrukt : de woorden van de proponentsformule hebben geen algemeen erkenden zin, die door de Kerk gehandhaafd wordt, maar ieder is gerechtigd deze woorden naar eigen zin en keuze te verklaren. Daardoor is natuurlijk iedere formuleering met lamheid geslagen en verscherping van de proponentsformule zou waarschijnlijk slechts de onwaarachtigheid in de hand hebben gewerkt. De geschiedenis leert ons toch, dat velen van hen, die de Schriftuurlijke waarheden loochenen, toch dezelfde woorden en uitdrukkingen zijn blijven bezigen, schoon ze daarin een gansch anderen zin leggen dan deze woorden en uitdrukkingen van ouds hebben gehad. Het doel, dat men met" een scherpere formuleering beoogde, zou daarmee dus niet bereikt worden. Dat niettemin velen, ook der Gereformeerden in de Herv. Kerk zulk een verscherping der proponentsformule toejuichten, was niet, omdat men daarvan verbetering van den toestand en genezing der wonde verwachtte, maar wijl men wenschte, dat de Kerk op die wijze eenig bewijs zou geven haar belijdend karakter niet te hebben verloochend, al was ze dan machteloos om het te handhaven.
Een tweede bezwaar tegen de verscherping van de proponentsformule is, dat de Herv Kerk in haar tegenwoordigen toestand niet bij machte is den predikant aan zijne eens gegeven belofte te houden. Gesteld dat hij bij onderteekening den inhoud der belofte voilkomen beaamt, maar later andere beschouwingen is toegedaan, dan kan zulk een predikant zich in zijn ambt handhaven zonder dat de Kerk bij machte is kerkelijk tegen hem op te treden. Dat ligt niet alleen aan de vaagheid der formule of aan de willekeur, waarmee men deze formule naar eigen zin en keuze kan uitleggen, maar het hangt ook samen met heel de tegenwoordige kerkelijke organisatie. En een ieder ziet in, dat, als de Kerk niet in staat is om ten allen tijde hetgeen haar leeraars prediken en leeren, aan Schrift en belijdenis te toetsen moch zelfs aan de eens onderschreven belofte, er van werkelijke ïeertucht geen sprake kan zijn.
Naar een verandering van kerkelijk optreden, waardoor de predikanten tot verantwoording zullen geroepen worden met betrekking tot hetgeen zij leeren en de toetsing daarvan ten minste aan de proponentsformule wordt misschien door niemand verlangd noch gestreefd. Omdat men ook op die wijze geen schriftuurlijke tuchtoefening pleegt, maar een kerkelijke procedure, waarin tenslotte enkel willekeur den doorslag geeft. Immers in onze tegenwoordige kerkelijke organisatie zou deze zaak door de Besturen moeten worden behartigd, wijl in de handhaving der kerkelijke Reglementen is toebetrouwd. Maar om te beslissen of een predikant werkelijk in strijd komt met de afgelegde belofte, moet natuurlijk zijn optreden met .deze belofte worden vergeleken, waarbij de uitsIag tenslotte bepaald wordt door den zin en de beteekenis, door de Besturen aan de woorden der gelofte gehecht.
Het is duidelijk dat daardoor de ergste willekeur zou zegevieren. En de mogelijkheid bestond, dat de Besturen, door een hoogere autoriteit gebonden, zelfs een onschriftuurlijke uitlegging aan de belofte gingen geven om hen, die op den bodem van Schrift en belijdenis staan, te veroordeelen.
De tegenwoordige bestuursorganisatie, die oorzaak is van de huidige leervrijheid, belet tevens elke handhaving van het belijdend karakter der Kerk. Daarom wenschen allen, die dit laatste doel najagen, ook verandering van organisatie en wel zulk eene, waarbij de beslissing over vragen van belijdenis niet aan weinige personen is overgelaten met autoritair gezag, maar aan de breede vergaderingen van kerkelijke ambtsdragers toekomt en waarbij de eerste voorwaarde zij, dat allen zich aan het gezag der Schrift onderwerpen. Zij, die tucht hebben te oefenen, den plicht om zich aan de Schrift te onderwerpen ; zij, die zich te verantwoorden hebben, het recht om zich op de Schrift te beroepen.
Zoo vermijdt men een procedure met spitsvondigheden als onze huidige organisatie steeds meebrengt, waarin het formeele overheerscht en krijgt men plaats voor den Geest Gods om te leiden in alile waarheid ; dan gaat het niet om een formule of om enkele woorden, maar dan kan het werkelijk gaan om geest en hoofdzaak. Doch deze dingen zijn reeds zoo dikwijls naar voren gebracht, dat de lezers van ons blad in verband met ons onderwerp wel geen nadere uiteenzetting daarvan behoeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's