Stichtelijke overdenking.
»En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over. haar. Zeggende : Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient.« Lukas 19 : 41—42a.
Weenend naderen
De omstandigheden, m.h., waaronder wij hier samen zijn, doen mij denken aan een zeker verhaal. Dat verhaal kwam in het kort hierop neer. Iemand had reeds als jongeling het ouderlijk huis moeten ontvluchten, hoewel onschuldig, verdacht van een zware misdaad. En als 'hij na vele jaren zwervens door landen en over zeeën, eindelijk door een smachtend verlangen verteerd wondt, een verlangen naar zijn thuis, waar zijn wieg eens stond, waar hij opgroeide, waar hij door zijn moeder werd vertroeteld en hij genoot de liefde zijns vaders, dan kan hij het in den vreemde niet meer .houden en waagt 'het om de grenzen van zijn vaderland weer binnen te trekken. Reeds klopt zijn hart blijder, als hij zijn moedertaal weer hoort spreken, en hoe meer hij zijn doel nadert, hoe sneller gaat hij voort, totdat hij eindelijk in zijn geboorteplaats aangekomen, heenijlt naar de plaats waar hij wist dat zijn ouderlijk huis moest staan, en hij stelt zich voor hoe hij zoo aanstonds zich zal werpen in de armen zijner moeder.
Ha, daar is het huis, maar meteen ontwaart hij tot zijn schrik, dat het onbewoond is. En op zijn navraag, of men ook weet waar zijn ouders zijn, wijst men hem heen naar het stille kerkhof.
Wat 'beteekende nu dat huis voor hem ? Wat had hij er nu aan of hij al terug was op de plaats, waarnaar hij met zooveel smachtend verlangen had uitgezien ?
Het beteekende niets voor hem, niets. Hij was in zijn huis, maar daarmede was hij niet thuis. Want waar het hem boven alles om te doen was, zijn dierbare moeder en zijn trouwe vader, die waren er niet. Het ware voor hem, het echte, zijn zielsverlangen, het leven was er uit, de ziel was er uit.
Deze rede werd uitgesproken in de Ned. Hervormde Kerk van Niawier (bij Dok-Kum) voor de Vereenigin.g tot Evangelisatie te Niawier en Metslawier, door haren eerevoorzitter, ds. Goverts, te Ooster-Nijkerk.voorzitter, ds. Goverts, te Ooster-Nijkerk. De Gemeente Niawier en Metsiawier is reeds vele jaren vrijzinnig. Doch het College van Kerkvoogden en Notabelen te Niawier, nu in meerderheid orthodox, gaf aan de Vereeniging tot Evangelisatie het kerkgebouw ten gebruike voor hare godsdienstige samenkomsten. Bij deze ingebruikneming op 19 Maart 1.1. werd het bovenstaande gesproken.
Ziet, m.h., daaraan herinnert mij ons zijn aan deze plaats. Wij kunnen zeggen : „Hier is ons huis, waaruit we jarenlang, onschuldig, zij^n verbannen geweest." Hier is ons huis, waar we onze jeugd doorbrachten of tewel waar onze vaderen eenmaal getuigenis %flegden van hun hopen en gelooven.
Het huis, waarvan we zouden kunnen zingen met den dichter :
„Wat blijdschap smaakt mijn ziel. Wanneer ik voor U kniel In 't huis dat Gij ons hebt gemaakt."
In ons huis, maar nog niet thuis. Want we zijn hier slechts samen als Vereeniging en niet als Gemeente.
Hier wel een bestuur, maar geen Kerkeraad van Opzieners en Armverzorgers. Hier geen bediening des Woords en der Sacramenten in den van God verordenden weg.
En 'behalve dat, bij Niawier Metslawier. behoort Daar is ook een bedehuis. En dat blijft voorloopig nog voor ons gesloten. Daar moeten we het lijdelijk aanzien hoé de Christus der Schriften gelooohend wordt.
En daarom, m.h., zeer zeker, er is reden tot dankbaarheid. Dankbaarheid jegens Hem, die het in Zijne génade daarheen leidde dat we in deze ure wederom in dit bedehuis mogen samen komen.
Maar nog eens : al zijn we in ons huis, thuis zijn we nog niet; nog lange niet. Het is slechts een klein stapje verder om thuis te komen.
Zeer zeker reden tot blijdschap. Reden om reeds nu te zeggen : „de Heere heeft groote dingen aan ons gedaan, dies zijn we verblijd." Maar ook nog wel degelijk reden om in deze met den dichter te bidden :
„Verlaat niet wat Uw hand begon, O Levensbron, Wil bijstand zenden."
„En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,
zeggende : Och, of gij ook bekendet ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient."
We lezen slechts tweemaal in de Heilige Schrift dat Jezus geweend heeft; n.l. eenmaal bij het graf van Lazarus en in ons tekstwoord. We kunnen dan ook wel zeggen, als Hij weent, dan moet er wel een zeer bijzondere oorzaak daartoe zijn. Want wat een ellende moest Hij al niet aanschouwen in de dagen Zijner omwandeling op aarde. Als Hij verkeerde onder de Schriftgeleerden en Farizeërs, en al die zonden zag en dat afwijken van God en Zijn heilig recht. Of als Hij die ellendigen zag, die tot Hem gebracht werden, kreupelen, blinden, dooven, van den duivel bezetenen.
Bij dat alles lezen we niet dat Hij weende. Maar hier „als Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar."
Laten we dus de gelegenheid waarbij dit voorviel wat nader beschouwen.
De profetie van den ouden dag is vervuld'. De Koning Israels is Zijne hoofdstad genaderd, „zittende op het veulen eener ezelin."
En de schare roept het in geestdrift uit, terwijl ze hunne kleederen op den weg werpen : „Hosanna, gezegend is Hij die komt in den naam des Heer".
En dan in eens, waar de weg een bocht maakt, ligt daar Jeruzalem voor de oogen van Jezus en de scharen.
Jeruzalem, de schoonste stad van het Oosten.
Jeruzalem, de stad des grooten Konings. De stad waarvan betuigd was : „Indien Ik u vergeet o Jeruzalem, zoo vergete mijn rechterhand zich zelve".
Maar helaas, reeds eeuwen aaneen is dat zelfde Jeruzalem een moordhol der profeten geweest. Jaren aaneen hebben ze den trouwsten arbeid verijdeld.
.Naar waarheid kan dan ook de Heere Jezus klagen :
„Jeruzalem, Jeruzalem gij die de profeten doodt en steenigt, hoe dikwijls heb Ik u willen vergaderen gelijk een hen hare kiekens, maar gij hebt niet gewild."
Wat is hier niet gezaaid voor het Koninkrijk Gods.
Maar de onvruchtbare akker heeft anders gedragen dan doornen en distels. niet
En ook Hij zelf, de hoogste Profeet en Leeraar, hoe heeft Hij op hare straten geleerd, geleerd in woorden van vermaning, van bestraffing, van bedreiging, in bidden en smeeken, in troost en in raad geven.
En dan nog de werken die Hij er gedaan heeft. Zijn helpen en heelen ; Zijn weldoen en zegenen. Zijn waken en bidden.
Maar ach, wat heeft Hij anders gevonden dan gesloten ooren en afkeerige harten ?
Daar in diezelfde stad en tempel heeft Hij het gezegd : „Ik ben het Licht der wereld", maar ze hebben de duisternis liever gehad dan het Licht.
Daar heeft Hij het verkondigd : „Ik ben de goede Herder", doch ze verkozen liever te 'blijven aan den rand van den gevaarlijken afgrond.
Daar heeft Hij hun duidelijk geleerd : „Ik en de Vader zijn één", doch men heeft Hem in Zijne reden zoeken te verstrikken en Zijn hoofd met steenen bedreigd.
Drie jaren lang kwam Hij telkens tot den onvruchtbaren vijgeboom om vruchten te zoeken. Maar helaas. Hij las distels voor vijgen.
Zoo is een blik op het verleden voor den Heiland aanleiding om tranen te storten over Jeruzalem.
„En als Hij nabijkwam en de stad zag, weende Hij over haar."
En wat dunkt u, mijne hoorders. Als diezelfde Heiland ook nu eens nabijkwam en deze „stad", deze Gemeente zag, wat dunkt u, zou Hij dan ook niet weenen ?
Want neen, dat geldt niet alleen van Jeruzalem : „hoe dikwijls heb Ik u willen vergaderen gelijk een hen hare kiekens", doch dat geldt van alle plaatsen waar eenmaal de boden kwamen om het goede te boodschappen en den vrede te verkondigen ; dat geldt van alle plaatsen, waar ooit het licht geschenen tieeft van het liefelijk Evangelie, of nog schijnt.
En dat kan ook van deze gemeente gezegd worden. Immers in onze onmiddellijke nabijheid is de historische plaats, waar eenmaal een Bonifacius en anderen voet aan wal zetten, om het heerlijk Evangelie van Gods vrije genade in Jezus Christus te verkondigen.
Ja, ook hier werd die boodschap gebracht.
Ook hier brak het licht door in den 'donkeren nacht.
Ook hier week de duisternis des heidendoms en kwam schijnen de eeuwige Zonne der Gerechtigheid.
En als later de zuiverheid der leer te loor gaat en het wordt regel op regel en gebod op gebod en het werkverbond weer op den voorgrond komt in plaats van het verbond der genade, dan blijkt het, dat de Heere ook dit deel van Zijnen wijngaard niet vergeet
Want ook hier breekt de Hervorming door. Ook hier kwam weer een Kerk, gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste en eeuwige hoeksteen is.
En als toen de Heiland nabij was gekomen en „de stad" gezien had. Hij zou gejuicht en gejubeld hebben over zooveel geloof en zooveel getrouwheid.
Maar nu zoo geheel anders. Nu moet degene, wien het heil van Sion ter harte gaat, met den profeet uitroepen : „Och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springader van tranen, zoo zou ik dag en nacht beweenen de verslagenen van de dochter mijns volks".
En als de Heiland dan ook nu nabij kwam en deze gemeente zag. Hij zou ook over haar weenen. Hij zou weenend bedenken wat al aan dezen wijngaard gedaan was, wat al woorden gesproken, wat al teekenen gedaan.
En nu de vrucht van dat alles, dat men zijn ooren stopt en de tanden knerst, dat men hoorende doof is en ziende blind en er geen bezwaar in ziet Hem dagelijks te ontvangen met de kreet : „Weg met 'Hem, kruist Hem."
Want niet alleen dat de Heiland weende over Jeruzalem met een blik op het verleden, maar ook op het tegenwoordige.
Zeer zeker, men eerde Hem grootelijks door de juichkreten : „Hosanna, gezegend is Hij die komt in den naam des Heeren" ; maar wat beteekent dat, want Jezus weet het, zij maken zich reeds op, die Hem ten bloede toe zullen bestrijden.
Wat teekent dat juichen voor Hem en die eerbewijzen, want Hij weet het nauwelijks zullen de laatste echo's der juichtonen zijn weggestorven langs de hellingen der bergen of langs Jeruzalem's straten zal de rauwe kreet gaan : „kruist Hem, kruist Hem !"
Immers daar in de bloedstad is reeds de bloedraad vergaderd, die niet rusten zal, aleer Hij hangt aan 't kruishout der schande.
Daar loert reeds een Cajafas in den naam des Allerhoogsten op den man, die zonde zonde durfde noemen.
Daar woont en wankelmoedig volk, dat meegezwiept zal worden als de wateren der zee door den wind.
Daar is de via dolorosa, de weg der smarte de doodsweg, waar men Hem langs zal voeren naar Golgotha's top.
En Jeruzalem ? Dat zal het aanzien..Meer nog, het zal het goedkeuren. Erger nog, Jeruzalem zal het bevorderen.
Is het wonder als Hij nabij kwam en de stad zag, dat Hij over haar weende ?
Zou het wonder zijn, als Hij ook nu nog nabijkomend en zoo menige „stad", zoo menige Gemeente ziende, tranen schreit ?
Waar men het immers ook in onze Kerk vaak zoo kalm en gelaten aanziet, hoe de Christus geloochend wordt. Ja, het goedkeurt dat Hij nog dagelijks eigenlijk gekruisigd wordt, door geen hand uit te steken en geen woord te spreken, opkomend voor Zijn dienst en Koninkrijk. Ja, zulks vaak bevordert, daar men — hoewel beter wetende — vaak samenspant met zulken, die roekeloos met God en godsdienst spotten.
O, indien Jeruzalem geweten had hetgeen tot haren waren, eeuwigen vrede was dienende, hoe geheel anders zou het geweest zijn. Het zou zich bekeerd hebben in zak en asch en ootmoedig hebben uitgeroepen : „Wees ons genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid ; delg onze overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden."
Maar neen. Hij kwam tot de Zijnen, maar de Zijnen kenden Hem niet.
En nu wordt dan ook Jeruzalem bedreigd door de vreeselijkste straffen.
, , Maar wanneer gij zult zien dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo weet alsdan dat hare verwoesting nabij is gekomen.
Alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen.
Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde wat geschreven is."
Zijn profetische blik ziet reeds de ure dat dat vreeselijke gaat gebeuren. Hij ziet den vijand reeds aanrukken. Hij hoort het kermen der inwoners. En schouwt stad en tempel veiibroken, zoodat geen steen op den anderen blijft.
En in dat alles de wrake Gods. Omdat ze den tijd hunner bezoeking niet gekend hebben en den tijd der genade hebben laten verstrijken.
Is het wonder, dat als Hij nabij kwam en de stad zag en haar toekomstig lot, dat Hij over haar weende ?
En zou Hij ook ten dezen opzichte niet weenen, als Hij hier nabij kwam en „de stad", deze gemeente, zag met hare inwoners ?
Zou Hij niet weenen, als Hij onze Hervormde Kerk nabij kwam en haar kwam bezien ?
Zou Hij niet weenen over het oordeel, dat ook zeker haar wacht, indien ze blijft voortgaan op den heilloozen weg waarop zij nu al meer dan 100 jaren wandelende is ?
Want „tot de Wet en tot de Getuigenis. Indien ze niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat ze geen dageraad zullen hebben."
Geen dageraad. Dat ging zoo met de stad die Jezus nabij kwam en zag. Dat ging zoo met Jeruzalem al dieper en dieper, en het werd al donkerder en donkerder, omdat ze niet terug wilden, terug tot de Wet en de Getuigenis. Omdat ze Hem verwierpen, die gekomen was om de Wet te vervullen. Omdat ze Hem gingen kruisigen, die kwam getuigen van den Vader en Zijn zaligmakend werk.
Daarom werd het bij Jeruzalem al donkerder en donkerder. Totdat het een nacht werd van schaduwen des doods, waarop geen dageraad meer volgde.
En datzelfde zal naar het eigen Woord des Heeren ook onze Hervormde Kerk treffen, indien we niet terugkeeren tot de .oude paden.
Wie van den hoogen God afvalt, móét vallen.
Wie God verlaat, heeft smart op smart te wachten.
Ook voor onze Kerk staat het er zoo donker voor ; zoo heel donker. En God de Heere moge verhoeden dat er mee gebeurt, wat in Jeruzalem in vervulling ging, dat geen steen op den anderen gelaten zal worden en onze Hervormde Kerk alzoo tot een volslagen ruïne zal worden.
Maar als zulks toch zoo zijn moest, als dat lot haar wachtte, wat dunkt u, zou Jezus dan als Hij nabij komt en „de stad" ziet, niet weenen ?
Weenen, zooals Hij eenmaal weende over Jeruzalem ?
Weenen bittere tranen van smart ? Want o ja, ook van die „stad" — onze Hervormde Kerk — moet Hij niet getuigen : „Hoe dikwijls heb Ik u willen vergaderen, gelijk een hen hare kiekens."
Dikwijls, ontelbare malen. Maar als ze dan niet wil, onze Kerk ? Zeker, de „hosanna's" klinken nog. Hem toejuichende als den groeten Rabbi van Nazareth.
, Hiosanna' : we moeten Hem volgen in het voorbeeld door Hem gegeven.
„Hosanna" : in Zijne voetstappen moeten we wandelen.
„Hosanna" : nooit is een mensch op aarde geweest, zóó eerlijk, zóó oprecht, zooveel overhebbend voor de goede zaak als Hij.
Maar al die „hosanna's", wat zijn ze anders dan zoovele „kruist Hem's" ?
Imr^ers ondertusschen maakt men zich "op om Hem te kruisigen, door Hem te loochenen als waarachtig God en mensch. Hem te ontkennen als den eenigen Behouder en Zalgmaker van in zichzelf verloren menschenkindeiren ; door Hem inderdaad te bannen van alle terrein des levens, zelfs uit onze Kerk.
En als ze dan niet wil, onze Kerk, als zij, evenals eenmaal Jeruzalem, dat alles lijdelijk blijft aanzien en goedkeuren, ja, bevorderen, wat dan?
Dan zal de Heere met droefheid moeten klagen :
Och had naar Mijn Raad, Zich Mijn volk gedragen. Och had Isrel's zaad Op Mijn effen paan, IJv'rig willen gaan, Naar Mijn welbehagen." (Wordt vei-volgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's