Over de oplossing van het kerkelijk vraagstuk.
II.
Het doel, dat beoogd wordt, is dus een belijdende Kerk met presbyteriale kerkregeering, waardoor .de ambtsdragers in kerkelijke vergaderingen kunnen samenkomen om in gebondenheid aan de Schrift en onder de leiding des H. Geestes te zoeken naar wat tot opbouw der Kerk kan dienen.
Hoe daartoe te komen ? Velen zien hier maar één weg tot oplossing, dat n.l. de Herv. Kerk in haar geheel terugkeere tot den weg des Woords en opnieuw de presbyteriale kerkregeerang aannemend, alle opgekomen en opkomende vragen, voor 't leven der Kerk van belang, aan de Schrift toetse en naar uitwijzen der Schrift beslisse.
Dat men zulks wenscht en hoopt, is verklaarbaar. De eenigheid der Kerk ligt alle kinderen Gods nauw op het hart gebonden ; scheuring en verdeeling verzwakken immer de positie der Kerk in .deze wereld. Voor de hervormers, in het bijzonder voor Luther, was er dan ook eerst iets hartverscheurends in gelegen om tegen den paus en tegen 'de kerkelijke vergaderingen en hun besluiten te moeten optreden. Hoe gaarne was hij in 't kader der katholieke Kerk gebleven om alle scheuring te vermijden, indien men slechts plaats gegeven had aan het Woord Gods om vrij en ongestoord te heerschen I
Zoo is ook te verstaan, dat, als het streven naar een belijdende Kerk .de mogelijkheid meebrengt, dat de Herv. Kerk niet in haar tegenwoordige eenheid gehandhaafd blijft, velen met bange vrees vervuld worden en met een zeker wantrouwen tegenover zulk streven staan. Want ze meenen, dat de eenheid der Kerk een Christen boven alles behoort te gaan en iedere scheuring uit den booze is.
Dit is oorzaak, dat vele predikanten en gemeenteleden, die op den bodem van Schrift en belijdenis staan, van alle kerkelijke actie zich verre houden. Want — is gedurig de opmerking — men weet wel waar men begint, maar niet, waar men uitkomt en van scheuring moet ik niets hebben ; geen nieuwe afscheiding, geen nieuwe doleantie !
Dergelijke opmerkingen moet men niet als een bewijs van lauwheid en laksheid op zij werpen ; men moet trachten ze te waardeeren omdat ze, gezien de historie der vorige eeuw, zoo geheel verklaarbaar zijn. Immers alle kerkelijke actie, een eeuw lang gevoerd, heeft tweemaal op zeer scherpe wijze tot scheuring geleid. Afscheiding en doleantie beide hebben een breede kloof gegraven tusschen broeders van hetzelfde huis en Gemeenten, die in haar geheel op den grondslag der belijdenis stonden, zijn vaak in twee, drie deelen uiteengescheurd.
Geen nieuwe afscheiding I geen nieuwe doleantie 1 We zijn het daarmee volkomen eens. De belijdende Kerk des Heeren moet niet uit elkaar gescheurd worden. Maar de vrees voor verkeerde uitkomst mag ons niet bewegen om aan alle kerkelijke actie ons te onttrekken. Zich neer te leggen bij den tegenwoordigen wantoestand .maakt ons; schuldig voor God. We hebben te doen wat onze hand vindt om te doen, opdat het Woord des Heeren weer in eere kome en de Kerk naar dat Woord wandele. Aan deze roeping zich te onttrekken is schuldige verwaarloozing van zijn plicht.
Is het dan mogelijk een weg tot herstel te vinden, waarbij de kwade vruchten van afscheiding en doleantie vermeden worden ?
Zooals we reeds zeiden, achten velen dit onmogelijk tenzij heel de Herv. Kerk terugkere tot den weg des Woords en opnieuw onder de tucht der Schrift zich stelle. Al hun hoop is erop gericht, dat dat door Gods goedheid nog eens gebeuren mag. En is er iemand, die twijfelt en over dergelijke toekomstgedachten het hoofd schudt, dan stellen ze de kwestie van het geloof in Gods almacht en vragen : „gelooft ge niet, dat God machtig is zulks te doen en door Zijn Geest te werken?
Ja zeker, antwoorden we ; zou één ding voor den Heere te wonderlijk zijn ? Hij is de machtige om een vlakte vol dorre doodsbeenderen te veranderen in een dal met levende menschen. Maar zijn we gehouden te gelooven, dat God alles zal doen, waartoe Hij de macht bezit? Wat voor grond hebben we om te gelooven en te hopen, dat heel de Herv. Kerk eens tot die wedergeboorte zal komen, die haar het Woord des Heeren doet aanvaarden als eenig richtsnoer voor leer en leven ?
Dat de begeerte daarnaar uitgaat en het gebed daarvoor opklimt, achten we alleszins goed, maar mogen we ons bij ons kerkelijk handelen laten leiden door de verwachting, dat dit zeker gebeuren zal ? Men mag zich van de gronden, waarop deze verwachting rust, toch wel ernstig en nauwgezet rekening geven, want blijken ze mettertijd verkeerd, dan is heel de kerkelijke actie, die zich daardoor leiden liet, veroordeeld en tegen den grond geworpen.
In een nummer van de maand Januari staat in een artikel van den hoofdredacteur deze zinsnede : „wij gelooven niet in de illusie der Confessioneelen, dat de moderne zijn weg zal verlaten, dat de Evangelische het ware Evangelie zal aannemen, dat de Ethische in onze Geref. Kerk zal leeren spreken naar het beschreven woord van God". De schrijver van dit artikel heeft o.i. teveel gegeneraliseerd. Niet alle Confessioneelen zijn van deze illusie vervuld. Maar tegen het woord illusie als zoodanig kan geen bezwaar worden gemaakt, inzooverre daardoor een geloof te kennen wordt gegeven, dat geen vasten grond in de Schrift vindt.
De „Geref. Kerk" heeft zich echter aan deze woorden ten zeerste gestooten en in 't nummer van 2 Febr. 1922 achtte ze zich geroepen om in een artikel „De Waarheidsvriend en wij" op grond van deze woorden tegen de richting van de Waarheidsvriend te waarschuwen.
In dit artikel komt het standpunt ter sprake , waarop wij boven hebben gedoeld en dat gedurig scheiding maakt tusschen Geref. en Confessioneelen, tusschen Waarhieidsvriend en Geref. Kerk. Met op dit punt nader in te gaan bedoelen wij volstrekt niet een klove te graven tusschen Geref. en Confess., maar we zouden gaarne eerlijk en rond over dit stuk van gedachten willen wisselen om te zien of hier werkelijk zulk een diepe klove gaapt-, als de Geref. Kerk gedurig verkondigt. We voldoen daarmee tevens aan een wensch der Geref. Kerk in genoemd artikel : „En laat de Waarheidsvriend, die gaarne pleegt te spreken van „naar den Woorde Gods" zijn gevoelen dan eens met gronden uit Gods Woord verdedigen".
De bestrijding van het aangehaalde woord uit de Waarheidsvriend begint op deze wijze : „Ronduit staat het hier : wij gelooven niet". Zonder in aanmerking te nemen, wat de Waarheidsvriend niet gelooft, wordt hier uit de beschuldiging van ongeloof gesmeed, ongeloof in Gods macht. Waarom met-bizonder gedrukte letters de tekst wordt .aangehaald : „Wat onmogelijk is bij de menschen is mogelijk bij God" en eveneens : „Indien gij niet gelooft, zekerlijk gij zult niet worden bevestigd".
De Geref. Kerk vergeet echter, dat wij volgens de Schrift niet gehouden zijn om te gelooven, dat geschieden zal, wat Gods macht kan werken. Integendeel. Want dan zou men lederen wensch en hoop, die God machtig is te vervullen, met den naam van geloof kunnen bestempelen. Toen Nebucadnezar met zijn leger het beleg om Jeruzalem sloeg, geloofden vele profeten met groote vastheid van overtuiging, dat de Heere Zijn volk verlossen 2ou en ze lieten niet na het volk op dien grond te bemoedigen en te troosten. De Heere zou zijn erfdeel immers niet vergeten noch verlaten ! Doch juist de profeten waren valsche profeten en Jeremia, de man Gods, ofschoon hij zeker geloofde, dat God machtig was uitredding te geven, zag zioh nochtans gedrongen om niet te gelooven aan een verlossing uit Nebucadnezar's macht ; want hij kende den afval van zijn volk en Gods Wrekende gerechtigheid. Op het standpunt van de Geref. Kerk zou men evengoed als van de Waarheidsvriend ook van Jeremia kunnen zeggen : „hij geloofde niet".
Een ander voorbeeld. In de vragenbus der Geref. Kerk kwam inder: tijd de vraag voor, Waarom dr. Hoedemaker zoo lang was mee gegaan met dr. Kuyper in die kerkelijke actie, die ten slotte op doleantie uitliep. Daarop antwoordde de vragenbusschrijver, die het wel weten zal, dat dr. Hoedemaker geloofd heeft, dat God hem zou gebruiken om zich op het 'laatste oogenblik voor de hollende paarden te werpen en ze naar den "•echten weg te doen keeren. Dat geloof van Hoedemaker is beschaamd geworden. We zeggen het volstrekt niet als een beschuldiging. We halen dit voorbeeld alleen aan om te doen zien, dat ons geloof, bovenal het geloof, dat we anderen wenschen aan te prijzen, een grond in de Schrift behoort te hebben. Daardoor alleen is het gerechtvaardigd.
Tot nu toe echter heeft de Geref. Kerk niet kunnen aantoonen, op welken grond haar geloof rust, dat God eens de Herv. Kerk in haar geheel zal reformeeren en tot den rechten weg brengen. Wel wordt in het genoemde artikel een poging daartoe gewaagd, maar geheel te vergeefs. We zagen toch, dat het bewijs van Gods almacht hier niets ter zake doet. En de beide andere bewijzen tot staving van dit geloof zeggen evenmin iets, bewijzen eer het tegendeel van hetgeen ze moeten aantoonen.
, , Denkt u nu in, zoo lezen we, dat Elia, toen er in Israël nog maar 7000 waren overgebleven, die de knie voor Baal niet hadden gebogen, ook de taal van de Waarheidsvriend had gesproken en gezegd : de Heere wijst mij met den vinger aan, dat voor heel onze natie niets meer valt te hopen. Dan was er ook van Israël niets terecht gekomen".
Met groote verbazing heb ik dit z.g. bewijs gelezen. Daargelaten of Elia voor zijn natie gehoopt heeft, wat de Gereformeerde Kerk voor de Hervormde Kerk hoopt, wat op Schriftuurlijke gronden te betwijfelen valt, moet ik den lezers verzoeken nog eens even de conclusie te lezen : „dan was er ook van Israël niets terecht gekomen".
Heeft de Gereformeerde Kerk soms andere geschiedbronnen dan gewone menschen, dat ze ons kan zeggen, wat er van Israël is terecht gekomen ? Want we meenden, dat volgens de gangbare beschouwing werkelijk van Israël niets is terecht gekomen, dat het volk der 10 stammen in ballingschap is "weggevoerd en niemand tot op den huldigen dag weet, wat er met hen gebeurd is en waar ze gebleven zijn. Indien Elia de verwachting gekoesterd heeft, die de Gereformeerde Kerk van de toekomst heeft, is hij beschaamd uitgekomen. Maar dat soort ongeloof, waarvan de Waarheidsvriend beschuldigd wordt, is hem niet geheel vreemd geweest. Al ging hij te ver, toen hij meende alleen te zijn overgelaten, al was het tot groote bemoediging, toen hij hoorde dat nog 7000 de knie voor Baal niet hadden gebogen, de groote en algemeene afval zijns volks heeft hem de komende gerichten doen schouwen evengoed als de profeten in Juda.
Het tweede voorbeeld, dat als bewijs moet dienst doen, luidt aldus : „Of denkt u in, dat Luther in zijn dagen, toen alles voor den Paus en Rome op de knie lag, daarin een vingerwijzing Gods had gezien, om nu maar niets meer van zijn volk en Kerk te hopen ; dan was Gods Kerk nooit gereformeerd of hervormd."
In Gods hand heeft Luther mogen meewerken tot het doorbreken van een krachtige reformatie in Gods Kerk, maar de geschiedenis laat ons duidelijk zien, dat de Christelijke (Katholieke) Kerk zijner dagen niet-in haar geheel gereformeerd is geworden. Slechts een-deel der Kerk is tot •nieuw leven en tot gehoorzaamheid aan de Schriften ontwaakt en het andere deel heeft des te hardnekkiger zijn dwalingen vastgehouden. Wij gelooven zeer zeker in de kracht van Gods Woord en Geest om een nieuwe Reformatie te verwekken, maar op welken grond zouden we mogen gelooven, dat g a n s c h - de Kerk daardoor tot nieuw leven zal komen en niet een deel, zelfs het grootste deel, evenals in de dagen der hervorming zich verharden zal in zijn dwalingen ? Het beroep, dat de Gereformeerde Kerk hier op Luther en de geschiedenis doet, zegt niets ; bewijst integendeel, dat 't goed is ons niet aan illusies over te geven. Juist daarvoor is de historie zoo leerzaam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's