De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

13 minuten leestijd

De regenboog.

De regenboog is een teeken van Gods verbond ; dat de wereld niet meer zal vergaan met water, gelijk de eerste wereld is ten onder gegaan. Van het einde dezer bedeeling is ons geschreven dat, in den grooten dag der dagen, als de Heere Zijn Raad zal hebben uitgevoerd, de elementen brandende zullen vergaan en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal worden geopenbaard. De wereldgeschiedenis zal dus niet meer onderbroken worden zooals in de dagen van Noach door den zondvloed.

Nu is de regenboog daar een treffend teeken van. Die boog toch ontstaat uit de worsteling van licht en duisternis ; daardoor die sierlijke kleuren en daardoor zoo vol beteekenis. Evenals de zon hare stralen werpt in de waterige wolken-massa's, die dreigen over de aarde los te breken, zóó straalt de genade Gods in het midden van de verdervende macht van de wereld. En gelijk de werking van het licht in die wolken die nameloos schoone kleuren er op toovert, zóó wekt Gods algemeene liefde en rijke ontferming in deze zondige wereld al het schoone, al het mooie, al het goede, al het aangename, waarin wij ons in dit tranendal nog mogen verheugen en wat de Heere bestendigen zal tot op den grooten dag des gerichts, als Jezus zal komen op de wolken om ie oordeelen de levenden en de dooden.

Of de regenboog er tevoren reeds geweest is of eerst na den zondvloed voor het eerst is gezien, is betrekkelijk een vraag van ondergeschikt belang. Overwegende dat hij een natuurverschijnsel is, waarvan de bewerkende oorzaken, de zon en de regenwolken, niet eerst na den zondvloed zijn ontstaan of elkander toen voor het eerst zóó hebben ontmoet, dat er een rijke kleurschakeering ontstond, zijn wij geneigd te zeggen, dat de regenboog ook vóór den zondvloed er was. Maar het is duidelijk, dat de boog in de wolken na den zondvloed voor Noaoh en zijn nakomelingen voor het eerst tot eèn teeken van Gods verbond is gesteld, sprekende nu voor alle geslachten, die bij het Woord leven, van zeer heerlijke dingen.

Zooals het water in den doop spreekt —• voor degenen die bij het Woord leven ; zooals het brood en de wijn bij het Avondmaal spreken — voor degenen die bij het Woord leven ; zóó ook spreekt de regenboog in de wolken voor degenen die bij het Woord leven. Met dit onderscheid, dat Doop en Avondmaal, gelijk de Besnijdenis en het Pascha als sacramenten teekenen en zegelen zijn bij Gods genadeverbond en de regenboog als een teeken in de wolken staat en als een zegel gerekend mag worden van Gods algemeene liefde en trouw. Niet dus om te gebruiken door de huisgenooten des geloofs, zooals Doop en Avondmaal als teeken en zegel door de geloovigen gebruikt en genuttigd worden en als in zich worden opgenomen. Maar staande als een teeken, een heerlijk, een overweldigend schoon teeken om vanuit de verte mensch en beest en heel de aarde Gods sparende liefde af te malen en te bezegelen.

In betrekkelijken zin kan men dus de regenboog een sacrament noemen ; maar niet in eigenlijken zin. Het is niet een sacrament, behoorend bij het genadeverbond, om door de geloovigen gebruikt te worden als Doop en Avondmaal — als de besnijdenis en het Pascha vroeger.

Dat noopt ons om nog iets te zeggen over het karakter van het verbond door God met Noach opgericht, waarvan we de mooie en breede beschrijving lezen in Genesis 9 vers 8—17.

Natuurlijk is het ook een verbond, dat door Gods genade wordt en dat enkel door Gods ontfermen mogelijk is. Na den val is geen ander verbond tusschen God en mensch denkbaar, of het moet een genadeverbond zijn. Maar toch moet er onderscheid gemaakt worden tusschen het verbond dat God in Genesis 3 vers 15 met Adam, en later duidelijker met Abraham opricht en bevestigt — en het verbond met Noach en zijn nakomelingen gesloten, waarvan de regenboog het teeken en in zekeren zin ook het zegel is.

Opent het genadeverbond met Abraham den weg naar de eeuwigheid voor Gods volk, het verbond met Noach baant een weg door den tijd voor alle menschen.

Het particulier genadeverbond met Abraham opgericht leidt Gods kinderen naar den hemel ; het algemeen genadeverbond met Noach gesloten leidt de menschheid door de wereld.

En zijn wij zoo allen, Christen, Chinees, Indiër, ja, alle menschen, in dat algemeene genadeverbond met Noach opgericht begrepen, gelijk de regenboog zich spant over aller hoofd, daardoor de zegeningen des levens met beschaving, levensgenot, enz., genietend, in het particulier genadeverbond met Abraham opgericht, hetwelk vastligt in Jezus Christus, deelt het Sion Gods tot eeuwige zaligheid in de verzoening der zonden.

Er is dus groot onderscheid tusschen die beide verbonden. Die in het algemeene deelt, deelt daarom niet in het particuliere genadeverbond. Maar het particuliere genadeverbond, tot vergadering en zaliging van Gods Kerk, zou niet uitgewerkt kunnen worden, als de Heere niet in Zijn algemeen verbond mensch en beest, heel het aardsche leven dragen, sparen en zegenen wilde tot op den jongsten dag.

Er moest een bodem, een veld, een terrein komen waarop het tweede verbond kon steunen tot toevergadering van Gods Kerk. En die bodem is geschapen in het eerste verbond, dat God met Noach oprichtte.

Is het dus zelf slechts een natuurverbond, het moet toch dienen tot stichting van het eeuwig, geestelijk Koninkrijk van Jezus, Christus.

Anti-militairist.

Iemand vraagt ons, of zijn zoon, die soldaat moet worden, eigenlijk wel „onder dienst" mag gaan ; want staat er niet : gij zult niet doodslaan ? Moet een christen niet tegen den oorlog zijn en mag een christen dan wel soldaat zijn ; mag hij zich wel gaan oefenen, om straks te dooden z'n evenmensch ?

Vergeef ons, dat we hier niet lang bij stilstaan. Dooden, moorden is verboden. God wil door het verbod : „gij zult niet doodslaan", een schild ter beveiliging houden boven het leven van den mensch. Maar de zonde is in de wereld werkzaam (och, dat alle utopisten daar toch een weinig meer rekening mee wilden houden I) en als nu zoo gemakkelijk iets uit mijn huis gestolen kan worden, doe ik een slot op mijn deur ; wellicht een dubbel slot ; en nog een of twee knippen er bij. 'k Heb ook nog een vrouw en kinderen. En die wil ik liefst zoo goed mogelijk beveiligen ; en m'n meubels en m'n weinigje geld — ook.

Mag ik een slot op de deur doen ? Leeft er dan geen God in den hemel ?

Neen — ik mag het niet doen; ik moet het doen. Niet om God dan te vergeten (wee, die vleesch tot z'n arm stelt), maar om God niet te verzoeken.

Zoo hebben we een Vaderland, dat dierbaar plekje grond, ons van God gegeven. We hebben een geliefd Koningshuis enz! enz. Als nu (och, dat alle utopisten toch met de zonde en dus met de werkelijkheid rekening hielden !) gevaar dreigt voor land en volk, voor vorstenhuis en vaderland, voor huis en haard dan moeten we als volk klaar zijn. En daarom de oefening van het jonge, krachtige, vaderlandslievende, opkomende geslacht ; de oefening in de hanteering van wapens ! Niet om roekeloos over landen en volken moord en doodslag te brengen. Maar om te staan voor Koningin en Vaderland. Te staan om het recht te verdedigen en het onrecht te straffen. Daarom is de christen de beste soldaat.

De vroegdoop der kinderen.

Daar hebben wij in onze Hervormde Kerk zoo geen last van, dat men de kinderen zoo verschrikkelijk vlug laat doopen. Zaterdagavond een kleine geboren en Zondagmorgen doopen — neen ! zoo zijn onze manieren niet I Men doet het onder ons wat kalmer. Soms véél te kalm. Men stelt het soms maanden uit. En dat is jammer.

In de Gereformeerde Kerken, vooral die uit de Doleantie zijn ontstaan (van 1886), is op dat buitensporig en onredelijk vroeg doopen nog wel eens sterk aangedrongen. We hebben, daar wel eens staaltjes gehoord waar we om gelachen hebben ! Wat zot overdreven. En dan dat praten over de moeder, die er dan natuurlijk niet bij kan zijn. Als men sommige jonge vadertjes hoort, zou men ze graag 'n draai om de ooren geven, zóó spreken ze over de moeder van het kind, die ook in de opvoeding juist niet zoo'n heele kleine plaats inneemt. Soms grooter plaats dan de vader, die dan zoo graag optreedt als „de vertegenwoordiger.'-

Uit de Kerkelijke adviezen van prof. Rutgers (wat staan er in die twee deelen een macht van dingen waarmee we ook in onze Hervormde Kerk ons voordeel kunnen en moeten doen !) blijkt, hoe hij ook geen voorstander was van' het bespottelijk vroeg doopen, waarbij de moeder stelselmatig wordt genegeerd. Hij zegt er dit van :

„In art. 56 der K.O. is de uitdrukking „zoo haast men den doop hebben kan", wel naar aanleiding van oppositie tegen de Dooperschen en afkeuring van uitstel (om Doopouders of om getuigen) in de K.O. gekomen, en dus ten d e e 1 e uit die omstandigheden te verklaren, maar toch niet geheel. In zoover verschil ik dus zooveel niet van 'tgeen door prof. Kuyper en ds. Sikkel er over gepubliceerd is.

Maar wel verschil ik hierin, dat ik een uitstel van 2 a 3 weken, tot de moeder hersteld is, geen onnoodig uitstel noem, waaruit gerinigschatting van den Doop zou blijken. Daarvoor is in onzen tijd de beschouwing van de menschen over de tegenwoordigheid der moeder te veel gewijzigd. En dat blijkt ook wel uit de praktijk. B.v. hier in Amsterdam zijn in de laatste 9 jaren in de Gereformeerde Kerk B zeker 4 a 5000 kinderen gedoopt, maar nauwelijks 1 op de 100 binnen de 14 dagen ; en bijna a1tijd, als de moeder er ook bij was. En noch de kerkeraad noch iemand in den kerkeraad heeft daarop ooit aanmerking gemaakt. En zoo is het zeker elders ook. — Men moet zonder twijfel het „zoo haast mogelijk" blijven voorhouden. Maar vooreerst zijn in onzen tijd de kinderen zwakker dan in vorige eeuwen, zoodat het niet altijd geraden is, hen de eerste dagen uit de kraamkamer in de kerk te brengen. En dan ook vind ik nietaf te keuren, dat de moeder er gaarne bij is, en zou ik daarmede dan ook willen rekenen."

Sombere prediking.

Iemand heeft een gesprek .gehad met een zijner kennissen, die beweerde, dat de Gereformeerde prediking zoo somber, zoo treurig, zoo droef-gestemd is.

Hij vraagt of dat waar is en of dat noodzakelijk is.

Wij antwoorden : neen ! dat is niet noodzakelijk. Dat mag zelfs niet. Omdat de Schrift het ons anders leert. Die leert, dat het licht van Gods kind schuil kan gaan ; en dikwijls schuil gaat. Dan moet met David gezongen worden : „Wat buigt gij u neder, o mijn ziel en wat zijt gij onrustig in mij." Maar de Heere vergeet de Zijnen niet, ook zelfs niet als de ziele moet zeggen : „ik ben wel ellendig !"

Daarom moet bij den geloovige altijd weer boven komen : „maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen. Verblijdt u in den HEERE en verheugt u gij rechtvaardigen en zingt vroolijk alle gij oprechten van harte." (Psalm 32).

(Psalm 32). 't Gaat hier door veel strijd en moeite ; maar de Heere wil Zijn kinderen leeren opk in duisternis op Zijn'Naam te betrouwen. En Petrus zegt : „in denwelken (n.l. Christus) gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar geloovende, u verheugt met eene o n u i t s p r e k e 1 ij k e en h e e r 1 ij k e vreugde." (1 Petrus 1 vers 8).

Dat mag in deze bedeeling door Gods wondere genade door Gods kinderen ervaren worden. En zóó verkrijgen ze — met onuitsprekelijke en heerlijke vreugde — het einde huns geloofs namelijk de zaligheid der zielen. (1 Petrus 1 vers 9).

Die dat weten en verstaan, kennende de kracht Zijner opstanding. (Filipp. 3 vers 10) zullen het laten uitkomen, dat er een levende hope is in het harte van Gods kinderen, die weten mogen naar Gods groote barmhartigheid te zijn wedergeboren.

Droefheid ja — maar ook blijdschap. En dat saam is het geloofsleven.

En dat saam is het geloofsleven. Niet droefheid alleen. Niet blijdschap alleen. Neen, droefheid en blijdschap saam is het geloofsleven.

Of dat kan ? En hoe dat kan ? Het reine witte licht is een mengsel van rood en groen én blauw en nog velé andere kleuren.

Niet rood alleen is de ware kleur. Niet groen alleen ; niet blauw alleen. Rood, groen en blauw saam is het reine witte licht.

Zoo is het geloofsleven niet klagen alleen. 't Is ook niet juichen alleen. 't Is niet ellende alleen, 't is ook niet dankbaarheid alleen.

De kennis van ellende en de kennis van verlossing en de kennis van dankbaarheid geeft het geloofsleven. Het geloofsleven — met die bange klacht : ik ellendig mensch. Het geloofsleven — met dien blijden jubel: ik danke God, door Jezus Christus, mijnen Heere.

Neen, de Gereformeerde prediking mag niet eenzijdig droevig, triest, somber zijn.

Bij de Gereformeerde prediking moet het een wondere mengeling van kleuren zijn, waarbij het heldere, heerlijke, witte licht uitstraalt. Het licht, waarin de kinderen Gods wandelen, kennende de grootste en dierbaarste beloften." (2 Petrus 1 vers 4).

Het zou natuurlijk wel merkwaardig zijn eens te 'weten wat soort teksten gewoonlijk door „Gereformeerde" dominé's behandeld worden. Dat zou een vingerwijzing kunnen zijn bij de vraag : is een Gereformeerde prediking een sombere prediking. Hoewel een reeks van teksten op zichzelf ook nog niet genoeg zou wezen, want de behandeling van één en denzelfden tekst kan nog zoo verschillend zijn.

Gereformeerd is evenwel om niet óf het een óf het ander altijd naar voren te brengen. Gereformeerd is het volle licht te doen uitstralen, waarbij uitkomt de algeheele verlorenheid van den mensch en het werk dat de Vader door den Heiligen Geest werkt in Zijne kinderen, 't alles nemend uit Christus, om Gods kinderen in alle waarheid te leiden met droefenis en vreugd.

En zóó komt Petrus er toe om al Gods kinderen en dus ook de predikers der Waarheid toe te roepen : „geloovende, verheugt u met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugd" (1 Petrus 1 vers 8) of zooals Paulus schrijft : „voorts, mijne broeders, verblijdt u in den Heere." (Filipp. 3 vers 1).

Menigeen weet niet beter te doen dan altoos maar te klagen en te jammeren en het schijnt soms, alsof men van z'n armoede z'n rijkdom maakt en zich gelukkig gevoelt in het gemis der verlossing die in Christus Jezus is.

Na een hellevaart der zelfkennis wil de Heere door Zijnen Heiligen Geest aan Zijn kinderen een hemelvaart der gemeenschap met Christus Jezus geven. En arm zijnde, zijn we dan toch rijk. Bedroefd zijnde zijn we dan toch blij. Den ganschen dag gedood wordend zijn we dan meer dan overwinnaars.

Kennen degenen die zoo jubelen de droefheid naar God wel ? Kennen degenen die zoo lamenteeren de 'blijdschap en de vertroosting wel, die daar is door het geloof in Jezus Christus ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's