Over de oplosssjng van het kerkelijk vraagstuk.
III
In haar verdere bestrijding van de Waarheidsvriend erkent ten slotte de Gereformeerde Kerk zelf, dat al wat kan of al wat niet kan, een zaak is, waarmee wij eigenlijk niet of althans niet in de eerste plaats hebben te rekenen.
We aanvaarden die erkenning, waardoor haar vorig betoog verzwakt wordt, met dankbaarheid. Vooral omdat we meenen, daaruit het besluit te mogen trekken, daf haar geloof in het herstel der gansche Hervormde Kerk niet berust op de erkenning, dat God machtig is zulk een wonder te werken.
„Waarnaar een goed gereformeerde in, de eerste plaats heeft te vragen, is : wat naar Gods Woord mag en moet." Natuurlijk. We zijn het met die woorden van de Geref. Kerk volkomen eens. De wet des Heeren zij ons richtsnoer voor hart en wandel en niet het geloof in Gods macht. Maar als daarna de beschuldiging geuit wordt, dat de Waarheidsvriend op kerkelijk gebied beginselen is toegedaan, die strijdig zijn met het ideaal der oude Gereformeerden, strijdig dus ook met wat volgens Gods Woord mag en moet, zeggen we : „wat nog bewezen moet worden." Het is zoo gemakkelijk om te schermen met leuzen ; om met het woord afscheidingsbeginselen en dergelijke een zaak als verdacht te brandmerken, maar hét zwakke van een dergelijke houding kan toch voor een nauwkeurig onderzoeker niet verborgen blijven ; men blijft op die wijze in het negatieve hangen en aan een positieve uiteenzetting van eigen beginsel en van den weg, dien men wenscht te volgen, waagt men zich niet.
Want waarop rust toch het geloof der Geref. Kerk in een herstel der gansche Hervormde Kerk? Meestal is geen andere grond te vinden dan het geloof in Gods macht. We hebben gezien hoe dit een dwaling is, door de Geref. Kerk ten deele zelf erkend. De beantwoording der vraag blijft daardoor in nevelen hangen. Totdat eindelijk in een ongeteekend artikel in het no. van 23 Maart de nevel gescheurd wordt en de grond van dit geloof zichtbaar wordt, in een artikel „Ja, het is waar ? " wordt daar het geloof in 't herstel der Hervormde Kerk als zoodanig gegrond op de eigen beloften des H e e r e n, o.a. déze : „de poorten der hel zullen haar niet overweldigen."
Voor ons was dit artikel geen openbaring, eigenlijk wisten we al lang, dat hier tenslotte het verschil ligt tusschen de Gereformeerden en die Confessioneelen die thans in de Geref. Kerk het meest op den voorgrond treden. Maar nooit heeft men zijn standpunt zoo duidelijk uitgesproken als in dit artikel geschiedt en ik vermoed dat sommige Confessioneelen zich een weinig aan de plaatsing van dit artikel zullen geërgerd hebben wijl hier hun standpunt in al zijn zwakheid tot openbaring komt.
De beloften des Heeren, in het Woord aan Zijn Kerk gedaan, worden zonder bezwaar op de Hervormde Kerk als zoodanig toegepast. Want — dat is de gang der redeneering — de Hervormde Kerk is dt Kerk van Christus en wat dus aan Christus' Kerk is toegezegd, dat is ook aan de Hervormde Kerk toegezegd.
De nieuwe Herv. Staatspartij is geheel op dit beginsel gebouwd en dan ook door Confessioneelen van dit type gesticht. Zij zijn de mannen der consequentie. En duidelijk hebben ze uitgesproken in hun statuten, dat de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk, ondanks haar tegenwoordlgen toestand van krankheid en gescheurdheid als de historische wettige openbaring van het lichaam van Christus in Nederland moet worden erkend.
Alle andere Kerken zijn daardoor geoordeeld als valsche Kerken, scheurkerken, of welke andere namen er zijn, die het onwettig karakter van haar bestaan kunnen aangeven.
Dit standpunt is niet nieuw. Men vindt het in verschillende Kerken terug. Zooals deze Confessioneelen over de Ned. Hervormde Kerk spreken, zoo spreekt b.v. de Christelijk Gereformeerde over zijn Kerk. *) In de Synode der Christelijk Gereformeerde Kerk is duidelijk uitgesproken geworden, dat de Christelijk Gereformeerde Kerk de wettige openbaring van het lichaam van Christus is en in 1910 werd reeds de uitspraak gedaan, dat alle Gereformeerden uit alle Kerken naar eisch der Heilige Schrift en der formulieren van eenigheid, geroepen zijn tot de Christelijk Gereformeerde Kerk zich te wenden. Men ziet, dat men daar in groote woorden voor de Hervormde Staatspartij niet onder doet.
Confessioneelen, Christelijk Gereformeerden en velen uit andere Kerken beroepen zich om te bewijzen, dat hun Kerk de wettige openbaring van het lichaam van Christus is, allen op de belijdenis. Dat zit zoo. In artikel 27, 28 en 29 van de Ned. Geloofsbelijdenis wordt gesproken van de ware Kerk en gezegd, dat ieder geroepen is zich tot d i e Kerk te voegen. De ware Kerk van Christus wordt daar gesteld tegenover de valsche Kerk, die zich ijdellijk den naam van Kerk aanmatigt. Nu wordt er vaak terecht de nadruk op gelegd, dat de belijdenis niet spreekt van de ware Kerken maar van de ware Kerk, wijl Christus' Kerk één is. Er is maar één Kerk, d.i. de Kerk van Christus, de eenige ware Kerk, Evenwel voor velen is dat hetzelfde als dat er ook slechts één ware kerkformatie is. En dus moeten deze velen zich wel beijveren om aan te toonen, dat hun K e r k de ware Kerk is, want konden ze dat niet handhaven, dan konden ze ook niet meer in hun Kerk blijven. De geheele opzet is hier echter verkeerd en daardoor komt men tot zulke onjuiste gevolgtrekkingen. Men verzeilt hier in de kerkistische wateren van het ergste soort en de Confessioneelen kunnen de Hervormde Kerk als Volkskerk, waarvoor ze immers zeggen te ijveren, geen grooter kwaad doen dan door haar op deze wijze in den kerkistischen hoek te plaatsen.
In den laatsten tijd wordt door velen het verband tusschen zichtbare en onzichtbare Kerk verbroken. Ze worden niet alleen onderscheiden, ze worden zelfs gescheiden Beide worden grootheden van gansch verschillend karakter. Wanneer de Geref. Kerk zich tegen deze beschouwing kant, staan we geheel aan haar zijde. Want op deze lijn voortgaande wordt de zichtbare Kerk tot een gewone godsdienstige Vereeniging, een product van menschelijk willen. Daarom achten we de dwaling der Confessioneelen, Christelijk Gereformeerden, etc, niet met sommigen daarin te bestaan, dat men onzichtbare en zichtbare Kerk vereenzelvigt, maar hierin, dat men de zichtbare Kerk, de ware Kerk van Christus aan één bepaalde Kerkformatie wil binden. Ten onrechte beroept men zich hier op de belijdenis. Onze Gereformeerde vaderen hebben nooit op dit standpunt gestaan. De verscheuring en verdeeldheid der zichtbare Kerk 'moge hen dieper gesmart hebben, moge door hen méér als zonde voor God zijn gevoeld dan door ons, die van onze geboorte aan te midden van deze verscheuring hebben geleefd ; het standpunt dat men één der uiteengescheurde deelen als de ware Kerk verheft en haar de plaats van het geheel wil toekennen, is nooit het hunne geweest. Dat blijkt hier duidelijk uit de wijze, waarop de ware Kerk wordt geteekend. Volgens Confessioneelen, Christelijk Gereformeerden, etc, hebben onze vaderen eigenlijk onverstandig gedaan met niet duidelijk en klaar de Gereformeerde Kerk de ware Kerk te noemen. Maar deze mannen, levend uit de Schrift, waren vrij van dergelijke enghartigheid.
Men wilde niet een bepaalde Kerk als ware Kerk aandienen, evenmin als men bepaalde menschen als ware Christenen wenschte aan te duiden. Men noemde de kenmerken op, waaraan de ware Kerk te kennen is gelijk de kenmerken, waaraan de ware Christen gekend kan worden. Aan die kenmerken moet ieder Christen, maar ook de Kerk worden getoetst. En wanneer nu twee Kerken de in de belijdenis opgenoemde kenmerken blijken te bezitten, kan toch geen andere gevolgtrekking worden gemaakt dan dat beide volgens de belijdenis .ware Kerken zijn ; evengoed als men twee Christenen, die de kenmerken bezitten, waarvan art. 29 spreekt, beiden voor ware Christenen heeft te houden, al zijn ze beiden van verschillend type en al kunnen ze hier op aarde niet in alle dingen samengaan en overeenstemmen.
Dat de Ned. Hervormde Kerk nog altijd een geheel eigenaardige positie inneemt in het midden van ons volk en nog immer een zeer bizondere beteekenis en roeping heeft, ontkennen we hiermede allerminst. Doch men doet de Nederi. Geloofsbelijdenis onrecht aan, wanneer men meent zich op haar te kunnen beroepen om te bewijzen, dat de Ned. Hervormde Kerk de historische en wettige openbaring van het lichaam van Christus is, de ware Kerk, aan wie Gods beloften toekomen, terwijl alle andere Kerken, ofschoon ze misschien in meerdere mate dan de Ned. Hervormde Kerk de in art. 29 genoemde kenmerken deelachtig zijn, eenvoudig buiten rekening worden gelaten en hun de naam van „ware Kerk" althans van ,,wettige openbaring van het lichaam van Christus" ontzegd wordt.
Maar gesteld zelfs, dat deze dingen zoo waren, dat de Ned. Hervormde Kerk d e ware Kerk van Christus is, dan heeft men nog het recht niet om de belofte Gods, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen, op haar toe te passen, dan is deze waarheid nog niet genoegzaam om te gelooven, dat God haar weer herstellen zal.
God heeft nergens in Zijn Woord Zijn Kerk aan een bepaald volk verbonden en niet één plaats is in de Schrift aan te wijzen, waaruit volgt, dat de Heere zich verbonden heeft om Zijn Kerk, in een bepaald land gegrond en gebouwd, aldaar in stand te houden tot aan het eind der dagen. Veeleer het tegendeel. God handelt met Zijn Kerk ook onder de Nieuwe Bedeeling verbondsmatig ; vandaar dat aan een getrouw wandelen in de weg des Woords wel vele zegeningen worden verbonden, maar het verlaten van Zijn inzettingen en getuigenissen niet ongestraft zal blijven ; zelfs lezen we, dat één der Gemeenten, aan wie de 7 brieven in de openbaring van Johannes worden geschreven, zoo ze zich niet bekeert, bedreigd wordt met het wegnemen van den kandelaar des evangelies. En de geschiedenis heeft getoond, dat) God hiermede ernst maakt. Op menige plaats, waar Christus' Kerk gegrond is geweest en gebloeid heeft, waar zelfs de apostelen werkzaam zijn geweest, is de Christelijke Kerk van den aardbodem verdwenen ; denk aan het Oosten en Klein-Azië, dat zoolang onder de macht der Turken .gezucht heeft.
Waarlijk wie meent, dat de Ned. Herv. Kerk de historische en wettige openbaring van het lichaam van Christus in deze landen is, die kan op grond daarvan nog niet beweren, dat ze immer in stand zal worden gehouden en uit haar verval zal worden opgericht, wijl God Zijner handen werk niet laat varen. Hij moet integendeel op grond der Schrift erkennen, dat, zoo haar afwijkingen vermenigvuldigen en ze in haar ontrouw volhardt. God eenmaal uit haar midden wijken zal. Wie de belofte des Heeren, dat de poorten der hel Zijn Gemeente niet zullen overweldigen, op een bepaalde zichtbare Kerk toepast, en dat onvoorwaardelijk, maakt zich schuldig aan anti-nominianisme. Hij doet als de valsche profeten in Israël die het volk troostten met de belofte^ dat Jehova ze niet in der vijanden hand zou overgeven, wijl Israël immers het volk van Jehova was, maar ze pleisterden met looze kalk, wij ze de zonde bedekten inplaats van die te ontdekken, wijl ze ook nalieten de strafvorderende gerechtigheid Gods het volk voor te houden, waardoor, zoo ze zich niet bekeerden, niet anders dan de ondergang hun deel kon worden.
*) Dat wij hier bepaald de Chr. Gereformeerde noemen, is, omdat ons van de Chr. Geref. Kerk een ondubbelzinnig getuigenis met officieel karakter vóórligt. Zie Bavinck. Het gescheiden leven der Geref. in Geref. Theol. Tijdschrift afd. II pag. 438.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's