Staat en Maatschappij.
Verkeerd beoordeeld.
Een der lezers van ons blad, die tot ons genoegen menig stuk uit ons blad met instemming leest, doch geen lid van den Gereformeerden Bond is, omdat hem de confessioneele beginselen bijzonder aantrekken, heeft zich gestooten aan hetgeen wij in het nummer van 12 Mei onder 'het opschrift : ., Staat en Kerk" over de Hervormde (Geref) Staatspartij schreven.
Het bezwaar, dat tégen het artikel wordt ingebracht, is, dat enkele onderdeden uit het program der nieuwe Staatspartij geen genoegzaam recht wedervoeren. Wij zouden, hetgeen wij schreven, los van het partijprogramma hebben behandeld.
Nu wil het ons voorkomen, dat onze lezer hier het gelijk niet aan zijn kant heeft. Immers wij hadden het niet over het program van beginselen der Hervormde (Geref) Staatspartij, want daarover, schreven wij reeds vroeger, maar over het artikel „Staat en Kerk", dat in het eerste nummer van het orgaan van de Staatspartij voorkomt.
Op dit artikel maakten wij enkele kantteekeningen, met het doel om te doen uitkomen, dat het optreden van de Hervormde (Geref.) Staatspartij, natuurlijk door die partij ongewild, leidt tot Versterking van de machtspositie van Rome.
Dat wij, door dat wij onder „Staat en Kerk" schreven, de Hervormde (Geref.) Staatspartij geen onrecht aandoen, zal onzen lezer thans duidelijk zijn.
Een hoognoodige rectificatie.
Dezelfde lezer, die zich ten opzichte van onze bedoeling, die bij het schrijven van ons artikel „Staat en Kerk" voorzat, vergiste, verduidelijkt het program van beginselen der Hervormde (Geref.) Staatspartij door er op te wijzen, dat een der hoofdpunten, welke de Staatspartij voorstaat, is te geraken tot eene herziening van de Grondwet in Protestantschen zin, waarbij Rome geheel wordt uitgeschakeld. Dit zou dan moeten gesohieden, op grond van wat de Heidelbergsche Catechismus leert. ' Nu moge het ons vergund zijn, om naar aanleiding van de laatste toevoeging, de opmerking te maken, dat de „Heidelberger" niet alleen de Roomsche leer verwerpt, maar alle leer wederstaat, die niet overeenkomstig de Gereformeerde waarheid is.
Een herziening van de Grondwet in Protestantschen zin zegt dus niet, wat de Hervormde (Geref.) Staatspartij eigenlijk bedoelt. Zij zal moeten spreken van eene herziening van de Grondwet in Gereformeerden zin, waarbij dan Rome benevens al degenen, die niet op den grondslag van de Gereformeerde belijdenis staan, worden uitgeschakeld.
Een rectificatie is hier dus hoognoodig.
Het Protestantsch karakter.
Het blijft in de Chr. Hist, pers en de met die pers verwante bladen — en zoo zal het wel tot den stemmingsdag op 5 Juli voortduren — schering en inslag, dat de Antirevolutionairen niet voldoende hun protestantsch-Christelijk karakter tegenover Rome hebben weten te handhaven.
Zoo schrijft ds. Bakker uit Amsterdam, in wien de Christelijk-Historischen een warm pleitbezorger hebben, in de Gereformeerde K e r k dat het ook de Antirevolutionaire Kamerleden waren (wat met geen enkel bewijs wordt gestaafd), die ons het gezantschap bij den paus bezorgd hebben en zoo is het ook ds. Voorsteegh uit Katwijk aan Zee, die, naar de Zuidhollander, het orgaan van dr. Schokking mededeelt, zoo zonder meer te Schiedam beweerde, dat een der geschillen tusschen Antirevolutionairen en Chr.-Historischen loopt over het gezantschap bij het Vaticaan en het Processieverbod.
Mogen wij nogmaals tot onderwijzing van deze beide predikanten er aan herinneren, en we doen dit thans voor de laatste maal, dat :
1". de tegenwoordige Minister van Onderwijs, dr. de Visser, voorkomende op no. 3 van de candidatenlijst van de Chr.-Hist. Unie voor de indiening van het voorstel tot bestendiging van het gezantschap bij den paus en voor de medewerking, welke hij verieende aan de Grondwetsvoorstellen, waarbij de opheffing van het Processieverbod werd voorgesteld, mede de volle verantwoordelijkheid draagt.
2" de heer mr. de Geer, thans Minister van Financiën als lid van de Staatscommissie voor de Grondwetsherziening het rapport van die commissie onderteekende, waar in voorgesteld werd het verbod tot het houden van processies op te heffen. Deze mr. de Geer heeft op de candidatenlijst der Chr. Hist. Unie nummer 2 gekregen.
En 3°. om het bij dit drietal te laten, dr. Slotemaker de Bruine, een der hoofdredacteuren van d e 'N e d e r 1 a n d e r, in de najaarsvergadering van de Chr. Hist. Unie van 1921 zeide : dat hij het toestaan van processies rechtvaardig achtte. In de statuten van de Chr.-Historische Unie, zoo betoogde hij, staat : handhaving van het Protestantsch karakter der natie. Daar moet niet in gelezen worden, dat niet-protestanten gedulden of toegelatenen zijn. Dat zou hij niet voor zijne rekening kunnen nemen.
Wanneer het toegelaten is, dat Sociaaldemocraten optochten houden, dan moeten ook andere optochten zijn toegelaten, behoudens toezicht van de Overheid.
Wij zouden nu willen vragen èn aan ds. Bakker van Amsterdam, èn aan ds. Voorsteegh van Katwijk aan Zee èn aan de heele trits van Chr. Historische propagandisten, of zij met deze feiten voor oogen 't maar niet gewenscht zouden achten voortaan over het handhaven van het Protestantsch karakter der Chr.-Historischen maar te zwijgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's