De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op Kerkelijk Erf

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op Kerkelijk Erf

15 minuten leestijd

Vlll.

Kerk en Staat.

In de caesaropapie treffen wij dus een verhouding van Staat en Kerk aan, waarbij de Kerk een bevoorrechte positie inneemt als Rijkskerk, doch daarbij het groote nadeel moet dulden, dat de overheid niet atleen naar buiten maar ook naar binnen haar invloed op de kerk laat gelden en haar niet zelden dienstbaar maakt aan politieke doeleinden tot schade van een zelfstandigen geestelijken opbloei, en tot belemmering van de eigen roeping der kerk. Desondanks zou men kunnen verwachten, dat de bevoorrechte plaats van de Rijkskerk ook groote voordeden brengt aan de doorwerking van haar beginselen en inderdaad zal men ook steeds een en ander vinden om daarop te wijzen. Allereerst zou men echter meenen, dat het publieke leven en de staatswetgeving daarvan de bewijzen zullen dragen, doch de uitkomst blijkt ook op dat gebied slechts gering. Weliswaar werden onder Constantijn den Groote de geestelijken vrijgesteld van 'belasting, de doodstraf door kruisiging werd afgeschaft, de viering van den Zondag door de wet voorgeschreven, maar van een door de beginselen van de Christelijke wereldbeschouwing gedragen staatkunde is nog slechts zeer weinig waar te nemen. Ongetwijfeld komt dit evenzeer hier uit voort, dat de jeugdige kerk zichzelf omtrent belangrijke stukken van de Christelijke leer nog niet had kunnen bezinnen, noch tot een voltooide of althans in groote lijnen uitgebouwde theologie was gekomen.

Ook 'het publieke leven was in het algemeen nog niet van karakter veranderd, maar droeg nog den stempel van de antieke cultuur. Het zedelijk peil verschilde zelfs in Christelijke kringen vaak niet veel van de heidensche omgeving, men bleef den arbeid, als niet in overeenstemmiing met de waardigheid van den vrijen man, schuwen, het schoolwezen behield nog zijn heidensch karakter, zoodat.de wetenschappelijke grootendeels aan heidnsche leeraren was toevertrouwd. Ook dit alles mag niet eenzijdig geweten worden aan de caesaropapie, doch vindt mede zijn oorzaak in de nog jeugdige ontwikkeling van de kerk, maar dit neemt niet weg, dat ook in de caesaropapie, die met het wezen der kerk nimmer kan overeenkomen, de kiemen schuilen van het verval. Wij noemen slechts de natuurlijke verslapping der energie, die het bewustzijn der overwinning moet tengevolge hebben en den grond legt voor een geesteloos en oppervlakkig belijden. Verder ligt ook in den invloed des Keizers op de benoeming der ambtsdragers een groot gevaar, dat wel politieke werktuigen, doch geen geestelijke vaders tot de hooge ambten worden geroepen. Reeds spoedig wordt een geest van vleierij onder de gunstelingen van het Hof gevoed, die het meer is te doen om eigenbaat, wereldlijke macht en-aanzien, dan om het waarachtig heil der menschheid. Zoo ligt het voor de hand, dat. de Staatskerk ook innerlijk verzwakt, wijl de geestelijke drijfkrachten in den strijd rusten gaan en ook daar, waar de nood nog blijft dringen, de meeningen worden geleid door hen, die door staatkundige oogmerken worden bewogen en dingen om vorstengunst.

De Rijkskerk moest er dus toe bijdragen, dat het heidendom in de kerk binnendrong en het geestelijk karakter dieper wegzonk. Niettemin openbaarde het evangelie een verborgen kracht, door de Heilige Schrift zelf als een zuurdeeg geteekend, die in alle tijden kan worden waargenomen. Ver buiten de grenzen van het Rijk verkreeg het Kruis aanhang, zooals in Perzië, Armenië, Abessynië, onder de Gothen en Germanen. Behalve leergeschillen, die innerlijk aanleiding tot scheuring gaven, bleek ook de politieke verhouding, waarin de kerk was gesteld, een oorzaak, dat haar eeniheid werd gebroken. Omstreeks 400 kwamen de grenzen der Rijkskerk overeen met de landpalen van het Rijk, zoodat de Christenheid daarbuiten min of meer los van haar was. Spoedig maakten strijdigheden over de leer ook binnen de muren van de Staatskerk scheuring, zoodat allengs haar aanzien en invloed vooral in het Oosten, vervielen. Terwijl in het Oostersch Romeinsche Rijk het staatsgebouw zich nog gedurende eeuwen wist te handhaven door de stormen der tijden, was de Staatskerk reeds lang verstorven en versteend in een dor en geesteloos formalisme.

In het Westen ging het welhaast in alle opzichten in tegengestelde richting. Daar overleefde de Kerk den Romeinschen Staat en vestigde haar macht op zijn puinhoopen, terwijl zij zich als een cultuurkraoht openbaarde, die de volgende eeuwen zou beheerschen. Dit alles vond steun en eenheid in het pausdom, dat naar zijn oorsprong wel vroeger in de geschiedenis teruggaat, maar eerst door den ondergang van het Westersche Rijk tot ontwikkeling kwam, zij het ook niet zonder strijd met de vorsten der nieuwe rijken.

Sedert den aanvang der 5de eeuw n.l. had een groote verschuiving der volkeren plaats, die voor de ontwikkeling van het pausdom van overwegenden invloed is geweest. Vanuit het Oosten werden de Germanen opgestuwd door de Hunnen en brachten op hun beurt ook de Germanen in het Westen in beweging, zoodat deze een uitweg zochten-op Romeinsch gebied en zich trachtten staande te houden door nieuwe staten te vormen. Het Iaat zich verstaan, hoe deze inval der Barbaren in het innerlijk verzwakte en ineengezonken Rijk de eens zoo bloeiende antieke cultuur verwoestte. In Italië, Zuid-Frankrijk, Spanje; langs den Rijn ontstonden Germaansche rijken, die of Ariaansch of heidensch waren, wat den godsdienst aangaat. Hoewel hun plunderzucht veelal de kerken verschoonde, werd toch de Katholieke Kerk in het Westen verscheurd en verloor grootendeels haar katholiek orthodox karakter, wijl zij in de nieuwe staten werd overheerscht door een Ariaansche of heidensche overheid en dus het karakter droeg van landskerken. Hierdoor werd aan het Westersch katholicisme een gevaarvolle crisis bereid, die echter met name door de katholiseering van het nog heidensche Frankenland werd overwonnen.

Inderdaad verkeerde dan ook de Westersche Kerk in zeer gunstige omstandigheden vergeleken bij den toestand, waarin het evangelie in de wereld verscheen bij den aanvang van onze jaartelling. Toen vond de kerk een goed georganiseerd staatkundig leven, een hoog ontwikkelde beschaving vart-het heidendom, een tijd van vrede en rust, terwijl zij zwak daartegenover stond zonder omlijnde leer, aan het begin van haar groei en ontplooiing harer krachten.

Thans was het juist omgekeerd. Temidden van een wereld, die een schouwtooneel vertoonde van strijd en verwarring, stond de kerk, met een stevige organisatie en een theologie, die de edelste vruchten van de cultuur der oude wereld had saamgelezen, als een pilaar der vastigheid in het stormend barbarisme, terwijl zelfs dit nog door de bekoring der oude wereldstad werd bevangen, waar de prelaat van het Westen zetelde.

Geheel deze wending der geschiedenis kwam ten goede aan het streven, dat sedert lang de bisschoppen van Rome bezielde om naar den voorrang te dingen. Reeds bij het vertrek van Constantijn naar Constantinopel, ging de glans van den keizerlijken aureool over op den stoel van Petrus, en tegenover de caesaropapie in het Oosten ging reeds eerder een roep naar de vrije kerk daarvan uit. Moest dit alles het aanzien van dien zetel verhoogen, niet minder won de gemeente te Rome aan invloed, wijl zij haar rijkdom niet spaarde aan minder bedeelde gemeenten en zich roem verwierf als de dappere kampvechtster en beschermvrouwe der katholieke rechtzinnigheid. Zoo stonden de zaken bij den aanvang der middeleeuwen, welker ontwikkeling geleid werd tot een zuiver kerkelijke cultuur, zooals die mogelijk werd door de organisatie van een universeele Roomsche kerk, die in 't pausdom een machtig instituut te voorschijn bracht, waarvoor ook koningen en keizers moesten buigen. Zooals wij reeds opmerkten vormden zich aanvankelijk verschillende landskerken in de nieuwe rijken der Germaansche volkeren, zoodat ook daar de overheid groote macht over haar had en de ontwikkeling van een caesaropapie niet denkbeeldig mag worden geacht, wijl het ideaal van den algemeenen staat "de geesten bleef boeien. Terwijl alzoo politiek idealisme drong naar herstel van het Keizerrijk en dus naar een groote volkerengemeenschap en het katholieke streven uitging naar een kerkelijke gemeenschap, die alle volkeren zou omvatten, lag het op den weg van den Roomschen stoel om die beide in overeenstemming te brengen en zoowel in het staatkundige als in het kerkelijke de hoogste leiding te nemen. Nadat een krachtige zending de katholieke beginselen alom in het Westen had verbreid, ving een worsteling aan met de pqlitieke overheden, die inderdaad de zege bracht aan het pausdom. Door het pausdom werd voor zoover daarvan sprake mag zijn het ideaal van een Godsstaat verwezenlijkt, wijl de paus zich stelde ten stedehouder van Christus aan het hoofd der Kerk en eveneens beschikte over de kronen der vorsten, zoodat geheel het cultuurleven den invloed der Kerk ondervond en een kerkelijke cultuur werd geboren, waarvan de tegenwoordige nog steeds de kenmerken draagt

Het behoeft geen betoog, dat de pauselijke regeering veelmeer dan de caesaropapie het leven der saamgebrachte volkeren kon doordringen van den christelijken geest, die in de kerk heerschte, zooals ook onmiddellijk in het oog valt, dat de vestiging van een universeele kerk heeft medegewerkt om de rust in Europa te bewaren en te voorkomen, dat de Germaansche Staten door langdurige oorlogen elkander zouden verteerd hebben in het streven naar de alleenheerschappij. De Roomsche kerk verschijnt als de moeder-voogdes van de jonge Romaansche en Germaansche volkeren en er is iets groots in de idee van den Godsstaat, die zij voor zooveel dat mogelijk is tot stand bracht, en waardoor zij bekoring opwekt en bewondering. Door die idee ge­dragen stond de kerk der middeleeuwen voor de grootsche taak om niet alleen een nog half heidensche wereld te kerstenen, maar ook naar de beginselen van de christelijke religie te regeeren, en dus had zij ook het gansche leven in oogenschouw te nemen en met de armen van haar macht en invloed te omvatten. Voor den uitbouw van de kerkelijke theologie is dit niet zonder groote beteekenis gebleven, daar de geestelijkheid zich moest inlaten met het gansche veelzijdige leven en dit van uit het kerkelijk standpunt had te belichten en te leiden. Wetenschap, kunst en letteren scholen onder de vleugelen der Roomsche godgeleerdheid, zooals ook heel het politieke en sociale leven een kerkelijk karakter verkreeg. Naast de architectuur van het gebouw der kerkelijke leer, ontstond een organisatie, die haar geledingen door het geheele maatschappelijke en sociale leven wist in te weven. Het geheel wist zij te beheerschen en te dienen door geestelijke en wereldlijke orden, kloosters en scholen, regeeringsinstellmgen en gilden en zelfs de ridderschap leende haar den roem van haar zwaard.

Aan den anderen kant valt niet te ontkennen, dat de Godsstaat der kerkelijke hiërarchie zijn verwezenlijking grootendeels heeft te danken gehad aan den stand van de heidensche beschaving, die zooveel achter was bij de antieke cultuur. Zoodra haar kinderen groot werden, zag de moederkerk zich vervuld van een weerbarstig geslacht, dat, ontgroeid aan de kerkelijke voogdij, de kluisters der heerschappij zocht te verbreken. Op het toppunt van zijn macht, moest het pausdom reeds ervaren, dat zij niet blijvend kon zijn. Het pausdom past niet bij het wezen der kerk, wijl de Godsstaat, dien het verlangde voor deze wereld niet is weggelegd en daarom de politieke macht de kerk niet toekomt en zij haar wezen verloochent, indien zij er naar streeft. Als orgaan en instituut van den levenden Christus heeft zij een geestelijke roeping. Zoo moest het pausdom de wraak van zijn eigen beginsel ondervinden.

Letten wij op hetgeen de catechismus om trent de heilige, algemeene Christelijke Kerk zegt (vr. 54) : „Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijke geslacht, zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt ; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven." De Kerk op aarde is dus het orgaan van Christus en haar bestemming ligt in de eeuwigheid. Heeft zij dus de roeping om het Woord des evangelies aan alle creaturen te brengen, zij kan krachtens haar wezen nimmer de roeping hebben om een universeelen Godsstaat op aarde te gronden, maar behoort vrij te zijn van den Staat. Hoe schoon het ideaal van een Godsstaat ook moge blinken en welk een bekoring daarvan uitgaat, het draagt steeds de erfenis der heidenen mede, zooals wij reeds eerder aantoonden. Ook de moderne mensch droomt van een algemeene broederschap der volkeren, saamgebonden door 't cement van een eenheidsreligie. In dat ideaal van een algemeenen volkerenstaat glimt ook bij den gevallen mensch nog het schemerlicht van zijn oorspronkelijke luisterrijke bestemming, wijl hij als èèn geslacht in den eersten Adam in rechtheid geschapen, was gezet om het beeld te weerspiegelen van Hem, die met zonderlinge zorg den mensch in het aanzijn riep. In dien rechten staat zou de menschheid, mits staande gebleven, den Godsstaat hebben voortgebracht, welks verwezenlijking door de zonde uiteenviel. De harmonische ontplooiing van de heerlijkheid, die de Heere den mensch had toebedeeld, werd gestoord en de wreede belangenstrijd verscheurde de menschheid. Die belangenstrijd moest het pausdom fnuiken, wijl het heerschappij voerde op het terrein van de overheid, wier eigen taak daar ligt, om te beschermen en te leiden.

Zoolang het pausdom nog den cultuurdrang kon leiden en beheerschen kon het zijn macht ontplooien, schoon het ook daarin de waarachtige geestelijke belangen moest achter stellen, zooals blijkt uit het volksgeloof in de middeleeuwen, dat voor 'n groot deel opging in heiligen-, reliquiën-, en beeldenvereering. De eenzijdig kerkelijke wereldbeschouwing, het gezag, dat het pausdom wist te handhaven, het ceremonieel karakter van den godsdienst moesten een toenemend ongeloof in de hand werken. De ware zielezorg ontbrak of stelde zichzelf een hinderpaal in de biechtpractijk en de leer van den aflaat. Ongetwijfeld werd ook een diepere en meer innige vroomheid gevonden en in verschillende bedelorden betracht en gezocht. Zelfs werden leekenvereenigingen gevormd uit den drang naar religieusen vrede, welken zij hoopten te vinden in boete en wereldontvlieding. De kerk schoot blijkbaar te kort. Niet alleen de geestelijke nood begon te roepen om reformatie, doch ook de cultuurdrang eischte een vrijheid als levensvoorwaarde, waaraan het pausdom niet kon voldoen. Onmogelijk was onder zijn heerschappij een vrije beoefening van kunsten en wetenschappen, terwijl de tijd begon aan te breken, dat de behoefte daaraan werd gevoeld. Reeds was een nieuw leven werkzaam, zoover de kerkelijke banden zulks toelieten. Ja zelfs tot in de naaste omgeving van den paus drong dit door, zoodat de Godsstaat van binnen uit werd ontwricht door de werkzame drijfkrachten in het geestelijk proces der Wes­tersche menschheid, die een nieuwe gestalte zouden geven aan het cultuurleven.,

De Roomsche kerk kon als universeel instituut geen ruimte laten aan een vrije ontwikkeling der cultuur, doch moest deze houden binnen de perken van de kerkelijke leer. Door haar absolute heerschappij beroofde zij ook zichzelf van de gelegenheid om de beginselen, die in het vrije cultuurleven zich openbaren te vergelijken met de principiën van de religie van Christus en ook langs dien weg haar roeping te vervullen. Het Christendom toch zal steeds in anti-these behooren te staan met de wereld. Bovendien was de kerk, ondanks al den bewonderenswaardiger! arbeid van haar geestelijkheid, zoover vervreemd van de oude Christelijke kerk, dat de reformatorische geest op haar weer teruggreep. Ook de ontluikende Renaissance-geest trachtte zich te voeden met de classieke cultuur. Dat lag trouwens in de kerkelijke opvoeding zelf, wijl ook de theologie en de organisatie der kerk zich hadden opgebouwd door middel van de wijsbegeerte der Grieken. Toch bleek het in de vrijmaking van de Roomsche autoriteit, dat de behoeften van den Westerschen geest niet meer konden worden vervuld aan de oude bron. Hij eischte meer en drong naar een zelfstandige en eigen zelfbewuste ontplooiing van krachten. Daaraan stond de kerk in den weg, omdat zij het geheele leven wilde omspannen. Daardoor ging zij haar heerschappij uitbreiden over hoofd en hart van allen en werd in de worsteling om de vrijheid genoopt tot de gruwelijkste vervolging, waardoor wederom de algemeene opstand tegen de kerkelijke heerschappij werd versterkt en eindelijk overwon. Het leven laat zich niet in een keurslijf wringen, doch de onweerstaanbare groeikracht breekt door de knellende banden heen. Alle drijfkrachten, die in de menschheid werkzaam zijn, zullen zich uitleven in haar geschiedenis en de Kerk van Christus heeft te bedenken, dat zij leeft in een wereld van zonde, die rijpt tot het oordeel.

Geen ideaal van den Godsstaat, gesteund door een pauselijke hiërarchie en de schoonste organisatie, zal bij machte zijn het oordeel der wereld af te weren, daarom zij de kerk vrij en zelfstandig onder haar Koning Jezus Christus, om de kinderen des Koninkrijks te vergaderen. Als vrije kerk heeft ze de goederen des heils haar van den Koning toebetrouwd te bewaren, haar beginselen op alle terrein des levens te prediken om te wezen als het zout der aarde en .gelijk een zuurdeeg doorzurende de wereld. Naarmate de beginselen der christelijke wereld-en levensbeschouwing ingang mogen vinden in die wereld, zal ook het publieke leven in meerdere mate worden gekerstend en deze in staatkundige en maatschappelijke ordeningen worden toegepast. In dit licht kan er sprake zijn van een christelijken staat, doch het pausdom geeft een voorbeeld van een kerkelijken staat, waarin dus de kerkelijke leer tot algemeene geldigheid wordt gebracht. Dit nu is in strijd met de Kerk van Christus naar haar eigen aard en beteekenis. De Kerk in geestelijken zin rust in het verborgen levensverband van Christus en de Zijnen, als openbaring van het lichaam van Christus en in haar teer wordt zij bepaald door dè H. Schrift en aangehangen door degenen, die zich bij haar voegen krachtens geloof en belijdenis

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Op Kerkelijk Erf

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's